Museum Security Network

Bezwaren tegen Unidroit-verdrag ongegrond

Bezwaren tegen Unidroit-verdrag ongegrond

D. van der Wal & E. Tijhuis

 Afgelopen zaterdag verscheen in deze krant een artikel van F. Kuitenbrouwer onder de titel ‘Gestolen kunst gedijt goed – De bezwaren tegen het Unidroit-verdrag’. In het artikel gaat de auteur in op het wereldwijde probleem van kunstroof en één van de verdragen (het Unidroit-verdrag) die het mogelijk maakt om gestolen kunst die over de landsgrenzen is geraakt, binnen 75 jaar na de diefstal terug te vorderen. Naar ons idee komen de door de auteur geschetste gevolgen van het verdrag niet overeen met de realiteit. Daarnaast kunnen vraagtekens geplaatst worden bij de juridische bezwaren die hij tegen het Unidroit-verdrag aanvoert. Het artikel begint met het bekende vraagstuk van de uit Griekenland afkomstige Elgin Marbles. Met veel woorden wordt de historische context van de verwerving hiervan door de Britten geschetst. Zelfs de grootste voorstanders van teruggave, zo schrijft de auteur, geven toe dat de wijze van verwerving in die tijd heel gewoon was. De musea wijzen de Griekse claim om de Elgin Marbles terug te krijgen dan ook categorisch af. De geschiedenis valt immers niet terug te draaien; het toegankelijk maken van grote culturele erfgoederen is belangrijker dan het honoreren van nationalistische aanspraken, aldus de musea. De indruk die met deze inleiding ten onrechte wordt gewekt is dat ratificering van het Unidroit-verdrag ertoe zou leiden dat de claim van de Grieken alsdan wel zou slagen.  De auteur gaat er echter aan voorbij dat het Unidroit-verdrag helemaal geen terugwerkende kracht heeft, hetgeen de stelling van de musea dat de geschiedenis niet valt terug te draaien overigens onderschrijft. In het kader van de rechtszekerheid is het in zijn algemeenheid trouwens algemeen aanvaard dat wetten (en verdragen) sowieso geen terugwerkende kracht hebben. Derhalve kunnen gestolen voorwerpen die hierna illegaal zijn uitgevoerd, pas onderwerp van een claim zijn als de diefstal plaatsvond na de inwerkingtreding van het verdrag. Dit voert overigens naar een ander bezwaar dat de auteur heeft tegen het Unidroit-verdrag: de omgekeerde bewijslast. De bezitter van een cultuurgoed waarvan vermoed wordt dat het gestolen is of illegaal is uitgevoerd, moet aantonen dat hij bij aankoop te goeder trouw was en dat hij bovendien voldoende onderzoek heeft ingesteld naar de herkomst van het goed. Dit is inderdaad een eis die binnen het Nederlandse rechtsstelsel niet gebruikelijk is (hier wordt namelijk de bezitter van een goed vermoed daarvan ook de eigenaar te zijn). Het is echter allerminst uniek. Op grond van een richtlijn worden gestolen of illegaal uitgevoerde cultuurgoederen binnen de Europese Unie namelijk ook beschermd als de koper te goeder trouw is. Daarbij rust op de staat die een cultuurgoed claimt overigens wel de taak om aan te tonen dat het goed daadwerkelijk gestolen of illegaal uitgevoerd is voor de inwerkingtreding van het verdrag. Dat dit in de praktijk een ondoenlijke opgave is blijkt alleen al uit het feit dat oude culturen zich niet stoorden aan de huidige staatskundige grenzen, waarbij het van veel voorwerpen ook nog eens lastig is om hard te maken dat ze uit een bepaald land komen.                         Verder meent de auteur dat de verschillende nationale wetgevingen waarmee men door ratificering van het Unidroit-verdrag te maken zou krijgen, in strijd zijn met het beginsel dat juridische verplichtingen van tevoren behoorlijk kenbaar moeten zijn. Dit argument is om verschillende redenen erg twijfelachtig. Ten eerste omdat de nationale wetgevingen van bronlanden wel degelijk kenbaar zijn voor een betrokkene en ten tweede omdat een handelaar veelal slechts met enkele wetten te maken krijgt aangezien de meesten van hen een bepaalde regio als specialisme hebben. Als we de auteur overigens zouden volgen in zijn (impliciete) veronderstelling dat buitenlandse wetten voor ons niet kenbaar zijn, dan zou dit het absurde gevolg hebben dat het gehele internationale privaatrecht onbruikbaar wordt. Immers, juist het internationale privaatrecht stoelt op het principe dat vreemde wetgeving onder omstandigheden hier wordt toegepast.                        Naast de vermeende wirwar van nationale wetgeving brengen de verjaringstermijnen de rechtszekerheid in groot gevaar volgens de auteur. Hij wijst op de mogelijkheid dat na 75 jaar nog een restitutieclaim wordt ingediend. Volgens Kuitenbrouwer maakt voormelde termijn de verdediging tegen een claim welhaast onmogelijk. De termijn van 75 jaar is echter allerminst een automatisme. De algemene regel is dat een claim ingediend moet worden binnen drie jaar nadat de oorspronkelijke eigenaar weet waar het voorwerp zich bevindt en wie de bezitter is en in ieder geval binnen vijftig jaar na de diefstal. Met name de regel van drie jaar is vergelijkbaar met de situatie van gestolen kunst in het Angelsaksische recht. Dat dit de kunsthandel niet in gevaar brengt blijkt wel uit het feit dat Londen en New York nog altijd de belangrijkste centra zijn van de wereldwijde kunsthandel.                        Tenslotte stelt de auteur dat Nederland beter zou kunnen toetreden tot het UNESCO-verdrag uit 1970 dan – zoals nu schijnt te gebeuren – krampachtig vast te houden aan het Unidroit-verdrag. Op grond van de ervaringen met het UNESCO-verdrag lijkt ons deze conclusie echter niet echt voor de hand te liggen. Hoewel in de periode sinds 1970 een groot aantal landen toegetreden is tot het verdrag, heeft dit niet geleid tot een afname van de illegale handel in cultuurgoederen. Integendeel, voormelde handel is onverminderd groeiende en van het UNESCO-verdrag gaat weinig preventieve werking uit. Toetreding tot dit verdrag lijkt dan ook allerminst een wondermiddel tegen de illegale handel.  Het Unidroit-verdrag daarentegen is weliswaar een zwaarder middel maar levert in de praktijk niet de problemen op zoals Kuitenbrouwer die voorziet. Het bezwaar van het Unidroit-verdrag is dan ook veeleer dat het niet het zaligmakende medicijn is tegen de illegale handel in cultuurgoederen. Als aanvulling op effectieve maatregelen op nationaal niveau kan het verdrag echter weldegelijk een passend sluitstuk zijn. Verder valt uit de stroperige behandeling van de ratificatie van het Unidroit-verdrag niet in te zien dat Nederland krampachtig vast zou houden aan het verdrag. Gezien de acht jaren die verstreken zijn sinds ondertekening lijkt het er juist op dat sprake is van het tegendeel aangezien de ratificatie ervan om onduidelijke redenen krampachtig wordt tegengehouden. Een onverkwikkelijke gang van zaken en een gemiste kans voor de bescherming van zowel Nederlandse als buitenlandse cultuurgoederen.  E. Tijhuis is verbonden aan het Nederlandse Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving D. van der Wal is advocaat te Amsterdam 

Leave a Reply

%d bloggers like this: