Museum Security Network

Symposium veiligheidszorg Gelders erfgoed, 8 april 2009. Resultaten van de projecten Netwerkaanpak Veiligheidszorg voor Gelderse collectiebeheerders

8 april 2009: Symposium veiligheidszorg Gelders erfgoed,  Huis der Provincie Gelderland

Resultaten van de projecten Netwerkaanpak Veiligheidszorg voor Gelderse collectiebeheerders

Door Ellie Bruggeman. Globale weergave gesproken woord.

We zijn hier vandaag bijeen om verschillende belangrijke mijlpalen te vieren en onze blik te richten op de uitdagingen van de toekomst. De reeds gerealiseerde mijlpalen omvatten:

  • De Gelderse beheerders van cultureel erfgoed hebben een plekje gekregen op de risicokaart en (waarschijnlijk) binnenkort  op het veiligheidsnet.nl
  • De zorg voor het Gelderse culturele erfgoed in geval van nood is verwerkt in vele calamiteitenplannen en verschillende gemeentelijke crisisbeheersingsplannen en rampenbestrijdingsplannen.
  • Er zijn acht Culturele Preventienetwerken actief in Gelderland om elkaar alert te houden, om effectief contact te onderhouden met hulpverleningsdiensten en gemeenten en om een vangnetwerk te hebben in geval van nood.

Deze acht Preventienetwerken omvatten bijna honderd beheerders van cultureel erfgoed, variërend van musea, archieven en vakbibliotheken tot kerken en een historische tuin. De beheerders van cultureel erfgoed die nog niet in één van deze Preventienetwerken vertegenwoordigd zijn, een beperkt aantal, krijgen begin 2010 nog een allerlaatste kans om deel te nemen aan deze projecten en zich aan te sluiten bij het Culturele Preventienetwerk dat actief is in hun regio.

Circa drie jaar geleden werd begonnen met het traject richting deze mijlpalen. Bij alle deelnemende instellingen was er reeds aandacht voor de evacuatie van mensen in geval van nood en beschikte men al minimaal over een lijst met alarmnummers. Aan de bescherming van de collectie in geval van nood was echter slechts bij enkele organisaties aandacht besteed in het calamiteitenplan. Dit week overigens niet af van de situatie in de rest van Nederland en was ook de reden voor het ontwikkelen van de zogenaamde Netwerkaanpak. Ook erfgoedbeheerders met een volledig calamiteitenplan, inclusief hoofdstuk collectiehulpverlening, meldden zich aan vanwege de op te bouwen preventienetwerken voor wederzijdse steun.

Er bleek bij veel organisaties echter een onnodig hoge drempel te liggen voor wat betreft het werken aan het calamiteitenplan. Sommige organisaties waren al jaren bezig met de afronding. Anderen hadden het opstellen van hun calamiteitenplan (keer op keer) uitgesteld vanwege op komst zijnde veranderingen, zoals verbouwingen en verhuizingen, waardoor het plan weer verouderd zou raken. Een calamiteitenplan is echter per definitie geen statisch document. Bij elke verandering in de omstandigheden, zoals een nieuwe tentoonstelling of nieuwe activiteiten, dient bekeken te worden of de huidige maatregelen en procedures aangepast moeten worden. Veiligheidszorg is een verhaal zonder eind. Maar met een goede basis kunnen aanpassingen gemakkelijk verwerkt worden en fungeert het calamiteitenplan tevens als kwaliteitsinstrument om te controleren of er aan alles gedacht is.

Een deadline zoals voor de opening van een nieuwe tentoonstelling, waarvoor alles opzij gezet wordt, is er niet voor veiligheidszorg. Veel van u zullen zich het postbus 51 spotje kunnen herinneren met de titel:

‘Denk Vooruit: Rampen vallen niet te plannen. Voorbereidingen wel’.

In dit spotje werden spandoeken opgehangen met de datum waarop een ramp op die locatie zou plaatsvinden, en wanneer dus alles tot in de puntjes geregeld moest zijn. Met de projecten Netwerkaanpak veiligheidzorg werd ook een symbolische deadline gesteld voor het afronden van het calamiteitenplan. De ‘lege’ preventiemappen die de start van de projecten symboliseerden moesten aan het einde gevuld worden met herziene calamiteitenplannen. De meerderheid van de deelnemende organisaties heeft deze deadline gehaald. In sommige gevallen waren er nog wel enkele onderdelen van het calamiteitenplan cursief gedrukt, omdat daar nog nadere aandacht aan besteed moest worden. Daarnaast wachten we ook nog op de afronding van verschillende calamiteitenplannen.

Ondanks de grote diversiteit tussen de deelnemende instellingen, hun huisvesting, de collecties die zij beheren, hun risico’s, en derhalve hun calamiteitenplannen, zijn er ook veel overeenkomsten. Een opvallende gemene deler is het grote aantal vrijwilligers binnen de deelnemende instellingen. Ruim een kwart draait zelfs voor 100% op vrijwilligers. Nu wordt er wel eens gesproken over professionele krachten en vrijwilligers, maar het verschil ligt zeer zeker niet in de professionaliteit, het verschil is betaalde of onbetaalde krachten. Een naar mijn mening beperkende factor van vrijwilligers is dat zij soms slechts periodiek, bijvoorbeeld één keer in de twee of vier weken, een middag, aanwezig zijn. Elke steun is uiteraard zeer welkom, maar dit maakt het lastig om iedereen goed bekend te maken met het handelen in geval van nood. Dit heeft ook consequenties voor het calamiteitenplan. Een calamiteitenplan moet werken in de minimale bezetting, zowel voor wat betreft aantallen als kwalificaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de bezetting op zondagmiddag om 3 uur.
In alle regio’s hebben we ook kunnen genieten van de positieve sfeer tijdens de locatiebezoeken en projectbijeenkomsten. Tevens werden alle bijeenkomsten gekenmerkt door een grote openheid. Iedereen sprak vrij over zorgen en valkuilen waarin zij verzeild geraakt waren, zodat anderen hiervan konden leren.

Deze projecten hadden ook nooit zo positief kunnen verlopen als er niet in elke regio zo’n goede steun was geweest van de netwerkpartners: de hulpverleningsdiensten, gemeenten, de bureaus van de veiligheidsregio’s en de provincie Gelderland. In elke regio kwam een vertegenwoordiger van de lokale of regionale brandweer om met de deelnemende instellingen te spreken over de uitdagingen en knelpunten rondom brandveiligheid en brandbestrijding in combinatie met cultureel erfgoed. Hierdoor is er veel meer helderheid over wat je als erfgoedbeheerder van hulpverleningsdiensten kunt verwachten en wat zij nodig hebben om hun taken, inclusief schadebeperkende maatregelen, zo goed mogelijk uit te voeren. Ook is men hierdoor minder sceptisch geworden over de mogelijkheden om, ook in geval van brand, nog collectieobjecten te redden. Voorheen was iedereen er van overtuigd dat als de brandweer komt deze geen oog of oren heeft voor de collecties. Nu realiseren velen zich dat er, uiteraard afhankelijk van de omstandigheden, ruimte kan zijn voor evacuatie van de allerbelangrijkste objecten of voor een aangepaste brandbestrijdingsstrategie om zoveel mogelijk schade te voorkomen. Hiervoor gelden uiteraard voorwaarden. Een dergelijk verzoek moet je duidelijk aangeven bij de brandweer en bovendien moet je zelf alles goed op orde hebben. Je moet er bijvoorbeeld voor gezorgd hebben dat alle aanwezige mensen snel en veilig het gebouw kunnen verlaten, dat je zelf snel ter plaatse kunt zijn, ook buiten openingsuren, om de brandweer te voorzien van locatiespecifieke informatie en dat je duidelijke informatie kunt verschaffen over de locatie van de allerbelangrijkste collectieobjecten. Bovendien zul je er ook zelf voor gezorgd moeten hebben dat geëvacueerde objecten vervolgens op een veilige plek ondergebracht kunnen worden, inclusief transport. ZELFREDZAAMHEID is en blijft het sleutelwoord.

In de afgelopen weken zijn we tweemaal opgeschrikt door calamiteiten waarbij ook de eerste zorg niet uitging naar het culturele erfgoed dat hierbij betrokken was, maar naar de slachtoffers en het creëren van veilige werkomstandigheden voor de hulpverleningsdiensten. Ik denk hierbij aan de instorting van het Stadarchief van Keulen op 3 maart en de aardbeving van afgelopen maandag in Centraal Italië. In de krant las ik dat het nationaal museum van de Abruzzen, ondanks het instortingsgevaar overal, al wel een deel van haar collectie heeft kunnen veilig stellen in een wijnkelder. Of hierover vooraf afspraken waren gemaakt is mij niet bekend. Zoals de Commissaris van de Koningin, de heer Clemens Cornielje, ook illustreerde met de ad hoc evacuatie in 1995 van het depot van het Openluchtmuseum in Tiel, kan er ook bij toeval doeltreffend gehandeld worden. Maar de kans om letsel en schade tot een minimum te beperken is groter als er van te voren is nagedacht over de bedreigingen en er in hoofdlijnen is bepaald hoe daar het beste mee omgegaan kan worden en de hiervoor benodigde mensen en middelen standaard inzetbaar gemaakt zijn.

Gelukkig is er geen groot gevaar voor aardbevingen in Gelderland. Ook ben ik niet bekend met bouwplannen voor ondergrondse metrolijnen. Maar op de risicokaart is te zien dat er in verschillende regio’s wel rekening gehouden moet worden met regionale rampen door overstromingen en bosbranden. Ook staat de vuurwerkramp te Enschede bij vele nog op het netvlies.
In dergelijke omstandigheden hebben hulpdiensten en gemeenten hun handen vol, maar indien het zonder gevaar voor mensen kan, kunnen zij wel toestemming geven en ruimte creëren zodat je zelf als erfgoedbeheerder de vooraf voorbereidde maatregelen ter bescherming en bereddering van de collectie kunt uitvoeren. En indien de situatie alle vooraf getroffen maatregelen, de eigen menskracht en middelen en die van collega-organisaties overstijgt, kan er mogelijk een beroep gedaan worden op aanvullende steun via hulpverleningsdiensten, gemeenten of veiligheidsregio.
Hierom is ook de vermelding van het Gelderse culturele erfgoed op de risicokaart zo belangrijk. Hoewel er in geval van nood veel te beschermen belangen zijn, en het beschermen van cultureel erfgoed zeker niet op de hoogste plaats staat, wordt zo de zichtbaarheid ervan verhoogd en kan de bescherming in de algehele besluitvorming meegewogen worden.

Buiten de bedreigingen die op de risicokaart vermeld staan dienen uiteraard ook de bedreigingen van binnenshuis niet vergeten te worden, zoals lekkages, branden en andere noodsituaties als gevolg van technisch of menselijk falen of zelfs opzettelijk handelen.

Met de projecten Netwerkaanpak Veiligheidszorg is een extra stimulans gegeven voor het herzien en actueel houden van de individuele calamiteitenplannen en is er een basisstructuur opgebouwd om ervaringen uit te wisselen en collegiale ondersteuning in geval van nood te organiseren. Maar hier is het zeker niet bij gebleven. In elke regio werd unaniem besloten om na de eerste projectfase de samenwerking rondom veiligheidszorg voort te zetten en stapten er netwerkcoördinatoren naar voren om als kartrekker en centraal aanspreekpunt op te treden, telkens voor een periode van twee jaar.
In de meeste regio’s ligt op dit moment de nadruk op de uitdaging na de herziening van calamiteitenplannen: hoe alle medewerkers en vrijwilligers bekend te maken en houden met de (gewijzigde) procedures in geval van nood. In veel netwerken staat de implementatie van de calamiteitenplannen hoog op de agenda’s voor de periodieke netwerkvergaderingen en wordt er druk geoefend. Bij de oefeningen worden soms ook netwerkleden ingezet als waarnemers, zodat zij mee kunnen denken en leerpunten mee kunnen nemen naar de eigen organisatie.

In twee regio’s trad zelfs het vangnetwerk-principe van de Culturele Preventienetwerken al in werking. Tijdens de stroomstoring in de Bommelerwaard eind 2007 probeerde de oud-netwerkcoördinator, Dick van der Stelt van Slot Loevestein, vanaf huis buiten het getroffen gebied, dus met elektriciteit, de netwerkleden te benaderen om te vragen of zij steun nodig hadden. Hoewel hij thuis over stroom beschikte had hij daar echter niet het calamiteitenplan en de lijst met contactgegevens van het netwerk beschikbaar. Een belangrijk leerpunt. Uiteindelijk heeft hij iedereen wel kunnen bereiken en bleken alle organisaties de situatie met eigen middelen aan te kunnen. Tijdens de navolgende netwerkvergadering werd de stroomstoring gezamenlijk geëvalueerd en werden knelpunten, zoals de beperkte duur van de backup-stroomvoorzieningen van vitale systemen, en de mogelijkheden om hiervoor op individueel niveau dan wel netwerkniveau actie op te ondernemen, besproken.
Het Noordveluwse vangnetwerk trad in werking na de brand bij het Nunspeetse Natuurhistorisch Museum ‘Veluws Diorama’ in 2008. Hoewel dit particuliere museum geen lid is van het netwerk, namen zowel Rinus Loopik, van de nabijgelegen Oudheidskamer Nunspeet, als de Netwerkcoördinator, Paul van Brakel van het Nederlands Artillerie Museum, contact op met het museum om hulp aan te bieden.

De systematiek werkt dus. Bovendien is er een stevige basis en veel enthousiasme om de samenwerking op het terrein van veiligheidszorg rondom het Gelderse culturele erfgoed voort te zetten en verder te optimaliseren. Aan die vervolgstappen zullen we vandaag nader aandacht besteden. Daarnaast blijft uiteraard de uitdaging om de verscherpte aandacht voor veiligheidszorg in stand te houden en de hieraan gerelateerde informatie en contacten actueel, zowel op individueel- als netwerkniveau. Graag wens ik iedereen hier veel succes bij!

http://www.gelderserfgoed.nl/cms_media/Resultaten%20van%20het%20project%20in%20Gelderland,%20Ellie%20Bruggeman.pdf

Overige presentaties en verslagen van dit symposium zijn te vinden op de website van Gelders Erfgoed, www.gelderserfgoed.nl, onder: Documenten, kopje Veiligheidszorg. Ook kunt u daar kosteloos een exemplaar van de film over Netwerkaanpak Veiligheidszorg in Gelderland opvragen.

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers like this: