In de vele jaren waarin westerse landen, ik realiseer mij heel goed dat westerse landen niet de grootste slachtoffers zijn, last hebben van terroristische aanslagen, zijn die aanslagen gericht op metro’s en metrostations, treinen en stations, vliegtuigen en vliegvelden. Het lijkt erop dat terroristen, of ‘fucking assholes’ zoals John Stewart ze noemde na de aanslagen in Parijs, een voorkeur hebben voor transport.

De aanslag op de Twin Towers in New York was in alle opzichten buiten categorie. Overigens wel een aanslag die bij het analyseren van risico’s zeer relevant werd.

De aandacht van F.A.’s verschuift. In Parijs waren een theater, een voetbalstadion en caféterrasjes doelwit.

In Brussel vond een aanslag plaats op het Joods Historisch Museum. Doelwit waren Joden, maar dan wel via hun museum.

En over musea wil ik het hebben.

Het is alweer een tiental jaren geleden dat ik werd uitgenodigd in Kopenhagen te spreken over cultuurgoed en terrorisme. Wanneer je het nu over die combinatie hebt, dan wordt gedacht aan vernietiging of roof van antiek cultuurgoed door IS, zoals in Palmyra. Hoewel er geen concrete cijfers zijn, wemelt het van de schaars gefundeerde deskundigheid over financiering van terrorisme via de illegale handel in antiquiteiten. Even schaars gefundeerd als die financieringsclaims, heb ik sterke twijfel over de impact en omvang van die handel. De experts struikelen over elkaar heen en papegaaien over de omvang van die illegale handel alsof IS daar voor een aanzienlijk deel door gefinancierd wordt. Dat kan simpelweg niet. Daarvoor is de markt te beperkt. Bij een plotselinge toename van het aanbod, daalt de waarde. Als je de TEFAF bezoekt, zie je slechts een beperkt aanbod van antiquiteiten. Hier en daar zijn wat verdwaalde stukken en er is slechts een enkeling, de onverwoestbare Jerome Eisenberg van Athena Galleries in New York, die een hele stand vult met dat materiaal. Overigens een vaak verlaten stand tussen druk bezochte andere stands.

Mijn zorg, ik durf hem haast niet uit te spreken, betreft druk bezochte nationale musea zoals de National Gallery en het British Museum in Londen, het Louvre in Paris, het Museums Insel in Berlijn, of het Rijks- en Van Goghmuseum in Amsterdam.

Ik durf die zorg nauwelijks uit te spreken omdat angstige en qua beveiliging te inerte, struisvogel, musea mij zullen verwijten terroristen op ideeën te brengen. Lijkt mij niet nodig, want er zijn toch altijd ‘meesterbreinen’ achter de aanslagen.

Toch waag ik een poging en beperk mij tot de Nederlandse situatie.

Waarom gebruiken musea geen detectiepoortjes (meer). Het Rijksmuseum had tot aan de heropening detectiepoortjes bij de bezoekersingang. Een onaangename, vliegveld-achtige apparatuur, maar effectief. Bijna dagelijks werden, voornamelijk bij scholieren, messen gevonden. Bij volwassenen werd er keer op keer in Nederland verboden pepperspray in beslag genomen. De bezoekers konden bij vertrek hun steekwapens weer ophalen.

Per uur komen gemiddeld 500 bezoekers het Rijksmuseum binnen. Bij het Van Gogh zijn dat er minder, maar niet veel minder. Hoe worden die bezoekers bij binnenkomst gescreend? Borstkloppend kondigden het Rijks en het Van Gogh enkele jaren geleden aan dat een groep van de beveiligers opgeleid is tot ‘predictive profiler’. Bezoekers worden geobserveerd op afwijkend gedrag. Knap hoor, maar voldoende effectief? Waarom niet beide: profilers plus elektronische detectiesystemen waarmee iedere bezoeker gecontroleerd wordt?

Even naar Zaventem: in de vertrekhal kon een aanslag plaatsvinden omdat iedereen die vertrekhal in kan lopen zonder controle. Daar was na de aanslag internationaal veel kritiek op.

Is dat in onze megamusea ook zo? Volgens mij worden de entreekaarten binnen verkocht en vindt pas later, bij de kaartcontrole als men vanuit de, vaak zeer drukke, centrale hal het museum in wil, iets aan screening van de bezoekers gedaan: de tassen worden binnen, in het museum, gecontroleerd. Als ze te groot zijn worden ze binnen, in het museum, ingenomen en bewaard. Een fluitje van een cent voor kwaadwillenden.

Er is geen (?) ondersteuning via detectiepoorten en elektronische screening. Met andere woorden: er is voor zelfmoordterroristen, te eng om over na te denken, voldoende mogelijkheid met bomgordel en al naar binnen te gaan en in de drukte een slachting aan te richten. Nog los van de schade aan cultuurgoed, twee vliegen in één klap, die aangericht kan worden.

Alle controles moeten, ik zou haast zeggen natuurlijk, plaatsvinden voordat men in de drukte in het museum duikt. Tassen en andere bagage moet, ik zeg weer natuurlijk, niet in het museum ingenomen en bewaard worden.

Ik heb tijdens mijn carrière als adviseur museumbeveiliging door mij bezochte musea altijd de hypothese voorgelegd: “Stel dat met succes bij u ingebroken en gestolen kan worden, gaat u dan maatregelen treffen? Is het antwoord JA, dan moet u die maatregelen NU treffen. Is het antwoord NEE, dan hoeft u ze nu ook niet te treffen”.

Voor ‘inbraak en diefstal’ kan je ieder ander mogelijk incident of calamiteit invullen.

Stel dat er succesvol een zelfmoordaanslag gepleegd wordt in die megamusea. Gaat men dan maatregelen treffen om herhaling te voorkomen? Kan men nu met droge ogen volhouden dat alle mogelijke preventieve maatregelen zijn getroffen (en kom mij nu niet aan met ‘we kunnen van onze musea geen fort maken’ want dat weet ik en ik weet ook dat dat vaak een flauw excuus is om maar niets te doen).

Als het antwoord op de vraag naar de mogelijkheid van een aanslag JA is, dan moeten NU maatregelen getroffen worden.

Voor alle duidelijkheid: ik heb met geen van de genoemde musea een professionele relatie. Het is inmiddels zestien jaar geleden dat ik werkzaam was in het Rijksmuseum. Sindsdien adviseerde ik (inter)nationaal 450 musea, bibliotheken, archieven, monumenten etc.

Van geen van de genoemde musea ken ik de ins en outs van de beveiliging anders dan wat ik observeer als ik ze bezoek.

Ik vraag alleen maar..

Ton Cremers

April 29th, 2016

Posted In: Columns Ton Cremers

Tags: , , , , , ,