Museum Security Network

Herinneringen van een museumbeveiliger – smaad en laster en Ellen Batzel

De onhandige erfgoedinspecteur die aangifte tegen mij deed wegens laster en smaad had bijna tien jaar eerder een heel wat vaardiger voorgangster: Ellen Batzel. Op het internet is van alles te vinden over haar aangifte tegen mij en het verloop van de vier jaar slepende juridische procedure.

Was de aangifte van Batzel tegen mij terecht? Kennelijk niet, want ze verloor na een lange procedure op alle fronten en zorgde daarmee voor jurisprudentie die beheerders van internet mailinglists beschermt tegen dit soort gedoe.

Had ik begrip voor haar? Ik begreep aanvankelijk haar emotie. Die emotie ontspoorde echter toen er een absurde claim kwam van $ 30.000.000,00, toen ze het nodig vond mijn werkgever, het Rijksmuseum, lastig te vallen met mails, faxen en brieven en ze begon met wat in de USA een ‘frivolous lawsuit‘ wordt genoemd: procederen om het procederen in een poging de tegenpartij kapot te procederen door de procedure zo lang vol te houden dat de tegenstander de bodem van zijn financiele middelen bereikt, zijn verzet staakt en uiteindelijk verliest.

Mijn aanvankelijke begrip voor Batzel’s emotie werd door deze hele gang van zaken volledig teniet gedaan.

Wat geschiedde…..

De huidige Museum Security Network Google groep werd vanaf december 1996 vooraf gegaan door een internet mailing lijst onder dezelfde naam: Museum Security Network, afgekort MSN.

Ik beheerde die lijst als moderator. Geen enkel bericht bereikte de abonnees zonder dat ik het eerst bekeken en goedgekeurd had. Ik hanteerde een heel simpel citerium: berichten moesten gaan over incidenten met cultuurgoed – een heel breed criterium – en de bal, niet de man moest gespeeld worden. Dat laatste criterium heb ik altijd te subjectief gevonden om strikt te handhaven.

September 1999 ontving ik een mail van een mij onbekend iemand, Robert Smith, waarin deze persoon mededeelde dat hij als aannemer werkzaamheden had verricht in het huis van Ellen Batzel. Batzel had tijdens een koffiepauze verteld dat ze de kleindochter was van een nazi-voorman. Haar huis, aldus Smith, hing vol met oude Europese schilderijen ‘with heavy wooden frames’. Hoewel Batzel, nogmaals: volgens Smith, niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor daden van haar grootvader, vroeg hij zich wel af wat de oorsprong van de schilderijen was.

Op mijn mailing lijst werd regelmatig aandacht besteed aan de roof van cultuurgoed in oorlogstijd. De inhoud van Smith’s bericht vond ik dus relevant. Omdat ik Smith niet kende, ging ik er vanuit dat hij zijn bericht voor de mailing list bestemd had en niet voor mij persoonlijk. Toegegeven: ik vond het een wat vreemd bericht, besteeddde er in de overvloed aan mails te weinig aandacht aan en stuurde het door naar de abonnees met in mijn achterhoofd: laten de abonnees zelf maar het bericht op waarde schatten. Aan het einde van Smith’s bericht zag ik contactgegevens, naar ik meende zijn contactgegevens. Een slordigheid van mij. Het waren namelijk de contactgegevens van Ellen Batzel.

Kort nadat ik Smith’s mail stuurde naar de MSN mailing list, kreeg ik een reactie van een Amerikaanse abonnee die vond dat ik die contactgegevens niet had moeten doorsturen. Hij had gelijk en ik heb de betreffende mail meteen verwijderd uit het MSN archief. De kritiek van de abonnee stuurde ik ook naar de MSN lijst. Zoals altijd bij kritiek, voelden toen nog enkele abonnees zich geroepen mijn besluit te bekritiseren. Ook die mails stuurde ik weer door, waarop enkele mails kwamen waarin ik verdedigd werd. De abonnees die wekelijks een verzamelbericht ontvingen, kregen de mail van Smith niet. De kous leek hiermee af.

Totdat ik ruim die maanden later, begin januari 2000 een e-mail kreeg van Ellen Batzel. Ze schreef mij dat ze anoniem een uitdraai van Smith’s mail op mijn mailing lijst ontvangen had en dat ze ‘upset, very upset’ was.

Het doorzenden van Smith’s mail was slordig, maar de fout die ik maakte in reactie op Batzel’s mail was zo mogelijk nog erger. Ik legde haar namelijk uit wat gebeurd was, welke stappen ik ondernam om de schade te beperken en, hoe dom kon ik zijn, ik maakte excuus.

Dat had ik niet moeten doen, want in het geborneerde juridische denkwereldje van mevrouw Batzel is een excuus niets meer of minder dan een schuldbekentenis. Batzel trok hierop alle intimiderend juridische registers open en stuurde angstaanjagende mails vol juridisch jargon naar mij.

Al snel diende ze in de USA een aanklacht tegen mij in wegens laster met een claim van $ 30.000.000. Niet alleen ik kreeg die claim: ook mijn toenmalige sponsor in de USA, Mosler Security kreeg die claim. Van die idioot hoge claim lag ik niet wakker. Wel van het feit dat in het contract met Mosler stond dat ik op zou moeten draaien voor advocatenkosten mocht een actie van mij leiden tot een juridische procedure waarin Mosler verzeild raakte. Bovendien eiste Mosler het sponsorgeld terug. Dat heb ik meteen terugbetaald, maar ik dreigde nog opgezadeld te worden met hoge advocatenkosten. De ondergang van Mosler, het bedrijf ging 2001 failliet, bevrijdde mij van die dreiging.

Batzel raakte door dat faillisement een tegenpartij kwijt.

Batzel ging door. Toen ze vernam dat ik hoofd beveiliging (zij noemde dat ‘director security’) van het Rijksmuseum was, ging ze er van uit dat ik mijn MSN activiteiten in opdracht van het Rijksmuseum, of in ieder geval in Rijksmuseumtijd ontplooide en werd het Rijks ook bedreigd met een claim van $ 30.000.000,00.

Batzel keek blijkbaar niet op een paar centen.

Keer op keer maakte ik haar duidelijk dat het Rijksmuseum niets met deze kwestie te maken had, maar keer op keer zond Batzel weer mails, faxen en brieven naar het Rijks.

De eerste reactie van toenmalig directeur Ronald de Leeuw was sympathiek en geruststellend, maar dat tij keerde snel door het gezanik van Batzel. Ik ben er van overtuigd dat ze met de berichten aan het Rijks slechts tot doel had de relatie tussen het museum en mij te schaden. Dat is haar gelukt. Na mijn vertrek uit het Rijks, heeft het museum dan ook niets meer van haar gehoord.

Ik zou echter nog vier jaar opgezadeld blijven met Batzel.

Hoe het ook zij: ik had een advocaat nodig om het tij te keren. Gijsbert Brunt in Amsterdam liet voor mij uitzoeken in hoeverre een schadeclaim in de USA voor mij in Nederland gevolgen zou hebben.

De uitkomst van dat onderzoek stelde mij niet gerust. Het sympathieke contact met Brunt nam niet mijn zorgen weg, maar de aanvankelijk angst wel. Ik ben hem nog steeds dankbaar dat hij mij voor een beperkte vergoeding op weg hielp.

Op het internet ging ik op zoek naar mogelijkheden om in de USA pro-deo (dat heet daar pro bono) juridisch advies en hulp te krijgen. Ik kwam uit bij een organisatie Volunteer lawyers for the Arts.

Mijn verzoek om pro bono ondersteuning werd helaas afgewezen.

In diezelfde tijd deed zich nog iets voor: ik ontving informatie over gestolen kunst in Californie en gaf dat door aan het LAPD Art Theft Detail en wel aan Don Hrycyk. Na enige tijd kreeg ik van Don Hrycyk (Engels fonetisch uit te spreken als her-ris-sik) een mail waarin hij mij bedankte voor het doorgeven van de tip (de gestolen kunst werd opgespoord en ging terug naar de eigenaar), eindigend met “Ton, how are you”.

Tegen alle conventies in antwoordde ik naar waarheid dat het niet goed met mij ging omdat ik verwikkeld was in die nare zaak met Ellen Batzel. Don adviseerde mij contact op te nemen met Volunteer lawyers for the Arts; dat had ik al, tevergeefs, gedaan. Ik liet hem dat weten en nam niet opnieuw contact op met deze organisatie.

Zonder verder iets van Hrycyk te horen, kreeg ik na enkele weken een e-mail van Volunteer lawyers for the Arts met de mededeling dat ze zich zouden verdiepen in mijn zaak.

Pas jaren later, tijdens een etentje in Los Angeles met de journalisten Jason Felch en Ralph Frammolino, auteurs van Chasing Aphrodite (over foute aankopen van het Getty Mueum), Wilbur Faulk een voormalig directeur security van het Getty Museum en Don Hrycyk vernam ik van Don: “You deserved it”.

Dat “you deserved it” heb ik ook gevoeld bij de toekenning aan mij februari 2001 van de Burke Award door de National Conference on Cultural Property Protection van het Smithsonian Institute in Washington. Dat jaar durfde ik niet naar het jaarlijkse congres te gaan vanwege de Batzel kwestie.

De toekenning van de onderscheiding heb ik ervaren als steun in de rug tijdens die moeizame periode. De Burke onderscheiding viel samen met mijn vertrek uit het Rijksmuseum. Henk Schutten van Het Parool schreef over de toekenning van de Burke Award onder de pakkende kop: Internationale erkenning voor de risee van het Rijks. Een prachtige en komische alliteratie waar Henk volkomen onnodig zijn verontschuldigingen voor aanbood.

Het advocatenkantoor Latham & Watkins, een juridische multi-national, nam de Batzel kwestie voor mij op en investeerde toegewijd veel energie in mijn zaak. Dat Latham & Watkins ‘voor mij werkte’, trachtte Ellen Batzel(‘s advocaat) tegen mij te gebruiken. Die meneer Cremers moest wel over middelen beschikken, want hoe zou hij anders in staat zijn gebruik te maken van zo’n gerenommeerd advocatenkantoor.

Degenen die meer, alles, willen weten over de juridische kanten kunnen zat informatie vinden op het internet.

Ik hou het wat de juridische kant betreft bij:  “In this defamation suit, the Ninth Circuit Court of Appeals holds that the operator of a listserv and website is a user of interactive computer services entitled to the protections of the Communications Decency Act (“CDA”) against liability arising out of his publication of information provided by another information provider.  Because, however, the author of the information at issue claimed he did not mean for the defendant operator of the listserv to publish it, the Ninth Circuit remanded the case to the District Court for a determination as to whether the listserv operator was entitled to immunity under the CDA in this particular case.  Such immunity should be granted, held the Ninth Circuit, if the information in question was provided to the listserv operator by a third party under circumstances in which a reasonable person would conclude that the third party provided the information for publication on the Internet.  The Ninth Circuit accordingly vacated so much of the District Court’s decision which denied defendant’s motion to dismiss this defamation action under California’s Anti-SLAPP statute, which motion was to be reconsidered on remand.  The Ninth Circuit also affirmed the District Court’s rejection of plaintiff’s defamation claims against Mosler, which were predicated solely on its placement of ads on the website at issue.”

Mevrouw Batzel heeft haar gretige behoefte aan een immense schadevergoeding niet bevredigd gekregen.

Het antwoord op de vraag of haar schade uiteindelijk groter was dan de mijne houdt ik privé.

Ton Cremers

 

 

 

 

1 comment for “Herinneringen van een museumbeveiliger – smaad en laster en Ellen Batzel

Leave a Reply

%d bloggers like this: