Museum Security Network

FAIR TRADE – AFSCHEIDSSPEECH STEPH SCHOLTEN RMO – 29 JANUARI 2009

Goedemiddag collega’s, vrienden. Ik voel me gevleid dat jullie allemaal de moeite hebben genomen om mij te komen uitzwaaien. Dank daarvoor. Het is wel een samenzijn, dat ik zelf met gemengde gevoelens beleef. Want de schaduwzijde van een nieuwe, interessante baan is dat je een andere organisatie verlaat. En in deze organisatie werk ik nu al bijna 7 bepaald niet kalme jaren. In zo’n periode groeit je verbondenheid met de collecties, met de plek en vooral met de mensen die er werken. Mensen die het mij en elkaar lang misschien niet altijd even makkelijk gemaakt hebben, maar waarmee we uiteindelijk een museum gemaakt hebben dat ik met een gerust hart achter durf te laten. Natuurlijk is er nog veel te doen, maar dat zal altijd zo blijven. Voor mij is het nu een natuurlijk moment om verder te gaan.

Had u me 7 jaar geleden gevraagd waar ik mijn afscheidsspeech, dit verhaal dus, over zou houden, ik had niet kunnen voorspellen waar het over zou gaan. Onderwerpen als ethiek en wetenschap had ik waarschijnlijk niet op mijn lijstje gezet. En ik had al helemaal niet durven voorspellen dat dat in een Tempelzaal zou zijn die gevuld is met Irakese en Nederlandse moderne kunst. Dat laat zien dat ikzelf én het RMO sterk veranderd zijn in de afgelopen jaren.
Toen ik met Wim Weijland sprak over hoe dit afscheid eruit zou moeten zien, zei hij meteen dat het a) inhoudelijk moest zijn, b) dat ik er zelf een serieus verhaal moest houden en c) dat dat in ieder geval ook over wetenschappelijke samenwerking en ethiek moest gaan. Mocht u alleen gerekend op de inname van geestversterkende middelen en klachten hebben over de inhoud van het programma en had u kunt u uw beklag doen bij de directeur van deze instelling .

In de afgelopen periode had ik sporadisch even tijd om na te denken over verleden en toekomst. Er waren een paar onderwerpen die ik van belang vind om aan de orde te stellen: bijvoorbeeld de samenwerking met de universiteit Leiden, de verantwoordelijkheid die internationale archeologische projecten met zich meebrengen en de ethiek van de internationale handel in kunst en oudheden. Maar ik zocht een gemeenschappelijke invalshoek voor deze op het oog verschillende onderwerpen.
Toen ik tot mijn teleurstelling hoorde dat de Eerste Kamer in december besloten had om het wetsvoorstel voor de invoering van de Unesco conventie 1970 aan te houden en dat dit wetsontwerp mogelijk van tafel gaat, vond ik mijn gemeenschappelijke noemer voor dit verhaal: FAIR TRADE, eerlijke ruil . Voor alle zekerheid: deze nieuwe wet beoogt om onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen te voorkomen en te bestrijden.

Ik begin dan toch maar even met het perspectief verschuivende beeld dat ik mij in de afgelopen jaren geregeld voor de geest heb gehaald: een archeologische opgraving van de grafheuvels op de Hilversumse hei door een groep archeologen uit –laten we zeggen- China, maar het mag van mij ook Zambia of El Salvador zijn, die, met hulp van lokaal ingehuurde arbeid , kennis over het verleden aan onze bodem proberen te ontfutselen. Die hun bevindingen en misschien wel sommige vondsten vervolgens meenemen naar hun thuisland en daar –al dan niet na zeer lange tijd- in het Chinees of Russisch over publiceren in meer of minder obscure tijdschriften of in kostbare boeken waar een bibliotheek als bijvoorbeeld die van het RMO alleen maar van kan dromen…… Zouden wij dat een eerlijke ruil vinden? Ik denk van niet en toch is dat lang de praktijk van de internationale archeologie geweest en is dat in sommige gevallen nog. En dat we het eigenlijk vaak niet raar vinden, als wij –en dan bedoel ik wij Westerlingen- zo handelen, zegt iets over ons wereldbeeld. Ik vind overigens dat het RMO het als opgravende instantie behoorlijk goed doet: we gaan goed om met de lokale erfgoedinstanties, we pompen geld in de economie, we publiceren relatief veel en snel en we zorgen goed voor onze sites. Met name de site in Sakkara is in de afgelopen jaren uitstekend geconserveerd . Maar dat neemt niet weg dat we het ook raar zouden vinden als buitenlanders netjes bij ons zouden opgraven.

Ik had een tijdje geleden nog zo’n ‘aha-erlebnis’ toen ik een aantal stukken van de Ghanese intellectueel Kwame Opuku op de Museum Security List, de e-mail nieuwsdienst van Ton Cremers , las. Opuku stelt vragen bij de spelregels die vooral Westerse landen hebben opgesteld ten aanzien van legaliteit en illegaliteit van archeologische objecten buiten hun land van herkomst. Het Unescoverdrag uit 1970 dat ik al eerder noemde, wordt steeds vaker gehanteerd als een soort waterscheiding: erfgoed dat voor die datum uit zijn context verdwenen is legaal, daarna is het verboden. Opuku betoogt dat het toch eigenlijk bizar is dat degenen die het meeste erfgoed gestolen hebben, de regels aangaande rechtmatigheid daarvan opstellen. Hij gebruikt vaak het voorbeeld van de zgn. Benin bronzes, bronzen beelden uit Benin , die een eeuw geleden door Engelse koloniale strafexpedities met veel geweld van de bevolking van Benin gestolen zijn, en wel in zo’n omvang dat deze beeldbepalende elementen van hun cultuur in belangrijke mate verdwenen zijn uit hun eigen land. Verliezen de Beninezen, Beniners? het recht op deze voorwerpen omdat degenen die ze gejat hebben regels hebben opgesteld die het bezit legaliseren? Is dat een eerlijke ruil?
Het gaat mij er niet om of ik het wel of niet met Opuku eens ben, maar ik vind zijn vragen wel valide. Is het eigenlijk niet een beetje of een beetje boel arrogant om eenzijdig te verklaren dat je van het “universal heritage” bent, zoals ons eigen Rijksmuseum samen met b.v. het British Museum, het Louvre, The Metropolitan en nog zo’n clubje “haves” gedaan heeft om daar vervolgens de conclusie uit te trekken dat je er “for the benefit of mankind’ bent en je dus eigenlijk nooit iets hoeft terug te geven aan wie dan ook? En hoewel ik eigenlijk ook vindt dat de geschiedenis de geschiedenis is en dat je die niet kunt of moeten willen terugdraaien, vraag ik me af en toe af of ik dat ook zou vinden als ik een “have not” zou zijn. We wachten immers nog altijd op het eerste “Universal museum” in Togo, Tibet of Peru.
Het lijkt me principieel juist dat op zijn minst degenen waar het over gaat aan de tafels zouden moeten zitten waar besloten wordt over hun verleden. Ik kan me in ieder geval niet voorstellen dat wij het in Nederland een goed idee zouden vinden als Duitsers of Chinezen zouden bepalen op welke archeologische schatten wij recht zouden hebben. Ik vind in ieder geval wel dat een zichzelf respecterend land internationale regels over bescherming van erfgoed behoort in te voeren, ook al zijn de regels misschien niet helemaal perfect. Ik vind zelfs dat we ons in Nederland ervoor moeten schamen dat we er sinds 1970 nog niet geslaagd zijn te doen wat inmiddels 116 landen in de wereld wel hebben gedaan: het ratificeren en invoeren van het UNESCO-verdrag. Dat lijkt me wel het meest basale niveau van Fair Trade dat we zouden moeten willen nastreven. Alle prachtige juridische betogen van de Eerste Kamer ten spijt: ik kan me niet voorstellen dat ons Nederlandse rechtssysteem zo wezenlijk anders is als dat van al die 116 andere landen die er wel in geslaagd om dit verdrag in hun nationale wetgeving in te voeren.
Ik probeer me ook wel eens voor te stellen dat de wereld perfect zou zijn en vraag me dan vervolgens af hoe het in die wereld zou zitten met erfgoed? Los van het onderdrukken van een geeuw die voortkomt uit de saaiheid die ik met een perfecte wereld associeer, denk ik dat de beelden van een perfecte erfgoedwereld sterk afhankelijk zijn van je perspectief. Er zijn ongetwijfeld mensen die geloven dat in een ideale wereld alles van belang bewaard blijft en dan liefst ook nog in zijn oorspronkelijke context, zodat je eigenlijk precies kunt weten hoe het verleden, hoe onze voorgangers in elkaar zaten. Ik hoor niet tot die mensen: in de eerste plaats wil ik me niet voorstellen hoeveel spullen we dan als mensheid achter ons aan zouden slepen, maar mijn gut feeling zegt me dat we waarschijnlijk onder de last zouden bezwijken. En hoe aardig is het eigenlijk niet dat ik hier, in het hart van een Hollandse stad aan een 17e eeuwse gracht, voor een echte Egyptische tempel sta te praten? Daarbij vind ik het helemaal niet leuk om alles met zekerheid te weten. Eén van de aspecten die ik altijd spannend heb gevonden aan historische wetenschappen is dat je op basis van onvolledige informatie een beeld mag creëren van het verleden. Een beeld dat overigens vaak minstens zoveel zegt over de beeldvormer als over de werkelijkheid van dat verleden en waarover je met elkaar gepassioneerd van mening mag verschillen. Bovendien zorgt die onzekerheid ervoor dat we wetenschappers nodig hebben die kennis genereren en die als intermediair op kunnen treden tussen heden en verleden. En wetenschap is leuk –zeg ik als niet-wetenschapper- omdat het je dwingt om goed na te denken, om gedisciplineerd onderzoek te doen en tot kritische zelfreflectie: namelijk wat zegt mijn beeld van het verleden over mij en klopt dat beeld dus wel? Een gelijkwaardige ruil dus tussen ideeën en standpunten.

Ik vind het altijd fascinerend om goede wetenschappers te horen vertellen over hun bevindingen, over de manier waarop ze omgaan met de fair trade tussen feit en theorie. Zo zal de ene wetenschapper –wel correct, maar ook wel saai- zeggen dat we bijvoorbeeld niets weten over het al dan niet collectieve plasgedrag van vrouwen in de prehistorie, terwijl andere –ik noem geen namen – er geen enkele moeite mee hebben om daar in nationale media een beeld van te schetsen. Dirk van Delft, directeur van museum Boerhaave , vertelde bij zijn recente inauguratie als prof aan de universiteit alhier het verhaal van een uitvinding waaruit geconcludeerd mocht worden dat niets menselijks wetenschappers vreemd is. IJdelheid, brille, domheid, onbaatzuchtigheid: het komt allemaal voor. Behalve dat het een mooi verhaal was, illustreerde het ook hoe een andere invalshoek, in dit geval die van de verwerving en verwijdering van een voorwerp uit de vaste opstelling van museum Boerhaave, een heel nieuw soort verhaal op kan leveren over de geschiedenis van de wetenschap. En dat is precies één van die dingen die de samenwerking tussen wetenschappelijk wereld en musea zo veelbelovend maken. Wetenschappers maken de verhalen die musea beleefbaar kunnen maken, door er een veel groter en breder publiek voor te vinden dan een wetenschappelijk artikel ooit zal kunnen hebben. Musea –en zeker de Leidse musea- kunnen een etalage zijn voor de wetenschap.
Dan moeten wetenschappers overigens wel willen accepteren dat niet elke voetnoot en nuance zichtbaar kan worden in presentaties voor een niet-wetenschappelijk publiek en moeten tentoonstellingsmakers willen accepteren dat “het publiek” niet zo dom is als ze soms lijken aan te nemen en dat het misschien ook niet zo erg is als niet iedereen alles snapt. Een eerlijk ruil dus tussen inhoud en communicatie.

Eén van de interessantste dingen aan mijn 7 jaar in dit museum is dat er door de omstandigheden een grote diversiteit aan strategieën, visies en ideeën over het optimale functioneren van musea en van het RMO in het bijzonder, de revue zijn gepasseerd. Die hebben mij geholpen om mijn ideeën over musea te ontwikkelen. Toen ik in 2002 bij het RMO kwam, kreeg ik soms het idee dat wetenschap eigenlijk een niet gewenste museale activiteit gevonden werd of sterker nog, dat wetenschap een hinderpaal was bij het bereiken van een groot publiek. Deze strategie was een behoorlijk succes: in aantallen bezoekers en bijvoorbeeld ook de nominatie voor Museum of the Year in 2003 . Maar financieel bleek deze strategie voor het RMO onhaalbaar en geld is helaas een noodzakelijk kwaad.
Daarna volgde een periode waarin we om financiële redenen heel weinig konden veroorloven. Dat had ook positieve kanten omdat er veel tijd en aandacht besteed kon worden aan het werk achter de schermen, maar het had ook weer zo zijn beperkingen: je moet als 21ste eeuws museum nu eenmaal geregeld nieuwe dingen bieden, communicatiemomenten creëren die ervoor zorgen dat je als museum goed in het hoofd van je potentiële bezoekers zit. En bovendien moet je het instrumentarium –de marketing en PR- om in het hoofd van je publiek te komen goed gebruiken, waarin het RMO overigens steeds opnieuw goed in lijkt te slagen.
In de meer recente jaren hebben we creatief gebruik gemaakt van de beperking dat we ons financieel geen grote risico’s konden veroorloven, maar toch wel de ergste crisis te boven waren gekomen. Onder Wim’s leiding is een waar spervuur aan activiteiten ontwikkeld: en ook dat werkt en het levert vergelijkbare bezoekersaantallen op als in de eerste periode. Waarschijnlijk is voor het RMO een fysiek publieksbereik van 100 à 125.000 bezoekers dan ook een reëel bereik. Het is ook het gemiddelde van de afgelopen 20 jaar, ongeacht de strategie die gevolgd werd. En natuurlijk kun je op je hoofd gaan staan en er proberen er 150.000 van te maken. Maar ik vraag me oprecht af wat daarvan de werkelijke betekenis is. Ik vraag me bijvoorbeeld af hoeveel bezoek het Drents Museum gehad heeft sinds de terracotta Chinezen daar vertrokken zijn. Ik weet het oprecht niet en- begrijp me goed: ik gun onze collega’s het succes zeer, fantastisch gedaan- maar ik ben bang dat ze hun bezoek voor de komende twee jaar gekannibaliseerd hebben. Ik weet niet of ik dat een verstandige ruil tussen de korte en de langere termijn vind.

Ik denk daarbij sowieso dat het verstandig is om een optimum te zoeken tussen inspanning, qua geld en qua organisatiebelasting, en publieksbereik. Musea gaan immers over veel meer dan alleen aantallen bezoekers die fysiek over de drempel van het museumgebouw komen. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen of je met iets minder activiteiten, die je nog wat beter uit probeert te nutten, niet tijd en energie over kunt houden om nieuwe wegen te bewandelen om publiek aan je te binden.

Volgens mij is het voor musea interessanter om te proberen om alternatieve communicatie met je bezoekers, vooral via je digitale of multimediale kant te ontwikkelen. In dat opzicht hebben we in het RMO wel wat stappen gezet in de afgelopen jaren. Hoogtepuntje was bijvoorbeeld dat onze nieuwe website vorige week bekroond werd door het Historisch Nieuwsblad, als beste historische website! Maar we zijn nog niet veel verder gekomen in de ontwikkeling van digitale toepassingen die op een werkelijk betekenisvol niveau communicatie met publieksgroepen mogelijk maken. Dat komt m.i. ook doordat publieksactiviteiten als tentoonstellingen zoveel energie en aandacht vragen dat er als vanzelf minder overblijft voor het ontwikkelen van nieuwe strategieën die ook op de langere termijn het bestaansrecht van musea bewijzen. Een verstandige uitruil tussen traditionele en nieuwe middelen van publiekbenadering lijkt me van belang.
Ook op andere museale taakgebieden is er steeds een eerlijk en verstandig evenwicht nodig. Toen ik hier in 2002 begon, was het RMO nog betrekkelijk voorzichtig bezig met de professionalisering van de fysieke en administratieve zorg voor de collectie. Nu vorige maand eindelijk ook ons nieuwe depot in de Raamsteeg is opgeleverd , hebben we eindelijk de beschikking over een geheel aan deugdelijke depotvoorzieningen. Ook is het cluster collectiezorg, zoals ik dat ben gaan noemen, sinds 1 januari op een sterkte die beter past bij de omvang en het belang van de collecties en het activiteitenpakket. En we zijn bijna zover dat we de inhoudelijke informatierijkdom van ons collectieregistratiesysteem via internet ook met de wereld gaan delen. Er valt natuurlijk nog veel te doen, nog lang niet alles is af, maar ik ben er trots op wat we met en klein clubje gemotiveerde collectiezorgers bereikt hebben.

Dan de ethiek. Toen ik begon had ik me volstrekt niet gerealiseerd dat we in de dagelijkse praktijk zo vaak tegen issues zouden aanlopen: oorlogskunstcollecties , omstreden tentoonstellingen, metaaldetectie, al dan niet illegaal verhandelde kurassen, gestolen en valse voorwerpen, restauratie-ethiek, zorgvuldige omgang met menselijke resten, enzovoort, enzovoort.
In tegenstelling tot wat sommige denken, zijn deze onderwerpen niet mijn hobby en heb ik weinig natuurlijke neiging tot moraalridderij. Maar het zijn eenvoudigweg onderwerpen waarmee je te maken krijgt en waarmee je moet dealen. Je kunt wel de andere kant op willen kijken, maar dan word je vanzelf ingehaald door anderen die voor jou de agenda gaan bepalen. En als je er dan toch mee aan de slag moet kun je net zo goed het initiatief bij jezelf houden, zoals we in het project Verboden te verzamelen? hebben gedaan en met de recente launch van de website museumethiek.nl . Deze projecten zijn voor mij het bewijs dat je niet alleen ingewikkelde of controversiële dingen gewoon op moet pakken, maar ook dat je er inhoudelijk en voor je publiek spannende dingen mee kan doen.

Ik ben daarnaast enorm blij dat we in Leiden, met de musea en de universiteit, een mooie vorm gevonden lijken te hebben om het academische onderwijs en debat op dit gebied serieus op te pakken: met de nieuwe masteropleiding Museums Collections and Cultural Politics. Een echte samenwerking en een eerlijke ruil. Ik wil hier mijn Leidse collega’s, in de musea en bij universiteit van harte bedanken voor de warme en stimulerende samenwerking.

Als ik dit allemaal zo loop te vertellen, vraag ik me af waarom ik eigenlijk wegga. Dit zijn tenslotte allemaal zaken die ik bij het RMO heb kunnen en mogen ontwikkelen. En dat is ook wel iets waar ik dankbaar voor ben. Tegelijkertijd heb ik, hebben we er verdomd hard voor gewerkt en is er dus misschien ook hier sprake van een eerlijke ruil tussen inzet en opbrengst.

Zal het in Amsterdam bij de Universiteit leuker voor me zijn dan in Leiden? Ja en nee. Soms wel en soms vast ook niet. Het is een geweldige kans voor mij om op een fantastische plek met een nieuwe erfgoedorganisatie met prachtige collecties en met een enorme potentie aan de slag te gaan. En ook daar zie ik dat er enorm gedreven mensen werken met liefde voor erfgoed en een passie voor hun vak. Ik heb er erg veel zin in om volgende week te beginnen. En af en toe zal het vast ook gewoon op werk lijken. Of het voor mij een eerlijke ruil zal blijken? Ik zal het jullie laten weten!

Tot slot. Wat wij hier samen hebben opgebouwd kan niemand ons meer afnemen. Ik hou mezelf nog een beetje voor de gek door te denken dat ik nog eigenlijk niet echt weg ben. Morgen kom ik nog opruimen en daarna mag ik mijn opvolger nog inwerken en daarna doen we vast nog allerlei projecten samen en ik kom natuurlijk op alle feestjes en en en..
Ja, mijn opvolger. Ik ben blij dat het RMO zo’n goede, ervaren en verstandige museumman als Pieter ter Keurs heeft kunnen vinden voor mijn plek. Dat maakt dat ik met een nog geruster hart in Amsterdam zal beginnen. Ik zie er naar uit om Pieter wegwijs te maken en gun de afdeling Collecties zo’n nieuwe baas.

Ik wil tot slot alle collega’s van de afdeling Collecties en van het RMO enorm bedanken voor de afgelopen jaren . Jullie zijn een deel van mijn leven geworden. Het ga jullie goed en we zien elkaar hopelijk nog vaak terug!

Met vriendelijke groet,

drs. S(teph) C. Scholten
hoofd Collecties/head of Collections dpt.
Rijksmuseum van Oudheden/National Museum of Antiquities

Postbus/P.O. Box 11114
2301 EC Leiden
The Netherlands
+31-(0)71-5163130
+31-(0)6-54321367
www.rmo.nl

aanvullend:

Steph Scholten nieuwe directeur Divisie Erfgoed
Gepubliceerd op 18 november 2008

Per 1 februari 2009 wordt drs. Steph Scholten (1961), momenteel nog hoofd Collecties en plaatsvervangend directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, directeur van de Divisie Erfgoed van de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Scholten volgt Judith Belinfante op, die eind 2008 haar functie neerlegde wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

De Divisie Erfgoed is eerder dit jaar gevormd door samenvoeging van de afdelingen Bijzondere Collecties UB, Universiteitsmuseum en Allard Pierson Museum. Al deze eenheden maakten al deel uit van de UB, waarin ook de nieuwe divisie blijft ressorteren. De divisie is direct of indirect verantwoordelijk voor alle materialen en collecties die als deel van het universitaire erfgoed kunnen worden beschouwd. Die lopen uiteen van de oude drukken van de UB en de archeologische collecties van het APM tot de archieven van Amsterdamse Studentendisputen, het Computermuseum en de decentrale collecties.

Steph Scholten is al zo’n 20 jaar werkzaam in de culturele sector. Begin jaren ‘90 was hij betrokken bij het befaamde Deltaplan voor Cultuurbehoud, waarbij de Nederlandse Overheid maar liefst 40 miljoen gulden beschikbaar stelde voor conservering van ons nationale erfgoed. Dit resulteerde onder meer in Scholtens lidmaatschap van de projectorganisatie Metamorfoze. Ook stond hij aan de wieg van het rapport Om het Academisch Erfgoed en daarmee van de Stichting Academisch Erfgoed, waarvan de UvA een van de oprichters is.

Later werkte Scholten bij Instituut Collectie Nederland, eerst als beleidsadviseur, later als hoofd van de afdeling Conserveringsonderzoek.

De UvA is bijzonder verheugd dat zij Steph Scholten voor deze uitdagende functie kan benoemen. De nieuwe huisvesting van de Bibliotheek Bijzondere Collecties aan de Oude Turfmarkt en de integratie van alle erfgoedcollecties binnen één organisatie maken een nieuwe oriëntatie mogelijk en noodzakelijk. Scholtens kennis en ervaring sluiten uitstekend aan bij de diverse aspecten van de divisie. Hij zal zeker in staat zijn de vele mogelijkheden die er zijn om het UvA erfgoed ‘aan de man’ te brengen, te benutten.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.