Museum Security Network

Normen: de waarde van normen

De Waarde van normen

Inhoud

MUSAVE
Normen: het wiel opnieuw uitvinden
Wat willen we voor de beveiliging van musea genormeerd hebben?
Zijn de musea zo specifiek dat er afzonderlijke normen voor vastgesteld moeten worden?
Museumnormen voor de beveiliging van de musea onmogelijk?

MUSAVE

Na de geruchtmakende inbraken eind jaren 80, begin jaren 90 in het Kröller Müller Museum, het Van Goghmuseum en het Stedelijk Museum Amsterdam verstrekte het ministerie van justitie een opdracht tot onderzoek naar de veiligheidszorg van Nederlandse musea. Over dat onderzoek werd in 1992 gerapporteerd. Uit dat rapport kwam o.a. naar voren dat de beveiliging van musea zich voornamelijk beperkte tot elektronica maar dat de organisatorische kant van de beveiliging daar ver bij achterbleef. Aan de bouwkundige kant van de beveiliging werd in het rapport uit 1992 beperkte aandacht besteed.

Naar aanleiding van de rapportage over de veiligheidszorg in de musea zette de toenmalige directeur van de Nederlandse Museumvereniging (NMV) Manus Brinkman een commissie Veiligheidszorg op onder leiding van Rik van Koetsveld, destijds nog zakelijk directeur van het Mauritshuis. In die commissie namen onder andere ook Gerard de Baay (hoofd publiek Openluchtmuseum Arnhem), Ton Cremers (hoofd beveiliging Rijksmuseum), Adri Voermans (Ministerie Binnenlandse Zaken) en Mart van der Sterre (Museumconsulent Zuid-Holland) plaats.

Uit die commissie kwam een werkgroep voort die zich ging buigen over de mogelijkheid de veiligheidszorg van individuele musea te auditen. Ter ondersteuning van die werkgroep stelde de NMV Carla van Buren aan als projectmedewerker. De werkzaamheden van de projectgroep resulteerde na enkele jaren in het softwareprogramma MUSAVE (Museum Standaard Audit Veiligheidszorg) aan de hand waarvan de musea zelfstandig hun veiligheidszorg konden doorlichten. De totstandkoming van dit softwareprogramma werd technisch ondersteund door KPMG.

Die eerste versie van MUSAVE verscheen destijds op drie floppies samen met een Handboek veiligheidszorg voor musea. Deze versie bestond uit een vragenlijst van ongeveer 1200 vragen. Helaas bleek slechts een zeer beperkt aantal musea te beschikken over de hardware om dit – voor die dagen – zware programma te gebruiken. Enkele jaren later maakte ondergetekende op verzoek van de nieuwe directeur van de NMV, Annemarie Vels Heijn, een update van MUSAVE. Deze tweede versie verscheen op CD en de vragenlijst werd gestroomlijnd en ingekort tot circa 600 vragen.

MUSAVE was gebaseerd op het zogenaamde preventiewiel waarbij de veiligheidzorg wordt gezien als de integratie tussen Visie en Beleid, Organisatie, Voorzieningen (bouwkundig en elektronisch) en Bedrijfscultuur (o.a. opleidingen en trainingen). MUSAVE had daarmee een standaard (= norm) voor de Nederlandse en Belgische museumwereld kunnen worden. Echter, slechts een zeer klein aantal musea maakte gebruik van het programma. Mogelijk werd dit veroorzaakt doordat kleine musea het gevoel hadden dat MUSAVE een te zwaar gereedschap was en omdat grote musea meenden het programma niet nodig te hebben. Zonde van een investering door meerdere ministeries destijds van meer dan 150.000 guldens.
Nu, in 2007/2008, promoveert de verzekeringsmaatschappij AXA onder de naam GRASP een audit programma met 1200 vragen dat qua systematiek veel op MUSAVE lijkt. Er is echter een belangrijk verschil: AXA maakt gebruik van auditors die met de vragenlijst op pad gaan en musea en commerciële depots/transporteurs auditen. Media jaren 90 was dat ook het plan met MUSAVE, maar daar was geen geld voor. Hier ligt ook een van de mogelijke oorzaken voor het beperkte succes van MUSAVE: de musea hadden niet het programma moeten hebben, maar hadden bezocht moeten worden door met MUSAVE vertrouwde auditors.

Volgens de huidige directie van de Museumvereniging is MUSAVE ‘achterhaald’ (mail aan mij anderhalf jaar geleden). Teleurstellende constatering wanneer nu blijkt dat AXA dezelfde systematiek hanteert bij het auditen van klanten uit de erfgoedsector. De systematiek van MUSAVE – de vragenlijst moet op enkele onderdelen geactualiseerd worden – kan ook nu nog als norm gelden voor de veiligheidszorg van musea. MUSAVE was niet alleen een eerste poging tot normering van de beveiliging van musea, maar zonder enige twijfel ook een zeer verdienstelijke poging.

Normen: het wiel opnieuw uitvinden

De museumwereld werkt als het gaat om duurzaam behoud en beheer al jaren met ‘normen’ die internationaal geaccepteerd en gehanteerd worden, maar die niet werkelijk in officiële nationale en internationale normen vastliggen. Denk hierbij aan standaard temperatuur, relatieve vochtigheid en lichtwaarden. Voor wat betreft de klimaatbeheersing zijn recent ontwikkelingen gaande die meer uit gaan van een maatwerkbenadering op basis van gebouwspecifieke eigenschappen.

Voor de beveiliging van musea bestaan geen museumspecifieke normen. Daar wordt de laatste jaren wel keer op keer naar gevraagd, o.a. door Danielle Lokin tijdens de presentatie van DICE, de database incidenten cultureel erfgoed, in Hoorn enkele jaren geleden.

In Nederland zijn ongeveer 1200 organisaties die zich museum noemen. Van die 1200 organisaties is circa 30% geregistreerd als museum. Van de geregistreerde musea beheert slechts een minderheid collecties die eigendom zijn van stedelijke, provinciale of rijksoverheden. Alle andere collecties zijn eigendom van stichtingen of particulieren.

De musea verschillen onderling heel sterk zowel qua juridische constructie als qua omvang, organisatie encollectie. Een ruime meerderheid van de musea wordt gedeeltelijk of vaak zelfs geheel op basis van de inzet van vrijwilligers overeind gehouden. HET museum bestaat niet. ‘Museum’ is een containerbegrip waaronder onderling sterk verschillende organisaties vallen. Wanneer HET museum niet bestaat is het ook niet mogelijk DE museumnorm vast te stellen anders dan een beperkt aantal vereiste basisvoorwaarden.

Museumspecifieke normen vast te stellen die voor alle musea gelijkwaardig gelden zij tegenstrijdig met het zeer diverse karakter van de musea. Extreem gesteld: het Rijksmuseum in Amsterdam is een museum, maar het Museum Bosdom van Vliet in Haastrecht ook. Er zijn meer overeenkomsten dan verschillen. Domies Toen (de tuin van de dominee) in Pieterburen, een historisch tuin met alleen een klein theehuis is een geregistreerd museum. Gelden daar dan ook dezelfde normen op het gebied van beveiliging voor?
Wat willen we voor de beveiliging van musea genormeerd hebben?

De vraag naar normen voor de beveiliging van musea is vanaf 2000 opnieuw actueel geworden nadat zich inbraken voordeden in het Frans Halsmuseum, het Museon, het Van Goghmuseum en het Westfries Museum.

Daarnaast is de vraag ontstaan naar normstelling van de brandveiligheid van museale collecties sinds de branden in enkele musea afgelopen jaar. Er is door een brandexpert zelfs gepleit voor brandveiligheidregelgeving gericht op collecties van musea. Deze zelfde expert hield overigens enkele maanden eerder een pleidooi voor vermindering van de regelgeving. De roep om brandveiligheidsnormen voor museumcollecties toont onkunde met het museumveld aan. Het is onmogelijk wettelijk regels voor museumcollecties vast te leggen anders dan voor collecties die onder dat wettelijk toezicht vallen: de overheidscollecties. De archiefwet geldt immers ook alleen voor overheidsarchieven en niet voor particuliere archieven. Daarnaast, zie hierboven, is het slechts zeer beperkt haalbaar, of misschien zelfs onmogelijk, beveiligings- en veiligheidsnormen vast te stellen die voor alle musea gelden omdat die musea nu eenmaal onderling te veel verschillen.

Zijn de musea zo specifiek dat er afzonderlijke normen voor vastgesteld moeten worden?

De vraag kan ook anders gesteld worden: zijn de reeds bestaande nationale en internationale normen al of niet afdoende om de beveiliging en veiligheid van de musea op een gewenst niveau te borgen?

De gezamenlijke verzekeraars werken met een risicoclassificatie aan de hand waarvan het gewenste/vereiste voorzieningenniveau (inclusief organisatorische aspecten) bij de verschillende risico’s vastgelegd wordt. Bij die classificatie wordt gekeken naar zaken als:
1. Aard van de organisatie
2. Ligging van de gebouwen al of niet binnen de bebouwde kom
3. Aantrekkelijkheid van de aanwezige goederen
4. Waarde van de aanwezige goederen.

Het probleem is dat museale objecten slechts zeer gedeeltelijk voorkomen in de lijst van te beschermen goederen. Zodra er sprake is van museale collecties stelt de risicocalculator vast dat de klasse moet worden bepaald in overleg met de verzekeraar. Daar hebben we een probleem, want in de praktijk is gebleken dat dergelijk overleg niet altijd leidt tot een voldoende beveiligingsniveau (zowel de tentoonstelling met diamanten sieraden in het Museon als de collectie in het Westfries Museum waren via dezelfde makelaar verzekerd). Gebleken is dat het overleg met de verzekeraar bij deze musea niet geleid heeft tot een beveiligingsniveau waardoor onopgemerkte inbraak en uitgebreide diefstal voorkomen konden worden.
Toch biedt de risicocalculator enig houvast wanneer gekeken wordt naar de waarde van de aanwezige goederen. Wanneer die waarde hoger is dan € 350.000,00 dan is namelijk een beveiliging in de hoogste risicoklasse vereist.

Dit betekent dat er een hoge inbraakwerendheid moet zijn, dat de elektronische alarmering aan normen moet voldoen, dat de alarmtransmissie naar een particuliere alarmcentrale aan normen moet voldoen, dat de alarmopvolging door een genormeerd/gecertificeerd bedrijf moet plaatsvinden en dat het mogelijk moet zijn alarmen op afstand te verifiëren opdat de politie meteen gealarmeerd kan worden.

Al deze onderdelen zijn in normen en of beveiligingsrichtlijnen (BRL’s) vastgelegd. De bij de elektronische signalering te gebruiken componenten moeten voldoen aan normatief vastgelegde kwaliteit.
Er zijn normen voor de inbraakwerendheid van gevelelementen (ramen, deuren, rolluiken), er zijn normen voor de inbraakwerendheid van glas, er zijn normen voor elektrische installaties en voor beveiligingsinstallaties en alarmtransmissie.

Niet alleen de beveiliging, ook de veiligheid kan volgens bestaande normen worden geborgd. Er zijn normen voor brandmeldinstallaties, voor het onderhoud van brandmeldinstallaties, voor vluchtwegen en voor noodverlichting.

Naast de bestaande normen is er ook nog de wettelijke regelgeving zoals vastgelegd in het Bouwbesluit en de Bouwverordening en in de ARBO wet. Deze wettelijke bepalingen leggen vast hoe gebouwen (met een publieksfunctie) veilig moeten worden gebruikt.

Al deze normen en wettelijke bepalingen bieden bruikbare ondersteuning en richtlijnen voor de beveiliging en veiligheid van musea. In die zin zijn musea niet heel bijzonder. Er blijft naast alle normen altijd ruimte voor maatwerk. De uiteindelijke beveiliging en veiligheid, zeker daar waar het gaat om de collecties, zal op basis van maatwerk gefinetuned moeten worden. Maatwerk kan nooit volgens normen worden vastgelegd (denk bijvoorbeeld aan de recent in Eindhoven gepresenteerde klimaatrichtlijnen).

De bestaande normen op het gebied van beveiliging en veiligheid kunnen wel als uitgangspunt voor musea gelden. Voor veel musea zullen de bestaande normen ook voldoende zijn. Voor uitzonderlijke situaties dienen afzonderlijke maatregelen te worden getroffen.

Normen leggen in feite de prestatie-eisen vast voor de beveiliging en veiligheid. Die prestatie-eisen worden in normen vastgelegd zoals bijvoorbeeld de maximale transmissietijd van elektronische alarmen, of het aantal slagen met een bijl dat inbraakvertragend glas moet kunnen weerstaan. In de normen voor inbraakwerendheid worden niet alleen de prestatie-eisen vastgelegd, maar ook de beproevingsmethoden.

Wanneer maatwerk vereist wordt, denk hierbij bijvoorbeeld aan de vitrine waarin de Damian Hirst schedel getoond wordt, dan moet het museum zelf de prestatie-eis en de beproevingsmethode bepalen. Die prestatie-eis moet gerelateerd zijn aan de organisatie van de beveiliging, de elektronische signalering, de (camera)observatie en de bouwkundige weerbaarheid van het gebouw.

Museumnormen voor de beveiliging van de musea onmogelijk?

Dus, in plaats van tijd en energie te steken in het ontwikkelen van normen is het beter bestaande normen als uitgangspunt te nemen en te spiegelen aan de gewenste prestatie-eisen. Mochten die eisen verder gaan dan het door de norm geboden niveau dan zullen er beproevingsmethoden moeten worden ontwikkeld. Bij beproevingsmethoden kan gedacht worden aan de gewenste tijd van inbraakwerendheid gekoppeld aan te verwachten aanvalsmethoden. Met andere woorden: hoe lang moet de gebruikte deur, het gebruikte glas weerstand bieden tegen welke aanvalsmiddelen, gereedschappen.

Het is in strijd met het normenprincipe om te proberen normen te formuleren voor afwijkende situaties. De grote variatie aan collecties leidt al heel snel tot afwijkende eisen. Het maakt namelijk heel veel uit of er sprake is van de voor streekmusea en oudheidkamers kenmerkende collecties of van collecties op het niveau van het Mauritshuis. Voor at betreft de gebouwen, de elektronica en elektriciteit, de brand- en omroepinstallaties, de vluchtdeuren en de noodverlichting zijn de reeds bestaande normen toereikend. Wanneer het gaat om de bescherming van de collectie zal op basis van maatwerk en prestatie-eisen het juiste niveau moeten worden bepaald. Het heeft nu eenmaal geen zin voor unieke situaties normen te formuleren.

Leave a Reply

%d bloggers like this: