Museum Security Network

Kunstdiefstal loont: voormalig directeur Westfries Museum vertaalt boek over kunstdiefstal; DEEL 2

Enkele dagen geleden plaatste ik al kanttekeningen bij Ruud Spruit als inleider en vertaler van het boek Kunstroof, een museum van verdwenen meesterwerken: http://www.museumbeveiliging.com/?p=1659 .

Je moet maar durven als museumdirecteur dankzij wiens falend beveiligingsbeleid het Westfries Museum, en enkele musea die objecten aan dat museum uitleenden, slachtoffer werd van een van de meest geruchtmakende museumroven van de afgelopen tientallen jaren.

Dankzij de armoedige beveiliging van dat museum hadden inbrekers in alle rust uren de tijd hun slag te slaan. In de vele jaren voorafgaand aan de inbraak en diefstal verwaarloosde Spruit schromelijk een van zijn kerntaken, namelijk veilig beheer van de collectie. Na de inbraak maakte hij er helemaal een potje van door de criminelen geheel misplaatst te complimenteren met hun professionaliteit en glashard te liegen over het beveiligingsniveau van zijn museum. Die beveiliging noemde hij tegen beter weten in geavanceerd om zijn falend beleid te camoufleren. Spruit wilde zijn hachje redden en liet door dit egoïstische motief de gehele Nederlandse museumwereld in de kou staan en ontnam collega musea de kans iets te leren van dit incident. Indien Spruit de moed had gehad zijn falen toe te geven en openhartig mede te delen dat de bewegingsmelders in zijn museum op kinderlijk eenvoudige wijze waren afgeplakt dan hadden alle collega’s met zulke ouderwetse melders meteen stappen kunnen nemen deze melders te vervangen.

Korte tijd na de inbraak en zijn jokkenbrokkerij was Spruit gastheer bij de presentatie in Hoorn van de door het Ministerie van OCW bekostigde centrale registratie van incidenten in de erfgoedwereld: DICE (Database Incidenten Cultureel Erfgoed). De bedoeling van die database is de erfgoedwereld aan de hand van informatie over de achtergrond van incidenten mogelijkheden te bieden tot verbetering van de beveiliging en veiligheid. Je krijgt toch kromme tenen bij de gedachte dat de gastheer bij de presentatie van een dergelijk belangrijk initiatief tegelijkertijd de eerste is die dit initiatief torpedeert door te liegen over de achtergrond van het zeer ernstige incident in zijn museum.

Noem het naïef, maar ik had een stille hoop dat Spruit na zijn voortijdige vertrek uit het museum – op de flaptekst van het boek staat te lezen dat hij tot zijn pensioen directeur van het Westfries Museum was, maar sinds de inbraak en zijn gestuntel was hij dat nauwelijks nog in de praktijk – tot inkeer kwam en een voorzichtige tocht naar Canossa zou maken.

Het tegendeel is waar. Volgens Spruit “probeert men zich te wapenen tegen inbraken (….) en valt dan niet zelden in handen van beveiligers die blijven wijzen op onvolkomenheden in de bewaking en op die manier goede zaken doen met het leveren van camera’s, detectors, bewakingspersoneel en almaar duurder en geavanceerder systemen waarmee musea worden veranderd in forten (…)”.

Daar vervliegt al mijn hoop op een Spruit die tot inzicht gekomen is.

Dat Ruud Spruit het onderscheid tussen bewaking en beveiliging niet kent zij hem vergeven, dat hij de indruk geeft ooit in handen van beveiligers te zijn gevallen die steeds geavanceerder systemen willen slijten is een, helaas moet ik dat woord weer gebruiken, leugenachtige mystificatie. Als museumdirecteur viel hij nooit in dergelijke handen. Helaas nooit, want anders was het niet mogelijk geweest dat zijn museum op deze wijze beroofd werd van een groot aantal objecten.

Sterker nog: Spruit werd door zijn beveiligingsinstallateur enkele keren gewezen op de tekortkomingen in zijn beveiliging en sloeg die waarschuwingen in de wind. Blijkbaar gebruikt onze jokkenbrok dit koffietafelboek als een kans om onverdroten door te gaan met zijn verdraaiing van de feiten.

Verzekeraars zijn er volgens Ruud Spruit op uit “hun boterhammen te smeren” door het opschroeven van de beveiligingseisen en het verhogen van premies. Dat die premies nooit zelfstandig stijgen maar gerelateerd zijn aan de fors gestegen prijzen van kunst ontgaat Spruit. Het ontgaat hem blijkbaar ook dat hij zelf een van de veroorzakers was van stijgende premies door de beveiliging van zijn museum te verwaarlozen en daardoor tot gemakkelijk slachtoffer te maken van criminelen. Er is nu eenmaal ook een relatie tussen uitbetaalde schades en verzekeringspremies. Met kinderachtig beschuldigend vingertjes wijst Spruit naar beveiligers en verzekeraars zonder ook maar een seconde te komen tot reflectie over zijn rol als museumdirecteur.

En dan de criminelen. Die zijn “sluw” en maken gebruik van “geavanceerd” (een lievelingswoord van Spruit) “materiaal” en “profiteren van een moment van onachtzaamheid” of nog erger “vallen op klaarlichte” dag (wat een detectiveboekjes cliché!) “brutaalweg zwaargewapend te midden van bezoekers binnen, een manier van beroven waar geen kruid tegen gewassen is”.

Wel, zo geavanceerd waren de materialen niet die de criminelen in Spruits museum gebruikten. De bewegingsmelders werden met papiertjes afgeplakt. Dat hadden kinderen uit groep 1 of 2 ook kunnen doen. De criminelen profiteerden ook niet van een “moment van onachtzaamheid”, maar van de jarenlange verwaarlozing van de beveiliging door Spruit.

Dit is niet de eerste keer dat Ruud Spruit blaat dat tegen gewapende overvallen “geen kruid gewassen is”. Ik hoop niet dat criminelen op deze open uitnodiging van Spruit in gaan. Bovendien is zijn opmerking niet juist: er is heel veel tegen gewapende overvallen te ondernemen, en daar hoef je musea niet voor om te bouwen tot “forten”. Welk museum in Nederland, of daarbuiten, is volgens Spruit omgetoverd tot “fort”? Het zou juist zijn geweest wanneer hij deze bewering met een voorbeeld illustreerde. Nu herhaalt hij slechts wat onwillige museumdirecteuren al jaren zeggen.

Spruit heeft de oplossing: “perfecte registratie en goede samenwerking met de instanties”. Ik weet niet hoe perfect de collectie van het Westfries Museum geregistreerd was en hoe goed Spruit samenwerkte met de instanties – hopelijk beter dan met zijn beveiligingsinstallateur – maar toch werd zijn museum beroofd en zijn die geroofde schilderijen nog steeds niet terug.

Volgens Spruit is het boek Kunstroof gevuld met een “verzameling van onvervangbare kunstwerken die in het echt waarschijnlijk nooit meer te zien zullen zijn”. Hoe moet ik dit rijmen met zijn beweringen na de diefstal uit zijn museum dat de dieven met deze bekende kunstwerken geen kant uit kunnen? Ik vrees dat we hier weer – de tekst van Spruit is gelardeerd met ongefundeerde uitspraken – met borrelpraat te maken hebben.

Spruit breekt in zijn tekst een lans voor gedetailleerde beschrijving van de kunstvoorwerpen. Het is een gemiste kans – of is het opzet – dat hij hierbij verzuimt te verwijzen naar de internationale standaard, de door CoPAT – Council for the Prevention of Art Theft samen het Getty ontworpen Object-Id: www.object-id.com. Spruit beschrijft alle facetten van Object-Id als ware het een door hem zelf bedacht systeem en een serieus advies aan de museum- en verzamelaarwereld terwijl deze wijze van beschrijven al meer dan tien jaar standaard is.

Nog een open deur: “Een goede samenwerking is onmisbaar en daar ontbreekt het in Nederland ten enenmale aan”. Hierna volgt het afgekauwde verhaal over de voormalige CRI en het ontbreken van een specialistische politiedienst. Dat weten we ze langzamerhand wel.

Wat ik niet wist: “Slechts de zeer vooraanstaande veilinghuizen en kunsthandelaren nemen de moeite om consequent te checken of bij hen aangeboden kunst voorkomt in de (let wel! DE) databank met gestolen voorwerpen.

Hier en op de volgende pagina’s komt de aap uit de mouw. DE databank. En welke dan? Juist die van het Art Loss Register. Hoe noemde Willem Frederik Hermans deze vorm van schrijverij ook alweer? Hoernalistiek. Het blijkt dat Spruit zich schuldig maakt aan deze “Hoernalistiek” want de rest van zijn tekst is een regelrechte Art Loss Register commercial. Dit is geen sluikreclame meer, maar regelrechte promotie. Je gaat je afvragen wie de productie van dat boek gefinancierd heeft.

Ik heb niets tegen het Art Loss Register, bijna niets, maar wil hun activiteiten altijd wel geplaatst zien in het juiste commerciële kader en gerelateerd aan alle andere databases van gestolen kunst, zoals die van Interpol die sinds kort voor iedereen toegankelijk is op http://www.interpol.int/Public/WorkOfArt/dbaccess.asp.

Spruit vergeet gemakshalve, een vorm van liegen, dat de database van het ALR niet de enige is (maar wel de best gepromote).

“Vooraanstaande veilinghuizen”? Sotheby’s? Lees Peter Watson’s The inside story, en je noemt Sotheby’s nooit meer vooraanstaand. Lees William Honan’s Treasure Hunt over de kunstdiefstal van een Amerikaanse G.I. in Quedlinburg aan het einde van WW.II en hoe een ander vooraanstaand veilinghuis, Christie’s, marchandeerde met een geroofd zeer kostbaar manuscript. Misschien bedoelde Spruit andere vooraanstaande veilinghuizen, maar deze twee – tot miljoenenschades veroordeeld wegens illegale afspraken over te berekenen commissies – heeft hij in ieder geval niet uitgesloten. Dan zijn er in Spruits ogen ook nog vooraanstaande handelaren. Die zullen er ongetwijfeld zijn, maar slechts een handvol maakt gebruik van de diensten van het ALR, want je kunt dan nog zo vooraanstaand zijn, blijkbaar gaan de zaken te slecht om de minimale fee aan het ALR te betalen.

“Musea werken ondanks veel gepraat daarover niet consequent” (een ander stopwoordje van Spruit) “samen in een systeem van registratie”. Spruit lijdt echt aan geheugenverlies want nu blijkt dat hij al niet meer weet dat hij de gastheer was bij de presentatie van DICE.

Spruits tekst gaat echt op een kritiekloze haastklus lijken wanneer hij schrijft dat musea niet ‘consequent’ samen werken in het maken van prijsafspraken met beveiligingsbedrijven (Spruit heeft niet door dat beveiliging van hoogrisico instellingen als musea maatwerk is). In zijn rommelige inleiding is het “Het is het dievengilde niet ontgaan dat het stelen van kunst lucratief kan zijn”, maar in de door Spruit geschreven kadertekst op pagina 63 staat de ongefundeerde bewering  “..bijna altijd komen onverkoopbare en goed omschreven en afgebeelde schilderijen weer boven water, zoals de geschiedenis ons leert”. Spruit heeft zelfs de statistieken van zijn broodheer het ALR niet bekeken, waar daar blijkt uit dat ongeveer de helft van die schilderijen terugkeert en dat het gemiddeld zeven jaar duurt.

Het Stammtisch gekwek van Spruit kent geen einde: “Het heeft geen zin bewakers in dienst te nemen die niet mogen optreden en het is niet verstandig om (Ruud lijdt aan de ‘om’-ziekte) verzekeringsgeld uit te geven..”. Ik vraag me in ernst af wat het ALR daar van vindt, want als kunst niet verzekerd is valt er voor het ALR geen cent meer te verdienen. Denkt Spruit wel na wanneer hij zit te rammen op zijn toetsenbord?

“Verzekeraars trekken onvoldoende één lijn met het consequent” (daar hebben we dat woord weer) “weigeren van betaling van een deel van de (vinders)premie aan inbrekers, hun handlangers of al dan niet te goeder trouw in het bezit van geroofde kunst geraakte personen”. Je krijgt hier de neiging het boek te sluiten en in een hoek te gooien. Niet alleen vanwege het idiote taalgebruik, je moet door de overdaad aan voorzetsels worstelen, maar vooral om de afstotelijke oppervlakkigheid. Er is een wereld van verschil tussen kopers te goeder trouw en kopers te kwader trouw, maar Spruit gooit beide gemakshalve op één hoop, hiermee getuigend van een beledigende onderschatting van zijn lezers.

Hij schrijft het weliswaar niet expliciet, maar is het mogelijk zo dat alle premies naar het ALR moeten? In de meeste landen is wettelijk niet toegestaan dat verzekeraars onderhandelen met criminelen of betalen om van inbrekers gestolen spullen terug te krijgen. Ik hoop dat Spruit deze aantijging aan het adres van de verzekeraars met feiten kan onderbouwen. De waarheid kan nooit laster zijn, maar beschuldigingen zonder onderbouwing zijn dat wel.

Wat ik al vreesde komt verderop in Spruits tekst unverfroren naar buiten. “Een eerste vereiste is een goede en toegankelijke registratie die het vertrouwen heeft en de medewerking krijgt van verzamelaars, handelaars, veilinghouders, musea, politie en justitie”.

Je voelt hem komen: “Zo’n registratie bestaat sinds een aantal jaren in de vorm van het Art Loss Register”, waarna een korte opsomming komt van de successen van het ALR. In een enkele alinea komen de “Holocaustkunst” (nee, niet kunst gemaakt door concentratiekampgevangen, maar door de Nazi’s geroofde kunst), illegale opgravingen, en alle andere vormen van kunstroof aan bod.

Spruit schittert, maar dat kan je ook niet echt verwachten van iemand die commercials schrijft, door gebrek aan detaillering. Hij ramt het nog een keer bij zijn lezers in: “De (een alinea eerder is het niet DE, maar HET) ALR” heeft volgens Spruit, ongetwijfeld ingefluisterd door zijn broodheer, want zo gaat dat met Hoernalistiek, “de grootste en meest vertrouwde database van gestolen en vermiste kunstwerken in de wereld”. Let op het subtiele “meest vertrouwde”, dat is heel wat anders dan meest betrouwbare. Een kniesoor die daar op let. Ondergetekende is zo’n kniesoor die zich bovendien afvraagt: hoe weet Spruit dat? Deed onze multigetalenteerde museumdirecteur daar onderzoek naar? Mogen we dan aub de onderzoekgegevens, of minimaal een verwijzing daar naar, ook vernemen? Mijn vertrouwen in het/de ALR is in ieder geval wat gedaald doordat ze er voor kozen met een charlatan als Ruud Spruit samen te werken. Het /de ALR had beter moeten weten.

Ruud Spruit heeft, zo blijkt regelmatig in dit met taal- en spelfouten gelardeerde boek moeite het juiste lidwoord te kiezen. Het Metropolitan Museum is in Spruits vertaling “de MET”. Moet dat niet zijn ‘het’ MET, of kort Spruit de naam van het Rijksmuseum ook af tot ‘de’ Rijks?

Het mag niet ontkend worden dat Spruit, waarschijnlijk onbedoeld, geestig is, want het/de ALR geniet “het vertrouwen van grote veilinghuizen als Sotheby’s en Christie’s”. Dank je de koekoek! Beide veilinghuizen zijn aandeelhouder van de/het ALR. Het zou niet best zijn wanneer ze dat waren zonder vertrouwen. De rest van Spruits tekst is niets anders dan ronkende aanbevelingen van de/het ALR, maar uiteindelijk komt toch het Westfries Museum aan bod dat “kort voor mijn pensionering op afschuwelijke wijze werd beroofd”. Wat de oorzakelijke rol van Spruit was bij de roof en hoe hij stuntelde na de roof mag zo langzamerhand duidelijk zijn.

Spruits schrijvelarij wordt werkelijk zum Kotzen wanneer hij eindigt met “Ik hoop dat dit boek ertoe bijdraagt dat allen die te maken hebben met kunst, de weg weten te vinden naar het (het is nu weer HET) Art Loss Register, zodat het in de toekomst zinloos zal zijn kunst te stelen en dieven musea en galerieën links laten liggen”. Hij zal het niet bedoelen, maar Spruit lijkt hier te schrijven dat die dieven zich beter kunnen richten op particuliere verzamelaars, die nu al meer dan 50% van de slachtoffers zijn.

Hoe bereiken we volgens Spruit dat droomdoel: “Daartoe is nodig dat het een kwestie van fatsoen en vanzelfsprekendheid is dat een ieder die verantwoordelijk is voor de aankoop of het beheer van kunst de weg weet te vinden naar het Art Loss Register: www.artloss.com“.

Het zou een kwestie van fatsoen en zeker vanzelfsprekend zijn geweest indien een museumdirecteur die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het verlies van een grote collectie uit zijn museum zich zou beperken tot objectiviteit en niet als een bedelende baviaan zijn besmette schrijverskont beschikbaar zou stellen aan iedereen die hem maar betalen wil.

Op het laatste moment is nog een door Spruit geschreven kadertekst  in het boek gepropt over de kwestie Noortman en de in 1987 gestolen schilderijen die dit jaar werden teruggevonden. Noortman is in de tekst van Spruit nog steeds “de gerenommeerde kunsthandelaar”, geen woord over de rol die Noortman speelde bij de verdwijning van de schilderijen.

In 2006 verscheen Simon Houpts boek Museum of the missing, a history of art theft (Sterling Publishers Co, Inc, New York). Hoe zal het toch komen dat in het tamelijk uitgebreide register van KUNSTROOF, een museum van verdwenen meesterwerken het boek van Houpt niet voorkomt?

Het door Spruit vertaalde en bewerkte boek is een aan te bevelen bron van informatie voor lezers die zich nooit eerder verdiepten in dit onderwerp. Jammer dat Spruit de kans kreeg en nam in die bron te spugen waardoor de lezers  door veel zetfouten (op meerdere plaatsen wordt een aantal woorden zonder spatie aan elkaar geregen en op pagina 175 is zelfs een stuk tekst helemaal weggevallen bij een onderschrift) en taalfouten moeten lezen.

Ruud Spruit heeft met zijn overbodige populistische kaderteksten (na terugkeer van de bij Helmantel in Westeremden gestolen schilderijen: “De vreugde van Henk en zijn familie kende geen grenzen”) en zijn slordige inleiding dit boek gekaapt en een onverdiend prominente plaats op de omslag en het titelblad gekregen. Het ware beter geweest als hij zich beperkt had tot de rol van vertaler

Mijn advies: koop dat boek en bescherm jezelf tegen ergernis door de teksten van raaskallende Ruud over te slaan.

KUNSTROOF, een museum van verdwenen meesterwerken.

Jonathan Webb en het Art Loss Register

Ingeleid, vertaald en verziekt door Ruud Spruit

Madison Press Books, gepubliceerd door De Bataafsche Leeuw,

Amsterdam, 2009

€ 38,50

Ton Cremers; toncremers@museum-security.org

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.