Na de zelfmoordduikvlucht door een Duitse copiloot werd gesuggereerd te verplichten dat altijd twee personen in de cockpit van een vliegtuig aanwezig zijn.

Dus, zodra een van de twee piloten voor toiletbezoek de cockpit verlaat, moet zijn plaats worden ingenomen door een van de cabinepersoneelsleden om te voorkomen dat de achterblijvende piloot de cockpitdeur blokkeert en terugkeer van zijn collega belemmert.

Is dat De oplossing om suïcidale piloten te weerhouden van een moordsuïcide? Nee, want DE oplossing bestaat niet bij beveiligingsproblemen.

Na de suggestie voortaan altijd met twee personen in de cockpit te zijn, haalden Duitse piloten dit alleszins redelijke voorstel onderuit met commentaar als: “Wanneer een piloot de fout in wil, kan dat altijd en kan hij het toestel zo snel laten dalen dat tijdelijk in de cockpit aanwezig cabinepersoneel tegen het plafond gedrukt wordt (De Volkskrant 30 maart 2015).

De piloten die het voorstel over de tijdelijke bezetting van de cockpit van tafel veegden, kwamen naar mijn weten niet met voorstellen hoe een herhaling van een zelfmoordvlucht zoals met de Airbus 320 te voorkomen.

Ondanks maatregelen ter verhoging van de beveiliging en veiligheid kan het altijd nog fout gaan. Het gaat er echter om of deze maatregelen, vaak een opeenstapeling van maatregelen, de kans dat het fout gaat verminderen.

Tijdens mijn ruim 30-jarige carrière als museumbeveiliger werd ik maar al te vaak geconfronteerd met dergelijke “ja, maar…” discussies. Het is verbijsterend hoe groot de creativiteit van dwarsliggers kan zijn wanneer je beveiligingsvoorstellen doet. Die creativiteit wordt vrijwel nooit gebruikt om proactief beveiligingsproblemen te benaderen en met voorstellen te komen.

Ik herinner mij nog helder de bizarre discussie waarin ik verzeild raakte tijdens een themabijeenkomst op de Reinwardt Academie (onderdeel van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten, waar onder andere toekomstige museumwerkers worden opgeleid) naar aanleiding van een interne diefstal in het Amsterdams Stadsarchief.

Binnen de museumwereld is interne diefstal een wezenlijk probleem. Statistieken over de Nederlandse situatie zijn mij niet bekend. In de USA blijkt bij circa 50% van alle diefstallen uit musea die opgelost worden sprake te zijn van interne betrokkenheid. Een statistiek om van te schrikken. Er is geen reden aan te nemen dat de Nederlandse situatie rooskleuriger is. Er deden zich de afgelopen decennia ernstige incidenten voor waar sprake was van interne betrokkenheid bij diefstal. Vandaar die themabijeenkomst in de Reinwardt Academie.

Mijn suggestie dat maatregelen mogelijk zijn om de kans op verduistering – de juridische term voor interne diefstal – tegen te gaan werd botweg weggehoond. Ik noemde onder andere steekproefsgewijze controle van medewerkers die het gebouw verlaten – in diverse Europese landen en de USA gebruikelijk – installatie van camera’s,  toegangscontrolesystemen voor de depots, verplicht gebruik van de dienstingang en screening van medewerkers.  Een naast mij gezeten discussiedeelnemer riep luidkeels uit: “Dan stop ik desnoods een archiefstuk in mijn schoen en loop ermee naar buiten”. Pijnlijk was dat deze kreet bijval kreeg van de toenmalige directrice van de Erfgoedinspectie, een afdeling van het Ministerie van OCW die onder andere tot taak heeft toe te zien op de beveiliging van rijkscollecties.

Mocht het zo zijn dat mijn voorstellen tot resultaat hebben dat het voor museum- en archiefmedewerkers alleen nog mogelijk is collectie te stelen in de schoenen, dan is veel bereikt.

Helaas is het zo dat de mogelijkheid die resteert om in je schoenen gestolen spullen mee te nemen er toe geleid heeft dat bij geen van de geslachtofferde organisaties personeel bij vertrek gecontroleerd wordt of de verplichting alleen gebruik te maken van dienstingangen gehandhaafd wordt.

Ik kan de reactie bij een volgende verduistering en beveiligingsvoorstellen voorspellen: “ja, maar…”

Ton Cremers

 

 

March 31st, 2015

Posted In: algemeen, Columns Ton Cremers, database gestolen kunst, diefstal uit museum, Erfgoedinspectie, interne diefstal, Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Tags: , , , , , , , , , , , ,

In dit rapport presenteerde de Erfgoedinspectie augustus 2012 de geanonimiseerde resultaten van een onderzoek uit 2011 naar integrale veiligheidszorg bij rijksgesubsidieerde collectiebeherende instellingen.

De inspectie werd uitgevoerd op verzoek van de Directie Cultureel Erfgoed (DCE) van het ministerie OCW. Voor alle duidelijkheid, de Erfgoedinspectie is ook een afdeling van OCW. Op basis van prestatieafspraken met DCE moeten de verzelfstandigde rijksmusea per 1 januari 2011 de beschikking hebben over een integraal veiligheidsplan.

De resultaten van de inspectie zijn in september 2011 gedeeld met DCE.

Daarna heeft de Erfgoedinspectie een jaar (!) nodig gehad de resultaten in een summier rapport naar buiten te brengen.
Als daartoe aanleiding was heeft DCE contact opgenomen met de betreffende instelling.

De Erfgoedinspectie heeft in april 2011 38 instellingen per e-mail uitgenodigd de vragenlijst in te vullen. Bij het sluiten van de inzendtermijn hadden 35 instellingen de vragenlijst ingevuld. Twee instellingen bleken onder één organisatie te vallen en hebben daarom één vragenlijst ingevuld.

De instellingen werden bevraagd op een aantal gebieden: het integraal veiligheidsplan, collectiehulpverlening, calamiteitenoefeningen, risicoanalyse, maatregelen naar aanleiding van de risicoanalyse, incidentenregister en de veiligheidsregio.

Definitie Integraal veiligheidsplan door DCE / Erfgoedinspectie: “Het geheel van plannen voor de integrale veiligheidszorg zoals bedrijfhulpverlening, collectiehulpverlening, informatiehulpverlening, bewaking en beveiliging”.

Je mist in deze definitie brandveiligheid.Wel BHV en collectiehulpverlening, wat te doen als het fout gaat, maar niet preventie en dat terwijl beveiliging en bewaking wel vermeld worden.

Ondanks de prestatieafspraak blijken 11 van de 35 instellingen die de vragenlijst invulden niet in het bezit te zijn van een integraal veiligheidsplan, 32% dus. Een zorgwekkende constatering 11 jaar nadat de Erfgoedinspectie een rapport publiceerde onder de titel: “Het risicobeheer in twintig verzelfstandigde musea: een inventarisatie”; negen jaar (2002) nadat de Haagse Pilot werd opgezet waarbij 18 collectiebeherende instellingen, inclusief enkele rijksgesubsidieerde, werkten aan het ontwikkelen van een integraal veiligheidszorgplan, en ruim 6 jaar nadat toenmalig staatssecretaris Medy van der Laan financiën beschikbaar stelde opdat collectiebeheerders in heel
Nederland via regionale projecten konden werken aan hun veiligheidszorg.

Het is schrikken dat 30% van de verzelfstandigde rijksmusea na al die incidentele financiële injecties, plus de niet geringe vaste ondersteuning die deze grootste subsidieslurpers uit belastingopbrengsten krijgen, na meer dan 20 jaar – laten we niet vergeten dat al die musea verzelfstandigden in de jaren negentig van de vorige eeuw – hun veiligheidszorgzaken niet op orde hebben. En dat terwijl op deze musea door de Erfgoedinspectie – een kostbare
overheidsdienst – constant toezicht wordt gehouden.

Het is echter nog erger: de helft van deze collectiebeheerders heeft geen compleet integraal plan. De instellingen die niet over een integraal veiligheidsplan of over een onvolledig plan beschikken, geven daarvoor als voornaamste redenen: gebrek aan personele middelen, gebrek aan tijd, gebrek aan financiële middelen en gebrek aan kennis.

Gebrek aan kennis? Hoe is dat mogelijk? In de inleiding van het rapport staat te lezen dat de overheid al sinds 2005 een Kenniscentrum Veiligheid Voor Cultureel Erfgoed heeft. De kennis lijkt dus voor het grijpen te liggen.Gebrek aan tijd, personeel en geld? Zal het misschien zo zijn dat het eerder een kwestie is van gebrek aan prioriteit en motivatie? Ook al kan je je dat niet voorstellen want in de periode sinds de publicatie door de Erfgoedinspectie van het rapport “Het risicobeheer in twintigverzelfstandigde musea: een inventarisatie” deden zich inbraken met diefstal voor in het Museon Den Haag (zes miljoen aan diamantensieraden, onder andere Portugese kroonjuwelen, werd gestolen, niets teruggevonden), het VanGoghmuseum (twee schilderijen, nog steeds zoek), het Frans Halsmuseum(gestolen schilderijen zijn terug), het Westfries Museum te Hoorn (meer dan 20 schilderijen plus een aantal zilveren voorwerpen, niets teruggevonden); het Armando Museum brandde af en de gehele collectie ging verloren, hetSchutterijmuseum in Steijl brandde af en er was een gewapende overval op het Scheringa Museum (niet opgelost). Deze opsomming is verre van compleet, want er deden zich meer inbraken, diefstallen, waterschades en branden voor.

Ook kan je je niet voorstellen dat de overheid de verzelfstandigde musea qua middelen in de kou laat staan, want het zijn slechts de organisaties die in een tijd toen dat een politieke hype was verzelfstandigden. De collecties en gebouwen zijn nog steeds eigendom van de overheid. Mocht het waar zijn dat de verzelfstandigde organisaties te weinig middelen krijgen van die overheid, dan wordt het werkelijk interessant, want de Erfgoedinspectie (overheid) doet op verzoek van de Dienst Cultureel Erfgoed (overheid) een onderzoek naar het beheer door private organisaties van overheidscollecties in overheidsgebouwen en daar komt o.a. uit dat de overheid onvoldoende middelen beschikbaar stelt… Wanneer het beheer onder de maat is, de cijfers geven dat aan, doordat de verzelfstandigde organisaties onvoldoende middelen krijgen, dan geeft de overheid zichzelf hier een draai om de oren.

Dat 66% van de zelfstandige organisaties nooit oefent roept vragen op over het toezicht door de overheid (= Erfgoedinspectie).Veertien procent van de organisaties analyseerde nooit de risico’s en dat terwijl een risicoanalyse uitgangspunt en basis is van het veiligheidszorgbeleid. Van de organisaties die wel een risicoanalyse uitvoerden nam 60% geen maatregelen n.a.v. die risicoanalyse omdat dat ‘niet hoefde’. Met andere woorden: de zorg voor de veiligheid is volgens die organisaties perfect geregeld. Goed nieuws? Misschien, maar in het licht van alle andere cijfers twijfelachtig. Risicoanalyses waarbij geen verbeterpunten worden geconstateerd zijn een witte raaf, maar blijkbaar vond de Erfgoedinspectie bij het onderzoek een hele vlucht witte raven.

Vijftien procent van de organisaties houdt incidenten niet bij. Dat cijfer verbaast niet, want komt bijna exact overeen met het aantal organisaties dat nooit een risicoanalyse maakte. Helaas geeft het rapport van de Erfgoedinspectie niet aan of dit dezelfde organisaties zijn. Een gemiste kans, of gebrek aan openheid?

Sinds 2005, ook betaald uit belastingopbrengsten, beheert het KVCE de Database Incidenten Cultureel Erfgoed (DICE). Hier kunnen musea geanonimiseerd hun incidenten melden opdat het KVCE gericht kan adviseren aan de collectiebeherende sector. Helaas meldt 58% van de verzelfstandigde musea nooit iets in DICE (en DICE heeft andersom na al die jaren nog nooit iets geadviseerd aan de collectiebeherende sector als geheel op basis van in DICE gemelde incidenten).

Niet duidelijk is of de 42% die wel iets gemeld heeft in DICE structureel meldt. Dat kom je ook niet te weten wanneer in een onderzoek daar niet expliciet naar gevraagd wordt.

Overigens: 29% van de beheerders van rijkscollecties meldt incidenten ook niet aan de eigen inspectie.

Nog een paar cijfers: 14% van de organisaties is niet bekend met de veiligheidsregio en de helft heeft geen afspraken met die veiligheidsregio over bestrijding van rampen en crisisbeheersing.

De conclusie dat het beheer van ‘onze’ nationale collecties kwalitatief onvoldoende is, is gerechtvaardigd. Dat is niet alleen de zelfstandige organisaties aan te rekenen, maar ook het lakse, want sanctieloze, toezicht door de Erfgoedinspectie. Of zal het zo zijn dat die inspectie, en het KVCE, de deskundigheid ontberen om professioneel
voor te lichten en te controleren?

Nogmaals: in de inleiding van het rapport door de Erfgoedinspectie wordt de prestatieafspraak vermeld die DCE heeft met de verzelfstandigde Rijksmusea: per 1 januari 2011 hebben van een integraal veiligheidszorgplan. Meer dan de helft van die musea heeft geen, of geen volledig plan en dat terwijl de overheid hier jaarlijks tientallen miljoenen in pompt. Er is dus een afspraak en die wordt niet nagekomen. Wat nu? Over tien jaar weer een rapport met ongeveer dezelfde conclusies als in 2000 en 2011?

Heeft Joop Daalmeijer, voorzitter van de Raad voor Cultuur, dan toch gelijk dat musea zich zakelijker moeten manifesteren?

Zou dit wanpresteren in een profitsector waar voor miljoenen aan kostbaarheden moeten worden beschermd worden geaccepteerd? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Als het gaat om Rijkseigendom en belastinggeld worden blijkbaar softere eisen gesteld, en als ze al gesteld worden is er geen sanctie – verminderen subsidie of personele gevolgen op managementniveau – op niet nakomen.

Let wel: we hebben het hier over de KERNTAAK veiligheidszorg en niet over een marginale verantwoordelijkheid.

Rapport is te downloaden op:
http://www.erfgoedinspectie.nl/uploads/publications/rapport_inspectie_integrale_veiligheidszorg.pdf

Ton Cremers

 

January 20th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, DICE Database Incidenten Cultureel Erfgoed, Dienst Cultureel Erfgoed, Erfgoedinspectie

Geachte heer Cremers,

Op  21 december 2010 heeft u een schriftelijke klacht ingediend tegen een inspecteur bij de Erfgoedinspectie en tegen de Erfgoedinspectie als onderdeel van het Ministerie van OCW.

Uw klacht richt zich tegen haar aangifte van smaad c.q. laster in publicaties van uw hand via internet. Zij deed deze aangifte op 25 februari 2010.

Op 21 februari j.l. heeft u uw klacht toegelicht in een gesprek met mr J.A.P. Veringa, directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hierbij was aanwezig mr J.D. van Asbeck, inspecteur bij de Erfgoedinspectie. Van het gesprek is een verslag gemaakt.

Dit gesprek en bestudering van uw klacht en het dossier hebben bij de heer Veringa tot de conclusie geleid dat met het doen van de aangifte geen juiste keuze is gemaakt. Ook heeft de heer Veringa geconcludeerd dat in het licht van de toelichting die U in het gesprek heeft gegeven U met de uitlatingen op Uw  website niet de bedoeling heeft gehad om XX als persoon in goede eer of naam aan te tasten, zodat er geen sprake kan zijn geweest van een strafbaar feit.

Ik kan me met beide conclusies verenigen. Het was beter geweest als de Erfgoedinspectie met u contact had gezocht over de teksten die door u via internet zijn gepubliceerd.

Het gesprek tussen u en de heer Veringa heeft verhelderend gewerkt. De oplossingsgerichte benadering van beide kanten in die bespreking geeft mij het vertrouwen dat er voldoende basis is voor een hernieuwde en respectvolle omgang tussen u en de Erfgoedinspectie.

De wnd secretaris-generaal,

Mw. Drs. M.H.T. Jansen

via Erfgoedinspectie – “Met doen van aangifte tegen Ton Cremers werd geen juiste keuze gemaakt”. “Er is geen sprake geweest van een strafbaar feit.” Ton Cremers, Museumbeveiliging /Museum Security Network.

 

March 11th, 2011

Posted In: Erfgoedinspectie

Tags: , , ,

Eind december 2009 schreef ik een afsluitend bericht over het jaar 2009 onder de titel: “Gitzwarte bladzijde uit 2009; inertie van falende Erfgoedinspectie en dubieuze handel en wandel oprichter XX, Y Museum te Z”.
Die tekst is te lezen op: http://www.museumbeveiliging.com/?p=1812. De namen van betrokkenen, met uitzondering van die van de erfgoedinspecteur, heb ik uit het oorspronkelijke bericht verwijderd omdat er inmiddels een openhartig gesprek heeft plaatsgevonden met de directie en het bestuur van het museum. Een van de resultaten van dat gesprek was dat mijn berichtgeving over deze kwestie op mijn initiatief van mijn site verwijderd is. Voor mij is het wat dat betreft geschiedenis.
Eigenlijk was mijn eindejaarsbericht van december 2009 ook bedoeld als afronding. Dat liep anders. Erfgoedinspecteur XX heeft consequent drie jaar lang op geen enkel bericht over mijn ondubbelzinnige melding van erfgoed en illegaliteit – haar specialisme – gereageerd. Communicatie met mij behoort blijkbaar niet tot haar mogelijkheden. Wat haar veel beter af gaat is communiceren over mij. Dat werd duidelijk door een krankzinnig telefoontje dat ik april 2010 ontving van OCW beveiliger Van Kouterik en door een zo mogelijk nog krankzinniger aangifte tegen mij wegens smaad en laster door XX. Die onsmakelijke actie van XX maakte de gitzwarte bladzijde van 2009 zo mogelijk nog zwarter in 2010. Mijn respect voor de Erfgoedinspectie en deze inspecteur heeft door die aangifte een dieptepunt bereikt. Niet om het enkele feit van die aangifte, maar om de dommigheid van die aangifte en het gestuntel door Van Kouterik die mij namens XX belde. Het zal toch niet zo zijn dat de op haar staart getrapte Erfgoedinspecteur XX zonder enig overleg binnen de Erfgoedinspectie en zonder ruggespraak met een van de vele juridische deskundigen uit dat ambtenarenbastion die aangifte tegen mij deed? Mocht dat wel het geval zijn dan heeft de directie van de Erfgoedinspectie een hartig woordje te spreken met haar, zo lijkt mij.
Hoe die absurde aangifte tot stand kwam zal ik nooit weten. Ik kan slechts fantaseren over het koffiehoekgeleuter en de oeverloze discussies daar bij de Erfgoedinspectie. Natuurlijk werd de aangifte door het O.M. geseponeerd omdat geen van mijn publicaties lasterlijk – alleen leugens kunnen laster zijn – of smadelijk was. De waarheid kan smaad zijn. Mijn publicaties bevatten de waarheid maar zijn zeker niet smadelijk. Ze dienden namelijk aantoonbaar een algemeen belang en alleen al om die reden vielen ze niet onder de juridische term smaad en waren niet strafbaar. Onaangenaam voor XX? Ongetwijfeld. De spiegel die ik haar voor hield loog er namelijk niet om. De inhoud van de aangifte en het gemanipuleer rondom die aangifte (dat stomme telefoontje van Van kouterik; echt iemand die je om een boodschap kan sturen..) heb ik als zeer leugenachtig en kwaadaardig ervaren.
Het ware beter indien de erfgoedinspecteur en de Erfgoedinspectie conform hun taak zich adequaat zouden richten op het algemeen belang, want daar worden ze van belastingpenningen duur voor betaald, in plaats van tijd te verspillen aan uitzichtloze aangiftes tegen een ‘burger’ die de klok luidt over ernstige tekortkomingen.
De aangifte tegen mij is zorgwekkend. Ik kan die actie door XX als niets anders ervaren dan een poging mijn recht op vrije meningsuiting te belemmeren. Het absolute recht van vrije meningsuiting wordt bij ambtenaar XX blijkbaar ineens heel relatief wanneer burger Ton Cremers een mening uit die haar niet zint, ook al is er geen speld tussen te krijgen.
Een heel slechte beurt van XX waar wat mij betreft het laatste woord nog niet over gezegd is.
Ton Cremers

December 21st, 2010

Posted In: Erfgoedinspectie, XX

Tags: , ,

Dat ‘het feit’, namelijk mijn publicaties op het WWW over de inspectie/inspecteur en een Nederlands museum, niet strafbaar is verbaast mij niet. Ik had dat zelf al meteen bedacht. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat een erfgoedinspecteur, ongetwijfeld ondersteund door juristen van het ministerie, dat niet zelf wist te bedenken? Of is het misschien zo dat die aangifte tegen mij gedaan werd zonder enig overleg met de juristen van het ministerie? Dat maakt het alleen maar erger.

Ik blijf bij mijn conclusies zoals verwoord op: http://www.museumbeveiliging.com/?p=2260

Er resteert een heel nare smaak na deze onaangename en oliedomme poging van de erfgoedinspectie/inspecteur mij de mond te snoeren via een uitzichtloze aangifte.
Ik beraad mij over tegenstappen omdat de erfgoedinspecteur voordat ik als ‘verdachte’ gehoord werd en voordat het O.M. besloten had over deze aangifte met de aangifte naar buiten trad bij de beveiliging van het ministerie – mijn peergroup – en mij feitelijk daardoor belasterde.

Het laatste woord is over deze kwestie nog niet gezegd. Mij rest onder andere de optie een klacht in te dienen bij de minister.

De feiten kort op een rij

1. Mei 2007 had ik samen met een museumconsulent een onderhoud met de bestuursvoorzitter van een museum. De collectie van dat relatief nieuwe museum bestaat vrijwel geheel uit de in een stichting ondergebrachte verzameling van die bestuursvoorzitter;

2. tijdens dat onderhoud deelde de man ons mede dat hij geen vragen stelt bij aankopen: “Wannner een handelaar zegt dat het okay is, dan ben ik gedekt”.

3. ik heb expliciet gevraagd of hij ook objecten had uit een land waar veel objecten geroofd zijn de afgelopen tientallen jaren. Het antwoord was bevestigend: hij had enkele objecten uit dat land, maar de handelaar van wie hij deze objecten kocht adviseerde hem ze niet in zijn museum tentoon te stellen omdat hij anders problemen zou kunnen krijgen met de diplomatieke vertegenwoordiging van dat land;

4. dit gesprek was voor mij aanleiding melding te doen bij de erfgoedinspectie en wel bij Marja van Heese;

5. reactie van Van Heese: “Dit betreft niet onze competentie, want het is geen verzelfstandigd, voormalig Rijksmuseum;

6. ik heb tegen deze opstelling telefonisch bezwaar gemaakt; Van Heese stelde mij in het gelijk, maar wilde toch geen actie nemen en verzocht mij de bestuursvoorzitter “op andere gedachten” te brengen (pas twee jaar later bleek Van Heese het museum wel aangeschreven te hebben; het ware zorgvuldig geweest wanneer ik als melder daarover geinformeerd was);

7. Dit “op andere gedachten brengen” heb ik tevergeefs telefonische geprobeerd en heb Van Heese toen laten weten verder geen actie te nemen;

8. na anderhalf jaar was er aanleiding voor mij – het museum ontving een substantiële gemeentelijke subsidie voor een verbouwing – met de hele kwestie, inclusief de rol van de Erfgoedinspectie, naar buiten te treden;

9. ik stuurde mijn WWW publicaties plus meerdere e-mails naar de Erfgoedinspectie, geen enkele mail werd ooit beantwoord;

10. pas toen ik een mail stuurde met de mededeling dat ik een klacht bij de minister overwoog kreeg ik een reactie en werd uitgenodigd voor een gesprek;

11. tijdens dat gesprek bij de Erfgoedinspectie werd mij medegedeeld dat mijn melding door de erfgoedinspectie niet correct/zorgvuldig was afgehandeld en dat daarom een meldingsprotocol ontwikkeld was (dat had er natuurlijk allang moeten zijn); bovendien werd mij verteld dat de Erfgoedinspectie een onderzoek zou instellen; men wilde mij niet vertellen wat dat onderzoek inhield;

12. samen met de KLPD deed de Erfgoedinspectie – meer dan anderhalf jaar na mijn oorspronkelijke melding! – een onderzoek naar de collectie van het museum (let wel: ik meldde dat de bewuste objecten NIET in het museum zouden zijn);

13. conclusie uit dat onderzoek: de Erfgoedinspectie vond geen aanwijzingen voor illegaliteit (niet bepaald een verrassing wanneer je anderhalf jaar na een melding onderzoek doet en de feiten inmiddels op straat liggen);

14. december 2009 berichtte ik in een eindejaarsbericht over deze hele kwestie onder de kop: “Terugblik: Gitzwarte bladzijde uit 2009; inertie van falende Erfgoedinspectie en dubieuze handel en wandel oprichter X van X Museum te X” (dat bericht is inmiddels afgeschermd nadat het betreffende museum en ik uitgebreid contact hadden)

15. einde februari 2010 deed erfgoedinspecteur Marja van Heese aangifte tegen mij wegens laster en smaad;

16. april 2010 werd ik gebeld door een beveiliger (!) van het ministerie met het verzoek Van Heese’s naam van mijn site te halen want anders zou aangifte tegen mij gedaan worden: die aangifte was echter al gedaan; een bizar telefoontje dus;

17. Voor noch na de aangifte heeft Marja van Heese of de directie van de Erfgoedinspectie, op mijn mails gereageerd; geen van mijn vragen werd beantwoord; nooit werd ik aangesproken over mijn mailing list of WWW berichten over deze kwestie (naast een tiental directe e-mails, stuurde ik alle door mij geschreven teksten naar Marja van Heese.

De aangifte plus de manipulaties rondom die aangifte waren voor mij aanleiding te twijfelen aan de integriteit van de erfgoedinspecteur.

Ton Cremers

December 11th, 2010

Posted In: Erfgoedinspectie

Dat ‘het feit’, namelijk mijn publicaties op het WWW over de inspectie/inspecteur en een Nederlands museum, niet strafbaar is verbaast mij niet. Ik had dat zelf al meteen bedacht. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat een erfgoedinspecteur, ongetwijfeld ondersteund door juristen van het ministerie, dat niet zelf wist te bedenken? Of is het misschien zo dat die aangifte tegen mij gedaan werd zonder enig overleg met de juristen van het ministerie? Dat maakt het alleen maar erger.

Ik blijf bij mijn conclusies zoals verwoord op: http://www.museumbeveiliging.com/?p=2260

Er resteert een heel nare smaak na deze onaangename en oliedomme poging van de erfgoedinspectie/inspecteur mij de mond te snoeren via een uitzichtloze aangifte.
Ik beraad mij over tegenstappen omdat de erfgoedinspecteur voordat ik als ‘verdachte’ gehoord werd en voordat het O.M. besloten had over deze aangifte met de aangifte naar buiten trad bij de beveiliging van het ministerie – mijn peergroup – en mij feitelijk daardoor belasterde.

Het laatste woord is over deze kwestie nog niet gezegd. Mij rest onder andere de optie een klacht in te dienen bij de minister.

De feiten kort op een rij

1. Mei 2007 had ik samen met een museumconsulent een onderhoud met de bestuursvoorzitter van een museum. De collectie van dat relatief nieuwe museum bestaat vrijwel geheel uit de in een stichting ondergebrachte verzameling van die bestuursvoorzitter;

2. tijdens dat onderhoud deelde de man ons mede dat hij geen vragen stelt bij aankopen: “Wannner een handelaar zegt dat het okay is, dan ben ik gedekt”.

3. ik heb expliciet gevraagd of hij ook objecten had uit een land waar veel objecten geroofd zijn de afgelopen tientallen jaren. Het antwoord was bevestigend: hij had enkele objecten uit dat land, maar de handelaar van wie hij deze objecten kocht adviseerde hem ze niet in zijn museum tentoon te stellen omdat hij anders problemen zou kunnen krijgen met de diplomatieke vertegenwoordiging van dat land;

4. dit gesprek was voor mij aanleiding melding te doen bij de erfgoedinspectie en wel bij Marja van Heese;

5. reactie van Van Heese: “Dit betreft niet onze competentie, want het is geen verzelfstandigd, voormalig Rijksmuseum;

6. ik heb tegen deze opstelling telefonisch bezwaar gemaakt; Van Heese stelde mij in het gelijk, maar wilde toch geen actie nemen en verzocht mij de bestuursvoorzitter “op andere gedachten” te brengen (pas twee jaar later bleek Van Heese het museum wel aangeschreven te hebben; het ware zorgvuldig geweest wanneer ik als melder daarover geinformeerd was);

7. Dit “op andere gedachten brengen” heb ik tevergeefs telefonische geprobeerd en heb Van Heese toen laten weten verder geen actie te nemen;

8. na anderhalf jaar was er aanleiding voor mij – het museum ontving een substantiële gemeentelijke subsidie voor een verbouwing – met de hele kwestie, inclusief de rol van de Erfgoedinspectie, naar buiten te treden;

9. ik stuurde mijn WWW publicaties plus meerdere e-mails naar de Erfgoedinspectie, geen enkele mail werd ooit beantwoord;

10. pas toen ik een mail stuurde met de mededeling dat ik een klacht bij de minister overwoog kreeg ik een reactie en werd uitgenodigd voor een gesprek;

11. tijdens dat gesprek bij de Erfgoedinspectie werd mij medegedeeld dat mijn melding door de erfgoedinspectie niet correct/zorgvuldig was afgehandeld en dat daarom een meldingsprotocol ontwikkeld was (dat had er natuurlijk allang moeten zijn); bovendien werd mij verteld dat de Erfgoedinspectie een onderzoek zou instellen; men wilde mij niet vertellen wat dat onderzoek inhield;

12. samen met de KLPD deed de Erfgoedinspectie – meer dan anderhalf jaar na mijn oorspronkelijke melding! – een onderzoek naar de collectie van het museum (let wel: ik meldde dat de bewuste objecten NIET in het museum zouden zijn);

13. conclusie uit dat onderzoek: de Erfgoedinspectie vond geen aanwijzingen voor illegaliteit (niet bepaald een verrassing wanneer je anderhalf jaar na een melding onderzoek doet en de feiten inmiddels op straat liggen);

14. december 2009 berichtte ik in een eindejaarsbericht over deze hele kwestie onder de kop: “Terugblik: Gitzwarte bladzijde uit 2009; inertie van falende Erfgoedinspectie en dubieuze handel en wandel oprichter X van X Museum te X” (dat bericht is inmiddels afgeschermd nadat het betreffende museum en ik uitgebreid contact hadden)

15. einde februari 2010 deed erfgoedinspecteur Marja van Heese aangifte tegen mij wegens laster en smaad;

16. april 2010 werd ik gebeld door een beveiliger (!) van het ministerie met het verzoek Van Heese’s naam van mijn site te halen want anders zou aangifte tegen mij gedaan worden: die aangifte was echter al gedaan; een bizar telefoontje dus;

17. Voor noch na de aangifte heeft Marja van Heese of de directie van de Erfgoedinspectie, op mijn mails gereageerd; geen van mijn vragen werd beantwoord; nooit werd ik aangesproken over mijn mailing list of WWW berichten over deze kwestie (naast een tiental directe e-mails, stuurde ik alle door mij geschreven teksten naar Marja van Heese.

De aangifte plus de manipulaties rondom die aangifte waren voor mij aanleiding te twijfelen aan de integriteit van de erfgoedinspecteur.

Ton Cremers

December 11th, 2010

Posted In: Erfgoedinspectie

In deze blog besteedde ik de afgelopen jaren meerdere keren aandacht aan de dubieuze aankoopmoraal van een verzamelaar die zijn collectie onderbracht in een museumstichting. Toen belastende informatie mij ter ore kwam meldde ik dat bij een mij bekende, specialistische erfgoedinspecteur. De melding hield letterlijk in dat de verzamelaar objecten had gekocht die hij volgens de handelaar van wie hij ze kocht beter NIET in zijn museum kon tonen omdat hij dan problemen zou kunnen krijgen met het land waar die objecten vandaan kwamen. Let op: die objecten waren dus NIET in het museum; dat meldde ik diverse keren bij de Erfgoedinspectie.

De erfgoedinspecteur met wie ik over deze zaak communiceerde afficheert zichzelf op LinkedIn als “Expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods” (http://nl.linkedin.com/pub/marja-van-heese/10/b59/372). Echter, ze was niet van plan deze expertise in te zetten bij mijn overduidelijke melding. Er ontstond pas beweging toen ik anderhalf jaar na mijn melding met de kwestie naar buiten trad op mijn mailing list, mijn websites en de mailing list van het Leiden Network. Wat deed de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”? Ze ging samen met de KLPD de collectie van het museum onderzoeken, ondanks mijn melding dat de betreffende objecten NIET in het museum zouden zijn. Een veel te late en een verkeerde actie. Alle feiten over deze ambtelijke inertie en inadequaat handelen heb ik met naam en toenaam gepubliceerd op het Internet.
Al deze publicaties plus inmiddels een tiental mails met voorstellen en verzoeken om informatie stuurde ik naar de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”. NOOIT kreeg ik enige reactie met uitzondering van de mail waarin ik aankondigde dat verder uitblijven van reactie voor mij reden zou zijn een klacht in te dienen bij de staatssecretaris van cultuur. Er vond daarop een onderhoud plaats bij de Erfgoedinspectie waar naast de erfgoedinspecteur – die overigens aan het onderhoud nauwelijks deelnam –  twee leidinggevenden aanwezig waren. Daar werd mij medegedeeld dat mijn melding niet goed was afgehandeld, dat naar aanleiding daarvan een protocol over afhandeling van meldingen was opgesteld, en dat inmiddels een onderzoek was gestart. Men wilde mij niet mededelen wat dat onderzoek in zou houden. Belangrijk is dat geen van de aanwezige medewerkers van de Erfgoedinspectie tijdens het onderhoud bezwaren uitte over mijn Internetpublicaties.
Deze hele kwestie liep van mei 2007 tot najaar 2009. December 2009 schreef ik een eindejaarsbericht waarin ik deze idiote gang van zaken rondom de Erfgoedinspectie omschreef als een ‘gitzwarte bladzijde’.
Nog steeds hoorde ik niets van de Erfgoedinspectie, totdat ik 10 april 2010 gebeld werd door een mij onbekende medewerker van het Ministerie van OCW met de mededeling dat Marja van Heese (onze “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”) het vervelend vond dat ik in mijn berichtgeving haar naam vermeldde. Niet vermelden van haar naam zou in mijn ogen absurd zijn geweest omdat zij zich nu eenmaal overal afficheert als de expert op dit onderwerp. Ik antwoordde de beller dat ik nooit enige reactie kreeg van Marja van Heese op mijn mails aan haar of mijn Internetpublicaties en dat ze zelf contact met mij op kon nemen. Over het bizarre verdere verloop van het telefonische onderhoud berichtte ik al eerder op mijn site. Mijn gesprekspartner, Van Kouterik, trachtte eerst mij onder druk te zetten door te ‘dreigen’ met aangifte en toen dat niet werkte deelde hij mij domweg mee dat er al aangifte gedaan was.
Het klopt, die aangifte was al gedaan en wel op 25 februari 2010.
Die datum is niet toevallig want een week eerder, op 17 februari, vond in Amsterdam een Erfgoedarena Illegale Kunsthandel en Unesco 1970 plaats. Bijdragen werden geleverd door:
 – Jos van Beurden, onderzoeksjournalist en auteur van een boek over kunstroof in kwetsbare landen
, – Marja van Heese, inspecteur bij de Erfgoedinspectie, 
- Steph Scholten, directeur van de Divisie Erfgoed van de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam.Het debat vond plaats onder leiding van Léontine Meijer–van Mensch, docent Erfgoedtheorie en ethiek aan de Reinwardt Academie.
Jos van Beurden verwees op die avond naar de door mij gemelde kwestie. Dat vond Marja van Heese waarschijnlijk niet leuk, net zo min als Marja het leuk vond dat Jos van Beuren eerder in een paper voor een bijeenkomst in Shanghai over deze kwestie schreef. Een week na de Erfgoedarena deed Marja van Heese aangifte tegen mij wegens belediging, smaad en laster onder andere omdat ze door mijn publicaties ‘continu’ zou worden herinnerd aan de door mij gemelde kwestie en haar rol daarbij. Continu? Vreemd, ik ben net als Marja van Heese een centrale speler in deze kwestie en word helemaal NOOIT over deze kwestie aangesproken. Er is niets op tegen om bij een discussie of dispuut je gelijk te halen door details die je goed uitkomen iets over te belichten. Dat mag. Hoe sterker die overbelichting en overdrijving is, hoe gevaarlijker je komt in het randgebied tussen waarheid en leugen en verlies van integriteit. “Continu” bevindt zich volgens mijn overtuiging in dat randgebied. Wanneer Marja’s aangifte voor de rechter komt – wat ik me niet kan voorstellen – zal ze duidelijkheid moeten geven over “continu”. Ik denk dat ze dan een probleem heeft.
Nu terug naar dat stompzinnige telefoontje van Van Kouterik, dd 10 april 2010. Toen Van Kouterik mij namens Marja van Heese belde moeten beiden geweten hebben dat de aangifte niet meer ingetrokken kon worden. Waarom dan dat telefoontje? Er is jurisprudentie over publicaties op het Internet naar aanleiding waarvan aangifte werd gedaan wegens smaad en laster. Ik ga nu niet al mijn kruit verschieten, anders dan de mededeling dat dergelijke aangiftes bij de rechter niet slaagden wanneer de schrijver van de Internetpublicaties niet eerst door het ‘slachtoffer’ verzocht werd die publicaties te rectificeren. Daar klemt de schoen met Marja’s aangifte. Ze reageerde NOOIT op mijn berichten aan haar en ze verzocht mij NOOIT publicaties over mijn melding, de Erfgoedinspectie en de inspecteur te wijzigen. Vandaar dat mosterd-na-de-maaltijd telefoontje van Van Kouterik. Een truc dus om straks niet bij de rechter af te gaan. Ik ervaar het gebruik van trucs daar waar je juridisch in een uitzichtloze positie verkeert als niet integer. Voor alle duidelijkheid: na Van kouteriks telefoontje stuurde ik twee mails aan Marja van Heese en aan de directeur van de Erfgoedinspectie, drs. S.E.B. (Barbara) Siregar met verzoek om uitleg en kreeg ook op die mails geen enkele reactie.
We kennen in het erfgoedwereldje Marja als een vriendelijke, zachtaardige, bijna fluisterend sprekende vrouw. Het zal toch niet zo zijn dat die fluisterende zachtaardigheid een masker is waarachter stampvoetende boosheid schuil gaat zodra Marja met, in mijn ogen zeer terechte, kritiek wordt geconfronteerd? Boos stampvoetend vindt Marja van Heese dat die Cremers de mond gesnoerd moet worden. Blijkbaar zijn alle middelen, ook als ze ten koste gaan van haar integriteit, gerechtvaardigd. Indien die aangifte door de Officier van Justitie voor de rechter wordt gebracht zal dat onvermijdelijk betekenen dat die hele kwestie over de dubieuze aankoopmoraal van de verzamelaar en zijn museum weer opgerakeld wordt en in het nieuws komt. Een logisch gevolg waar Marja van Heese niet aan gedacht heeft, of waar ze in haar narcistische verongelijktheid maling aan heeft. Natuurlijk had de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods” aan het belang van dat museum moeten denken toen ze aangifte deed; de collectie bestaat immers geheel uit buitenlands, religieus erfgoed.
Toen ik destijds met deze kwestie, na anderhalf jaar geduld, naar buiten trad kon ik verwachten dat er ongewenste neveneffecten zouden optreden. Als adviseur eet ik uit de erfgoedruif en dit soort publicaties zijn riskant voor mij. Dat risico heb ik bewust genomen ook al kon ik de exacte gevolgen niet voorspellen. Zo kon ik niet weten en had ik niet verwacht dat de in dit onderwerp gespecialiseerde erfgoedinspecteur in haar tandenknarsende frustratie er niet voor terug zou deinzen te jokken in een aangifte (‘continu’), trucs zou gebruiken om mij koste wat kost te laten hangen (het telefoontjes van 10 april 2010), en het belang van een onderzocht museum ondergeschikt zou maken aan haar persoonlijke doel. Al met al heb ik zeer goede gronden te twijfelen aan de integriteit van deze erfgoedinspecteur. Dat is wel het laatste neveneffect dat ik had kunnen verwachten na mijn publicaties. Een ontluisterend neveneffect.
Ton Cremers

July 24th, 2010

Posted In: Erfgoedinspectie

Tags: , , , , , , , ,

In deze blog besteedde ik de afgelopen jaren meerdere keren aandacht aan de dubieuze aankoopmoraal van een verzamelaar die zijn collectie onderbracht in een museumstichting. Toen belastende informatie mij ter ore kwam meldde ik dat bij een mij bekende, specialistische erfgoedinspecteur. De melding hield letterlijk in dat de verzamelaar objecten had gekocht die hij volgens de handelaar van wie hij ze kocht beter NIET in zijn museum kon tonen omdat hij dan problemen zou kunnen krijgen met het land waar die objecten vandaan kwamen. Let op: die objecten waren dus NIET in het museum; dat meldde ik diverse keren bij de Erfgoedinspectie.

De erfgoedinspecteur met wie ik over deze zaak communiceerde afficheert zichzelf op LinkedIn als “Expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods” (http://nl.linkedin.com/pub/marja-van-heese/10/b59/372). Echter, ze was niet van plan deze expertise in te zetten bij mijn overduidelijke melding. Er ontstond pas beweging toen ik anderhalf jaar na mijn melding met de kwestie naar buiten trad op mijn mailing list, mijn websites en de mailing list van het Leiden Network. Wat deed de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”? Ze ging samen met de KLPD de collectie van het museum onderzoeken, ondanks mijn melding dat de betreffende objecten NIET in het museum zouden zijn. Een veel te late en een verkeerde actie. Alle feiten over deze ambtelijke inertie en inadequaat handelen heb ik met naam en toenaam gepubliceerd op het Internet.
Al deze publicaties plus inmiddels een tiental mails met voorstellen en verzoeken om informatie stuurde ik naar de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”. NOOIT kreeg ik enige reactie met uitzondering van de mail waarin ik aankondigde dat verder uitblijven van reactie voor mij reden zou zijn een klacht in te dienen bij de staatssecretaris van cultuur. Er vond daarop een onderhoud plaats bij de Erfgoedinspectie waar naast de erfgoedinspecteur – die overigens aan het onderhoud nauwelijks deelnam –  twee leidinggevenden aanwezig waren. Daar werd mij medegedeeld dat mijn melding niet goed was afgehandeld, dat naar aanleiding daarvan een protocol over afhandeling van meldingen was opgesteld, en dat inmiddels een onderzoek was gestart. Men wilde mij niet mededelen wat dat onderzoek in zou houden. Belangrijk is dat geen van de aanwezige medewerkers van de Erfgoedinspectie tijdens het onderhoud bezwaren uitte over mijn Internetpublicaties.
Deze hele kwestie liep van mei 2007 tot najaar 2009. December 2009 schreef ik een eindejaarsbericht waarin ik deze idiote gang van zaken rondom de Erfgoedinspectie omschreef als een ‘gitzwarte bladzijde’.
Nog steeds hoorde ik niets van de Erfgoedinspectie, totdat ik 10 april 2010 gebeld werd door een mij onbekende medewerker van het Ministerie van OCW met de mededeling dat Marja van Heese (onze “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods”) het vervelend vond dat ik in mijn berichtgeving haar naam vermeldde. Niet vermelden van haar naam zou in mijn ogen absurd zijn geweest omdat zij zich nu eenmaal overal afficheert als de expert op dit onderwerp. Ik antwoordde de beller dat ik nooit enige reactie kreeg van Marja van Heese op mijn mails aan haar of mijn Internetpublicaties en dat ze zelf contact met mij op kon nemen. Over het bizarre verdere verloop van het telefonische onderhoud berichtte ik al eerder op mijn site. Mijn gesprekspartner, Van Kouterik, trachtte eerst mij onder druk te zetten door te ‘dreigen’ met aangifte en toen dat niet werkte deelde hij mij domweg mee dat er al aangifte gedaan was.
Het klopt, die aangifte was al gedaan en wel op 25 februari 2010.
Die datum is niet toevallig want een week eerder, op 17 februari, vond in Amsterdam een Erfgoedarena Illegale Kunsthandel en Unesco 1970 plaats. Bijdragen werden geleverd door:
 – Jos van Beurden, onderzoeksjournalist en auteur van een boek over kunstroof in kwetsbare landen
, – Marja van Heese, inspecteur bij de Erfgoedinspectie, 
- Steph Scholten, directeur van de Divisie Erfgoed van de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam.Het debat vond plaats onder leiding van Léontine Meijer–van Mensch, docent Erfgoedtheorie en ethiek aan de Reinwardt Academie.
Jos van Beurden verwees op die avond naar de door mij gemelde kwestie. Dat vond Marja van Heese waarschijnlijk niet leuk, net zo min als Marja het leuk vond dat Jos van Beuren eerder in een paper voor een bijeenkomst in Shanghai over deze kwestie schreef. Een week na de Erfgoedarena deed Marja van Heese aangifte tegen mij wegens belediging, smaad en laster onder andere omdat ze door mijn publicaties ‘continu’ zou worden herinnerd aan de door mij gemelde kwestie en haar rol daarbij. Continu? Vreemd, ik ben net als Marja van Heese een centrale speler in deze kwestie en word helemaal NOOIT over deze kwestie aangesproken. Er is niets op tegen om bij een discussie of dispuut je gelijk te halen door details die je goed uitkomen iets over te belichten. Dat mag. Hoe sterker die overbelichting en overdrijving is, hoe gevaarlijker je komt in het randgebied tussen waarheid en leugen en verlies van integriteit. “Continu” bevindt zich volgens mijn overtuiging in dat randgebied. Wanneer Marja’s aangifte voor de rechter komt – wat ik me niet kan voorstellen – zal ze duidelijkheid moeten geven over “continu”. Ik denk dat ze dan een probleem heeft.
Nu terug naar dat stompzinnige telefoontje van Van Kouterik, dd 10 april 2010. Toen Van Kouterik mij namens Marja van Heese belde moeten beiden geweten hebben dat de aangifte niet meer ingetrokken kon worden. Waarom dan dat telefoontje? Er is jurisprudentie over publicaties op het Internet naar aanleiding waarvan aangifte werd gedaan wegens smaad en laster. Ik ga nu niet al mijn kruit verschieten, anders dan de mededeling dat dergelijke aangiftes bij de rechter niet slaagden wanneer de schrijver van de Internetpublicaties niet eerst door het ‘slachtoffer’ verzocht werd die publicaties te rectificeren. Daar klemt de schoen met Marja’s aangifte. Ze reageerde NOOIT op mijn berichten aan haar en ze verzocht mij NOOIT publicaties over mijn melding, de Erfgoedinspectie en de inspecteur te wijzigen. Vandaar dat mosterd-na-de-maaltijd telefoontje van Van Kouterik. Een truc dus om straks niet bij de rechter af te gaan. Ik ervaar het gebruik van trucs daar waar je juridisch in een uitzichtloze positie verkeert als niet integer. Voor alle duidelijkheid: na Van kouteriks telefoontje stuurde ik twee mails aan Marja van Heese en aan de directeur van de Erfgoedinspectie, drs. S.E.B. (Barbara) Siregar met verzoek om uitleg en kreeg ook op die mails geen enkele reactie.
We kennen in het erfgoedwereldje Marja als een vriendelijke, zachtaardige, bijna fluisterend sprekende vrouw. Het zal toch niet zo zijn dat die fluisterende zachtaardigheid een masker is waarachter stampvoetende boosheid schuil gaat zodra Marja met, in mijn ogen zeer terechte, kritiek wordt geconfronteerd? Boos stampvoetend vindt Marja van Heese dat die Cremers de mond gesnoerd moet worden. Blijkbaar zijn alle middelen, ook als ze ten koste gaan van haar integriteit, gerechtvaardigd. Indien die aangifte door de Officier van Justitie voor de rechter wordt gebracht zal dat onvermijdelijk betekenen dat die hele kwestie over de dubieuze aankoopmoraal van de verzamelaar en zijn museum weer opgerakeld wordt en in het nieuws komt. Een logisch gevolg waar Marja van Heese niet aan gedacht heeft, of waar ze in haar narcistische verongelijktheid maling aan heeft. Natuurlijk had de “expert and researcher looting and illegal trade in cultural goods” aan het belang van dat museum moeten denken toen ze aangifte deed; de collectie bestaat immers geheel uit buitenlands, religieus erfgoed.
Toen ik destijds met deze kwestie, na anderhalf jaar geduld, naar buiten trad kon ik verwachten dat er ongewenste neveneffecten zouden optreden. Als adviseur eet ik uit de erfgoedruif en dit soort publicaties zijn riskant voor mij. Dat risico heb ik bewust genomen ook al kon ik de exacte gevolgen niet voorspellen. Zo kon ik niet weten en had ik niet verwacht dat de in dit onderwerp gespecialiseerde erfgoedinspecteur in haar tandenknarsende frustratie er niet voor terug zou deinzen te jokken in een aangifte (‘continu’), trucs zou gebruiken om mij koste wat kost te laten hangen (het telefoontjes van 10 april 2010), en het belang van een onderzocht museum ondergeschikt zou maken aan haar persoonlijke doel. Al met al heb ik zeer goede gronden te twijfelen aan de integriteit van deze erfgoedinspecteur. Dat is wel het laatste neveneffect dat ik had kunnen verwachten na mijn publicaties. Een ontluisterend neveneffect.
Ton Cremers

July 24th, 2010

Posted In: Erfgoedinspectie

Tags: , , , , , , , ,

– Citaat –

Dat betekent dat je alles moet doen wat redelijkerwijs kan worden verwacht op het gebied van controle van de herkomstgegevens van een voorwerp of verzameling.
Dit is wel wat werk voor de toekomstige eigenaren van cultuurgoederen. Je moet bijvoorbeeld rekening houden met de omstandigheden van de verwerving. Denk aan een betaalde prijs en raadpleging van registers voor (gestolen) cultuurgoederen
“.

– einde citaat –

Update 6 juli 2010:

Boeiende nieuwe informatie.

Op 25 februari werd bij de politie Den Haag door ‘een’ erfgoedinspecteur aangifte tegen mij gedaan wegens belediging, smaad en laster. Het is nogal wat. Geen van mijn teksten rechtvaardigt volgens mij deze aangifte. Inhoudelijk ga ik op deze zaak (nog) niet in.

Op 10 april 2010 – zes weken nadat de erfgoedinspecteur aangifte deed – werd ik gebeld door een medewerker van OCW. Over de inhoud van dat bizarre gesprek rapporteerde ik eerder (zie hieronder). Toen ik gebeld werd was het niet meer mogelijk de aangifte in te trekken. Men moet dat bij de Erfgoedinspectie geweten hebben. Hoe moet ik interpreteren dat ik NOOIT enige reactie kreeg van de Erfgoedinspectie/inspecteur op mijn e-mails en op alle door mij geschreven en aan de inspectie/inspecteur gestuurde artikelen en dat men mij pas liet bellen zes weken nadat aangifte werd gedaan?

Mag ik even interpreteren/fantaseren? De inspectie zal zich ongetwijfeld hebben laten adviseren door een van de vele juristen op het ministerie. Ik kan mij niet voorstellen dat door een inspecteur aangifte tegen een ‘burger’  wordt gedaan zonder ruggespraak met een jurist. Waarschijnlijk heeft iemand nadat aangifte werd gedaan een, te laat, helder moment gehad en de vraag gesteld: “Is er ooit gereageerd op Cremers’ mails en zijn teksten?” Oeps, dat was nooit gebeurd. Voor het doen van aangifte was contact met Cremers niet verplicht, maar het ware veel zorgvuldiger geweest. Deze onzorgvuldigheid zou indien dit een zaak wordt voor de rechter weleens een heel slordige indruk kunnen maken. Wat te doen? Ik zie het opgewonden en bezorgde gesprek al voor mij. De oplossing werd gevonden: Van Kouterik kende Cremers nog uit zijn Rijksmuseumtijd en zou Cremers wel even bellen met het verzoek zijn berichtgeving op het Internet te kuisen van de naam van de erfgoedinspecteur. Niemand kon voorzien dat het nutteloze want slechts formele telefoongesprek grondig verknoeid werd door de beller die eerst het afgesproken verzoek indiende, toen dreigde met aangifte en daarna mededeelde dat al aangifte gedaan was. Kon het nog onhandiger? Nee, dat kon niet.

Na dat telefoontje stuurde ik meerdere e-mails naar de Erfgoedinspectie met het verzoek om uitleg. Nooit ontving ik antwoord.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Ton Cremers

Update 28 mei 2010:

Het zal niet verbazen dat Barbara Siregar, directeur van de Erfgoedinspectie, mijn mail van 6 mei onbeantwoord liet. Dat is beleid bij de Erfgoedinspectie: berichten worden niet beantwoord. Dan vanmorgen maar gebeld met het nummer waar vandaan ik op 10 april benaderd werd met dreigementen over aangifte: 070-4122749. Achter dat nummer zit een beveiliger van het ministerie, Van kouterik, die mij namens erfgoedinspecteur Marja van Heese belde destijds. Blijkbaar gaat deze Van kouterik gebukt onder een selectief falend geheugen. Hij kon zich het gesprek van 10 april nog perfect herinneren maar wist niet meer de aard van de aangifte omdat hij ‘de stukken’ niet op zijn bureau had. Hoeveel aangiftes doet die man? Het moeten er heel veel zijn..
Wel wilde hij van mij weten of de politie al contact met mij opgenomen heeft. Dus volgens Van kouterik is er wel degelijk sprake van een aangifte tegen mij. Sneu dat de man zich in de veelheid van aangiftes niet kan herinneren wat het strafbare feit dan is. Het blijft een klucht, maar wel een heel kwalijke klucht: de Erfgoedinspectie probeert mijn nieuwsgaring namelijk te frustreren via (dreigementen over) een aangifte en weigert in te gaan op verzoeken om toelichting.

Ton Cremers

Update 7 mei 2010:

Oorspronkelijke bericht dateert van 10 april 2010 (zie hieronder) en is gezonden aan de Erfgoedinspectie en wel aan Marja van Heese. Zoals te verwachten bleef enige reactie uit. Gisteren, 6 mei 2010, heb ik een bericht gestuurd aan Barbara Siregar, directeur van de Erfgoedinspectie, waarin ik mijn beklag deed over dreigementen door een medewerker van het Ministerie van OCW namens erfgoedinspecteur Marja van Heese. Ik heb mevrouw Siregar gevraagd mij uiterlijk 14 mei te laten weten wat de status van het dreigement en van de ‘aangifte’ is. Mocht ik op genoemde datum geen reactie ontvangen hebben, dan zal ik een klacht indienen bij de minister. Het is niet acceptabel dat verslaglegging over een ernstige kwestie leidt tot dreigementen door een ambtenaar die met die dreigementen tracht de vrijheid van meningsuiting te beperken.

Ton Cremers

Bericht van 10 april 2010:

Het is een paar jaar geleden dat ik bij de Erfgoedinspectie meldde ernstige zorgen te hebben over de aankoopethiek van de oprichter van het Ikonenmuseum in Kampen. De betreffende erfgoedinspecteur, Marja van Heese, reageerde nauwelijks op die melding en kwam pas in actie toen ik anderhalf jaar later de publiciteit zocht. Tijdens een gesprek met de Erfgoedinspectie najaar 2009 werd mij medegedeeld dat de fouten gemaakt rondom mijn melding voor de inspectie aanleiding waren een meldingsprocedure te ontwikkelen. Die procedure had er natuurlijk al jaren moeten zijn. De trouwe lezers van de http://www.museumbeveiliging.com website en van de Museum Security Network en Museumbeveiliging Google groepen zullen het verhaal kennen. Ik heb er na zo veel tijd en energie geen zin meer in de hele geschiedenis te herhalen. Geïnteresseerden kunnen via een Google zoekopdracht alle informatie op het web vinden.

Voor mij was deze zaak geschiedenis totdat ik vanmorgen een bizar telefoontje kreeg van iemand die zich meldde als medewerker van het ‘Ministerie van Onderwijs’ (070-4122749).
In dat telefoontje werd mij verzocht mijn WWW archief te censureren en de naam van erfgoedinspecteur Marja van Heese te verwijderen. Een dergelijke vraag bereikte mij nooit eerder, in ieder geval niet van de betreffende inspecteur. Ik geef toe dat ik op dit heel onverwachte verzoek afwijzend reageerde, temeer daar Van Heese een achttal e-mails van mij aan haar in de loop van vorig jaar onbeantwoord liet. Tamelijk nalatig voor een ambtenaar die beroepsmatig door een ‘burger’  benaderd wordt.

In reactie op mijn weigering van vanmorgen kreeg ik van de beller te horen dat er inmiddels aangifte tegen mij gedaan was. Aangifte? Aangifte? Wat is het strafbare feit vraag ik mij af. Ik zie dat wel wanneer die aangifte mij bereikt. Ik zal hem dan meteen delen met de bezoekers van mijn site en de abonnees van de mailing list.

Behalve de vraag naar het strafbare feit is er een andere vraag die mij nog veel meer boeit. Men (Van Heese? De Erfgoedinspectie? Het Ministerie?) doet eerst aangifte en daarna word ik gebeld met het vriendelijke verzoek de naam van Marja van Heese te verwijderen uit mijn berichtgeving. Wat een vreemde volgorde. Deze door het ministerie gehanteerde handelwijze komt mij even amateuristisch voor als de wijze waarop de Erfgoedinspectie – onderdeel van datzelfde ministerie – destijds omging met mijn zeer ernstige en door een getuige gestaafde melding.

In deze tijd van dreigende bezuinigingen dringt zich een voor de hand liggende bezuinigingsoptie op….

Ton Cremers

May 28th, 2010

Posted In: Alexander Stichting Kampen, commentaar, conventies, Cyprus, Erfgoedinspectie, Ikonen Museum Kampen, illegale handel

Tags: , , , , , ,