Na de zelfmoordduikvlucht door een Duitse copiloot werd gesuggereerd te verplichten dat altijd twee personen in de cockpit van een vliegtuig aanwezig zijn.

Dus, zodra een van de twee piloten voor toiletbezoek de cockpit verlaat, moet zijn plaats worden ingenomen door een van de cabinepersoneelsleden om te voorkomen dat de achterblijvende piloot de cockpitdeur blokkeert en terugkeer van zijn collega belemmert.

Is dat De oplossing om suïcidale piloten te weerhouden van een moordsuïcide? Nee, want DE oplossing bestaat niet bij beveiligingsproblemen.

Na de suggestie voortaan altijd met twee personen in de cockpit te zijn, haalden Duitse piloten dit alleszins redelijke voorstel onderuit met commentaar als: “Wanneer een piloot de fout in wil, kan dat altijd en kan hij het toestel zo snel laten dalen dat tijdelijk in de cockpit aanwezig cabinepersoneel tegen het plafond gedrukt wordt (De Volkskrant 30 maart 2015).

De piloten die het voorstel over de tijdelijke bezetting van de cockpit van tafel veegden, kwamen naar mijn weten niet met voorstellen hoe een herhaling van een zelfmoordvlucht zoals met de Airbus 320 te voorkomen.

Ondanks maatregelen ter verhoging van de beveiliging en veiligheid kan het altijd nog fout gaan. Het gaat er echter om of deze maatregelen, vaak een opeenstapeling van maatregelen, de kans dat het fout gaat verminderen.

Tijdens mijn ruim 30-jarige carrière als museumbeveiliger werd ik maar al te vaak geconfronteerd met dergelijke “ja, maar…” discussies. Het is verbijsterend hoe groot de creativiteit van dwarsliggers kan zijn wanneer je beveiligingsvoorstellen doet. Die creativiteit wordt vrijwel nooit gebruikt om proactief beveiligingsproblemen te benaderen en met voorstellen te komen.

Ik herinner mij nog helder de bizarre discussie waarin ik verzeild raakte tijdens een themabijeenkomst op de Reinwardt Academie (onderdeel van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten, waar onder andere toekomstige museumwerkers worden opgeleid) naar aanleiding van een interne diefstal in het Amsterdams Stadsarchief.

Binnen de museumwereld is interne diefstal een wezenlijk probleem. Statistieken over de Nederlandse situatie zijn mij niet bekend. In de USA blijkt bij circa 50% van alle diefstallen uit musea die opgelost worden sprake te zijn van interne betrokkenheid. Een statistiek om van te schrikken. Er is geen reden aan te nemen dat de Nederlandse situatie rooskleuriger is. Er deden zich de afgelopen decennia ernstige incidenten voor waar sprake was van interne betrokkenheid bij diefstal. Vandaar die themabijeenkomst in de Reinwardt Academie.

Mijn suggestie dat maatregelen mogelijk zijn om de kans op verduistering – de juridische term voor interne diefstal – tegen te gaan werd botweg weggehoond. Ik noemde onder andere steekproefsgewijze controle van medewerkers die het gebouw verlaten – in diverse Europese landen en de USA gebruikelijk – installatie van camera’s,  toegangscontrolesystemen voor de depots, verplicht gebruik van de dienstingang en screening van medewerkers.  Een naast mij gezeten discussiedeelnemer riep luidkeels uit: “Dan stop ik desnoods een archiefstuk in mijn schoen en loop ermee naar buiten”. Pijnlijk was dat deze kreet bijval kreeg van de toenmalige directrice van de Erfgoedinspectie, een afdeling van het Ministerie van OCW die onder andere tot taak heeft toe te zien op de beveiliging van rijkscollecties.

Mocht het zo zijn dat mijn voorstellen tot resultaat hebben dat het voor museum- en archiefmedewerkers alleen nog mogelijk is collectie te stelen in de schoenen, dan is veel bereikt.

Helaas is het zo dat de mogelijkheid die resteert om in je schoenen gestolen spullen mee te nemen er toe geleid heeft dat bij geen van de geslachtofferde organisaties personeel bij vertrek gecontroleerd wordt of de verplichting alleen gebruik te maken van dienstingangen gehandhaafd wordt.

Ik kan de reactie bij een volgende verduistering en beveiligingsvoorstellen voorspellen: “ja, maar…”

Ton Cremers

 

 

March 31st, 2015

Posted In: algemeen, Columns Ton Cremers, database gestolen kunst, diefstal uit museum, Erfgoedinspectie, interne diefstal, Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Tags: , , , , , , , , , , , ,

Op https://veilig-erfgoed.nl/onderwerpen/diefstal-voorkomen-een-checklist publiceerde Veilig Erfgoed van de Rijksdienst voor het Cultureel ErfgoedDiefstal voorkomen: een checklist“.

Bij eerste beschouwing een nuttig instrument; bij nadere beschouwing roept die lijst veel vragen op.

Wat wordt er bedoeld met:

  • Zijn de waardevolle objecten beveiligd?
  • Zijn de vitrines beveiligd?
  • Is de ruimte beveiligd?
  • Is het gebouw beveiligd?
  • Is het terrein beveiligd?

Wat wordt hier bedoeld? OBE? Of alleen E? Geen idee. Bovendien: op welk niveau beveiligd? Nergens, maar dan ook nergens in de checklist (een lijst met ongeveer 20 vraagtekens) is iets te lezen over de indeling in risicoklassen. De lijst begint wel met het kopje Maak een risicoanalyse, maar geeft nergens enige richting naar risicoklassen en – dat verbaast helemaal – bestaande Nederlandse (NEN) en Europese (EN) normen op het gebied van inbraakwerendheid van gevelelementenramen, deuren, rolluiken – of inbraakwerendheid (de lijst heeft het over ‘braakwerend’) van glas. Gehannes met, en onduidelijkheid over terminologie bemoeilijkt het lezen. Gaat het steeds over beveiliging, aan het eind van de lijst is het ineens: “Doe geen uitspraken over de veiligheid”. Veiligheid? Beveiliging? Kiest u maar.

Die normen geven niet alleen de verschillende niveaus van inbraakwerendheid, -vertraging aan, maar ook de gereedschapsets en de beproevingsmethoden.

Musea kunnen niets met “Zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”, wanneer niet wordt aangegeven hoe dat niveau van inbraakwerendheid vastgesteld wordt. Kijk, dat komt ervan wanneer je je Post HTO Security Management aan de Haagse Hogeschool niet afrondt, waardoor je niet van de hoed EN de rand weet als het gaat over INCI/DETAR en PIVA/ALRE. Daar zijn die normen en classificaties van hang- en sluitwerk etc. het uitgangspunt bij.

Bij de risicoanalyse is het volgens RCE Veilig Erfgoed: “De dief zal niet geïnteresseerd zijn in de cultuurhistorische waarde, alleen in de financiële waarde. Welke objecten zijn goed verhandelbaar, welke bevatten waardevolle materialen zoals goud, zilver, koper, edelstenen? Welke objecten zijn interessant voor ‘art-jacking’ (losgeld)?”

Dat eerste is waar: dieven, met uitzondering van een man als Stephane Breitwieser, zijn niet geïnteresseerd in cultuurhistorische waarde. Dat ze zich richten op objecten die goed verhandelbaar zijn, is zeer de vraag, want zo goed verhandelbaar – zie het geklungel van de Roemenen die inbraken in De Kunsthal – zijn kostbare objecten niet.

Het is, met uitzondering van edelmetalen objecten en edelstenen, sowieso moeilijk in te schatten welke objecten voor dieven interessant zijn om te stelen. Van Goghs, Vermeers, Rembrandts, Picassos (de meest gestolen kunstenaar) zijn volgens ‘ingewijden’ niet verhandelbaar. Toch gaan die diefstallen maar door en is de grootste roof buiten oorlogstijd, 1990 in Boston, nog steeds niet opgelost. “Welke objecten zijn interessant voor ‘art jacking’ en losgeld”.

Hoe bepaal je dat? Daar had ik graag iets meer over gehoord. Geldt dat ook voor schilderijen van Jan Schoonhoven?  Als mij dat een maand geleden was gevraagd, dan had ik ontkennend geantwoord, maar sinds die inbraak in Bommel van Dam (b)lijkt het anders te liggen.

“Tralies zijn makkelijk door te zagen” aldus de RCE. Ja, zo lust ik er nog wel een paar.

In de beveiliging wordt het begrip redundancy gehanteerd. Letterlijk vertaald ‘overtolligheid’. RCE die pleit voor het aanleggen van barrieres schrijft hier dat de barriere tralies gemakkelijk te nemen is. Wel, iedere barriere is meer of minder gemakkelijk te nemen; het gaat echter om de opeenvolging van barrieres en tralies kunnen daar zeker een belangrijke rol bij vervullen. Het gaat toch om tijd winnen, want “zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”. Weerbaarheid? Oh ja: inbraakwerendheid natuurlijk.

Een particuliere alarmcentrale die aan komt rijden? Ik zie het al voor mij. Waarschijnlijk wordt hier bedoeld de particuliere alarmopvolger.

“Is het terrein goed omsloten? Struiken met stekels kunnen een goede afwering zijn”. Dat kan wel zo zijn, maar het merendeel van de musea hebben helemaal geen terrein om het gebouw. Tralies zijn gemakkelijk door te zagen, maar struiken met stekels zijn ‘een goede afwering’…?

“Hoe eerder de dief gedetecteerd wordt, des te meer tijd heeft u om hem af te schrikken”. Doordenkertje? Afschrikken?

“Ook barrières op de vluchtweg zorgen voor vertraging. Vertraging op de sturing van nooddeuren is onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar bij de brandweer.”.

Onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar? Waarschijnlijk wordt hier bedoeld: “Indien aan bepaalde condities voldaan wordt, dan gaat de brandweer akkoord”. Ik kan mij niet voorstellen dat de brandweer alleen onder bepaalde omstandigheden in gesprek wil gaan.

Welke zijn die condities:

Om te beginnen is dit alleen relevant tijdens openingsuren en is vertraging op nooddeuren alleen toegestaan wanneer er tijdens die openingsuren een permanent bemenste post is (niet veel musea kunnen zich dat veroorloven). De brandweer wenst: permanente observatie van de betreffende deuren bv via cameratoezicht, indicatie dat de deur vertraagt opent (meestal niet meer dan 30 seconden; criminelen kunnen tijdens hun verkenning die informatie zien), dat vanaf die permanent bemenste post de deur zonder vertraging geopend kan worden (of geblokkeerd indien gewenst), en dat die deur wanneer niet ingegrepen wordt na 30 seconden opent. Buiten openingstijden van het museum heeft die vertraging geen zin. Bovendien: het hele systeem werkt alleen bij een brandalarm en om dat te veroorzaken moet je al binnen zijn. De beste oplossing: bij sluiten van het museum ook alle nooddeuren afsluiten met een slot conform de gewenste risicoklasse. Ik hoor vaak zeggen dat dat niet zou mogen omdat ook een inbreker veilig moet kunnen vluchten. Er is geen enkele regel die dat voorschrijft. Sterker nog: bij het PKVW wordt zelfs gesproken over beveiliging tegen uitbreken (door insluipers).
Op organisatorisch/technisch niveau kan een maatregel getroffen worden om er voor te zorgen dat aan het begin van de dag werkelijk alle nooddeuren weer van het slot gaan. Er is in Nederland een praktijkvoorbeeld in een museum – misschien zijn er meer – waar bij het afsluiten van de nooddeuren bij de kaartverkoopbalie een zoemer af gaat. Die zoemer blijft gaan totdat alle nooddeuren weer ontsloten zijn.

“De kans is groot dat een inbraak voorbereid wordt tijdens een of meerdere bezoeken. Let daarom op het gedrag van uw bezoekers. Als u afwijkend gedrag constateert, bespreek dit binnen uw organisatie.” Een nadere omschrijving van ‘afwijkend gedrag’, momenteel een commercieel heel goed aangestuurde hype in museumland, ware welkom. Vaagheden helpen niet.

“Kijk of er eventuele voorbereidingen voor een inbraak gemaakt zijn. Een voorbeeld zijn streepjes die met stift op de vensterbank gezet zijn om aan te geven op welke hoogte het rolluik doorgezaagd moest worden”… Op de vensterbank aan de binnen- of aan de buitenzijde? Als het goed is zijn rolluiken aan de binnenzijde aangebracht – dat weet de eerste de beste detailhandel op de hoek van de straat al – en om die rolluiken door te zagen zal je eerst door het raam met inbraaksignalering moeten. Heeft hier de RCE de klok horen luiden, maar…?

“Wees alert op interne diefstal”. In de hele checklist, is dit de enige opmerking over wat misschien wel de grootste dreiging is voor collecties. Misschien, want precies weten we het niet.

Interessant is dat Hanna Pennock van Veilig Erfgoed van RCE, tijdens een Erfgoedarena over verduistering op 16 maart 2011 als panellid verklaarde dat 82% van diefstallen uit musea interne betrokkenheid heeft.

Dat moet gecorrigeerd worden: het gaat om gegevens uit de USA en betreft diefstallen uit musea die opgelost zijn.

Misschien is interne diefstal gemakkelijker op te lossen omdat het dader potentieel beperkt is. Statistieken zijn een prachtig hulpmiddel om argumenten kracht bij te zetten, maar ook om te mystificeren. We horen steeds weer dat er sprake zou zijn van ruim 80% verduistering bij diefstallen uit musea die opgelost zijn, maar kennen geen absolute cijfers, dus dat percentage is onbruikbaar. Het maakt namelijk uit of het gaat over 4 van 5 of 80 van 100.

Zo kan ik ook een imponerende statistiek maken. Tussen oktober 2012 en februari 2013 – in vijf maanden tijd – werd in een aantal Nederlandse musea ingebroken. Veertig (!) procent van die musea betrof verzelfstandigde Rijksmusea die onder toezicht staan, ook voor wat betreft hun veiligheidszorg, door de Erfgoedinspectie (=OCW) en dat terwijl het Kenniscentrum Veiligheidszorg Cultureel Erfgoed (KVCE, gefinancierd door OCW) al zeven jaar bestaat/bestond en die verzelfstandigde Rijksmusea aan de bron staan van informatie over veiligheidszorg. Cijfers en feiten….

Laten we er van uit gaan dat verduistering een ‘substantieel’ probleem is. Hoe komt het dan dat dit substantiële beveiligingsprobleem in deze checklist niet verder aan bod komt dan “Wees alert op interne diefstal” en helemaal niet mogelijke maatregelen ‘gecheckt’ worden?

Te denken valt aan: steekproefsgewijze visitatie van personeel, screenen van personeel, CCTV, toegangcontrolesysteem depots, ad random controle volgens registratie aanwezige objecten, beperking ‘killen’ objecten uit digitale registratie, autorisatie toegang tot collectieregistratie, verplicht gebruik van dienstingang, deontologische code.

Niets van dat al in de “Diefstal voorkomen: een checklist”. Wel gezeur over gemakkelijk door te zagen tralies, maar slechts een zijdelingse, niet nader uitgewerkte opmerking over wat gezien wordt als een wezenlijk beveiligingsprobleem.

Komt dat misschien omdat we in het museumwereldje allemaal verduistering wel zien als een wezenlijk probleem, maar het niet aan durven dit probleem op te lossen? Dat bleek niet alleen tijdens die Erfgoedarena, waar men een beveiligingsprobleem alleen maar via integriteit trajecten wilde aanpakken, maar later ook tijdens discussies over dit onderwerp op een Liber conferentie in de Koninklijke Bibliotheek.

De RCE checklist schiet op het onderdeel verduistering (interne diefstal) pijnlijk tekort.

“Dit houdt in dat ook alle collega’s inclusief de directeur van de Plaats Delict weg blijven tot de politie klaar is met het onderzoek”.

Inclusief de directeur? Gossie, het is me wat. Is dit gebaseerd op problemen uit het verleden, of is het slechts bladvulling?

  • Doe meteen aangifte bij de politie.
  • Als het een bruikleen betreft: breng bruikleengevers onmiddellijk op de hoogte.
  • Als de objecten verzekerd zijn: breng de verzekeraar onmiddellijk op de hoogte.

Meteen, onmiddellijk, onmiddellijk…..daadkrachtig!

“Bereid u goed voor op de woordvoering: wijs één woordvoerder aan en formuleer de boodschap in overleg met de politie.” Helemaal mee eens; ik zal de neiging onderdrukken grapjes te maken over geavanceerde en state-of-the-art beveiliging en in de publiciteit liegende en falende directeuren. Mijn advies: die directeuren niet alleen weghouden bij het Plaats Delict (waarom moet dat met hoofdletters) maar ook bij microfoons en camera’s.

Mankeert er dan niets aan die RCE / Veilig Erfgoed checklist? Natuurlijk wel. Petje af zelfs, maar helaas op enkele onderdelen ook snel weer op gezet. Je vraagt je af hoe zo’n lijst tot stand gekomen is – wie werkten hier aan mee – omdat vaagheden vermeden hadden kunnen worden door bestaande normen op het gebied van beveiliging en inbraakwerendheid als uitgangspunt te nemen. De checklist was dan heel wat concreter geweest.

Hoe het komt dat interne diefstal – zijn we het Legermuseum Delft en het Stadsarchief Amsterdam zo snel vergeten – er zo bekaaid vanaf komt is een raadsel.

Blijkbaar wordt er alleen uitgegaan van dreigingen van buitenaf en wordt de kop in het zand gestoken voor de ‘enemy from within’…

++wordt vervolgd++

 

Ton Cremers

toncremers@museum-security.org

+316 242246 20

 

 

April 12th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Op https://veilig-erfgoed.nl/onderwerpen/diefstal-voorkomen-een-checklist publiceerde Veilig Erfgoed van de Rijksdienst voor het Cultureel ErfgoedDiefstal voorkomen: een checklist“.

Bij eerste beschouwing een nuttig instrument; bij nadere beschouwing roept die lijst veel vragen op.

Wat wordt er bedoeld met:

  • Zijn de waardevolle objecten beveiligd?
  • Zijn de vitrines beveiligd?
  • Is de ruimte beveiligd?
  • Is het gebouw beveiligd?
  • Is het terrein beveiligd?

Wat wordt hier bedoeld? OBE? Of alleen E? Geen idee. Bovendien: op welk niveau beveiligd? Nergens, maar dan ook nergens in de checklist (een lijst met ongeveer 20 vraagtekens) is iets te lezen over de indeling in risicoklassen. De lijst begint wel met het kopje Maak een risicoanalyse, maar geeft nergens enige richting naar risicoklassen en – dat verbaast helemaal – bestaande Nederlandse (NEN) en Europese (EN) normen op het gebied van inbraakwerendheid van gevelelementenramen, deuren, rolluiken – of inbraakwerendheid (de lijst heeft het over ‘braakwerend’) van glas. Gehannes met, en onduidelijkheid over terminologie bemoeilijkt het lezen. Gaat het steeds over beveiliging, aan het eind van de lijst is het ineens: “Doe geen uitspraken over de veiligheid”. Veiligheid? Beveiliging? Kiest u maar.

Die normen geven niet alleen de verschillende niveaus van inbraakwerendheid, -vertraging aan, maar ook de gereedschapsets en de beproevingsmethoden.

Musea kunnen niets met “Zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”, wanneer niet wordt aangegeven hoe dat niveau van inbraakwerendheid vastgesteld wordt. Kijk, dat komt ervan wanneer je je Post HTO Security Management aan de Haagse Hogeschool niet afrondt, waardoor je niet van de hoed EN de rand weet als het gaat over INCI/DETAR en PIVA/ALRE. Daar zijn die normen en classificaties van hang- en sluitwerk etc. het uitgangspunt bij.

Bij de risicoanalyse is het volgens RCE Veilig Erfgoed: “De dief zal niet geïnteresseerd zijn in de cultuurhistorische waarde, alleen in de financiële waarde. Welke objecten zijn goed verhandelbaar, welke bevatten waardevolle materialen zoals goud, zilver, koper, edelstenen? Welke objecten zijn interessant voor ‘art-jacking’ (losgeld)?”

Dat eerste is waar: dieven, met uitzondering van een man als Stephane Breitwieser, zijn niet geïnteresseerd in cultuurhistorische waarde. Dat ze zich richten op objecten die goed verhandelbaar zijn, is zeer de vraag, want zo goed verhandelbaar – zie het geklungel van de Roemenen die inbraken in De Kunsthal – zijn kostbare objecten niet.

Het is, met uitzondering van edelmetalen objecten en edelstenen, sowieso moeilijk in te schatten welke objecten voor dieven interessant zijn om te stelen. Van Goghs, Vermeers, Rembrandts, Picassos (de meest gestolen kunstenaar) zijn volgens ‘ingewijden’ niet verhandelbaar. Toch gaan die diefstallen maar door en is de grootste roof buiten oorlogstijd, 1990 in Boston, nog steeds niet opgelost. “Welke objecten zijn interessant voor ‘art jacking’ en losgeld”.

Hoe bepaal je dat? Daar had ik graag iets meer over gehoord. Geldt dat ook voor schilderijen van Jan Schoonhoven?  Als mij dat een maand geleden was gevraagd, dan had ik ontkennend geantwoord, maar sinds die inbraak in Bommel van Dam (b)lijkt het anders te liggen.

“Tralies zijn makkelijk door te zagen” aldus de RCE. Ja, zo lust ik er nog wel een paar.

In de beveiliging wordt het begrip redundancy gehanteerd. Letterlijk vertaald ‘overtolligheid’. RCE die pleit voor het aanleggen van barrieres schrijft hier dat de barriere tralies gemakkelijk te nemen is. Wel, iedere barriere is meer of minder gemakkelijk te nemen; het gaat echter om de opeenvolging van barrieres en tralies kunnen daar zeker een belangrijke rol bij vervullen. Het gaat toch om tijd winnen, want “zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”. Weerbaarheid? Oh ja: inbraakwerendheid natuurlijk.

Een particuliere alarmcentrale die aan komt rijden? Ik zie het al voor mij. Waarschijnlijk wordt hier bedoeld de particuliere alarmopvolger.

“Is het terrein goed omsloten? Struiken met stekels kunnen een goede afwering zijn”. Dat kan wel zo zijn, maar het merendeel van de musea hebben helemaal geen terrein om het gebouw. Tralies zijn gemakkelijk door te zagen, maar struiken met stekels zijn ‘een goede afwering’…?

“Hoe eerder de dief gedetecteerd wordt, des te meer tijd heeft u om hem af te schrikken”. Doordenkertje? Afschrikken?

“Ook barrières op de vluchtweg zorgen voor vertraging. Vertraging op de sturing van nooddeuren is onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar bij de brandweer.”.

Onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar? Waarschijnlijk wordt hier bedoeld: “Indien aan bepaalde condities voldaan wordt, dan gaat de brandweer akkoord”. Ik kan mij niet voorstellen dat de brandweer alleen onder bepaalde omstandigheden in gesprek wil gaan.

Welke zijn die condities:

Om te beginnen is dit alleen relevant tijdens openingsuren en is vertraging op nooddeuren alleen toegestaan wanneer er tijdens die openingsuren een permanent bemenste post is (niet veel musea kunnen zich dat veroorloven). De brandweer wenst: permanente observatie van de betreffende deuren bv via cameratoezicht, indicatie dat de deur vertraagt opent (meestal niet meer dan 30 seconden; criminelen kunnen tijdens hun verkenning die informatie zien), dat vanaf die permanent bemenste post de deur zonder vertraging geopend kan worden (of geblokkeerd indien gewenst), en dat die deur wanneer niet ingegrepen wordt na 30 seconden opent. Buiten openingstijden van het museum heeft die vertraging geen zin. Bovendien: het hele systeem werkt alleen bij een brandalarm en om dat te veroorzaken moet je al binnen zijn. De beste oplossing: bij sluiten van het museum ook alle nooddeuren afsluiten met een slot conform de gewenste risicoklasse. Ik hoor vaak zeggen dat dat niet zou mogen omdat ook een inbreker veilig moet kunnen vluchten. Er is geen enkele regel die dat voorschrijft. Sterker nog: bij het PKVW wordt zelfs gesproken over beveiliging tegen uitbreken (door insluipers).
Op organisatorisch/technisch niveau kan een maatregel getroffen worden om er voor te zorgen dat aan het begin van de dag werkelijk alle nooddeuren weer van het slot gaan. Er is in Nederland een praktijkvoorbeeld in een museum – misschien zijn er meer – waar bij het afsluiten van de nooddeuren bij de kaartverkoopbalie een zoemer af gaat. Die zoemer blijft gaan totdat alle nooddeuren weer ontsloten zijn.

“De kans is groot dat een inbraak voorbereid wordt tijdens een of meerdere bezoeken. Let daarom op het gedrag van uw bezoekers. Als u afwijkend gedrag constateert, bespreek dit binnen uw organisatie.” Een nadere omschrijving van ‘afwijkend gedrag’, momenteel een commercieel heel goed aangestuurde hype in museumland, ware welkom. Vaagheden helpen niet.

“Kijk of er eventuele voorbereidingen voor een inbraak gemaakt zijn. Een voorbeeld zijn streepjes die met stift op de vensterbank gezet zijn om aan te geven op welke hoogte het rolluik doorgezaagd moest worden”… Op de vensterbank aan de binnen- of aan de buitenzijde? Als het goed is zijn rolluiken aan de binnenzijde aangebracht – dat weet de eerste de beste detailhandel op de hoek van de straat al – en om die rolluiken door te zagen zal je eerst door het raam met inbraaksignalering moeten. Heeft hier de RCE de klok horen luiden, maar…?

“Wees alert op interne diefstal”. In de hele checklist, is dit de enige opmerking over wat misschien wel de grootste dreiging is voor collecties. Misschien, want precies weten we het niet.

Interessant is dat Hanna Pennock van Veilig Erfgoed van RCE, tijdens een Erfgoedarena over verduistering op 16 maart 2011 als panellid verklaarde dat 82% van diefstallen uit musea interne betrokkenheid heeft.

Dat moet gecorrigeerd worden: het gaat om gegevens uit de USA en betreft diefstallen uit musea die opgelost zijn.

Misschien is interne diefstal gemakkelijker op te lossen omdat het dader potentieel beperkt is. Statistieken zijn een prachtig hulpmiddel om argumenten kracht bij te zetten, maar ook om te mystificeren. We horen steeds weer dat er sprake zou zijn van ruim 80% verduistering bij diefstallen uit musea die opgelost zijn, maar kennen geen absolute cijfers, dus dat percentage is onbruikbaar. Het maakt namelijk uit of het gaat over 4 van 5 of 80 van 100.

Zo kan ik ook een imponerende statistiek maken. Tussen oktober 2012 en februari 2013 – in vijf maanden tijd – werd in een aantal Nederlandse musea ingebroken. Veertig (!) procent van die musea betrof verzelfstandigde Rijksmusea die onder toezicht staan, ook voor wat betreft hun veiligheidszorg, door de Erfgoedinspectie (=OCW) en dat terwijl het Kenniscentrum Veiligheidszorg Cultureel Erfgoed (KVCE, gefinancierd door OCW) al zeven jaar bestaat/bestond en die verzelfstandigde Rijksmusea aan de bron staan van informatie over veiligheidszorg. Cijfers en feiten….

Laten we er van uit gaan dat verduistering een ‘substantieel’ probleem is. Hoe komt het dan dat dit substantiële beveiligingsprobleem in deze checklist niet verder aan bod komt dan “Wees alert op interne diefstal” en helemaal niet mogelijke maatregelen ‘gecheckt’ worden?

Te denken valt aan: steekproefsgewijze visitatie van personeel, screenen van personeel, CCTV, toegangcontrolesysteem depots, ad random controle volgens registratie aanwezige objecten, beperking ‘killen’ objecten uit digitale registratie, autorisatie toegang tot collectieregistratie, verplicht gebruik van dienstingang, deontologische code.

Niets van dat al in de “Diefstal voorkomen: een checklist”. Wel gezeur over gemakkelijk door te zagen tralies, maar slechts een zijdelingse, niet nader uitgewerkte opmerking over wat gezien wordt als een wezenlijk beveiligingsprobleem.

Komt dat misschien omdat we in het museumwereldje allemaal verduistering wel zien als een wezenlijk probleem, maar het niet aan durven dit probleem op te lossen? Dat bleek niet alleen tijdens die Erfgoedarena, waar men een beveiligingsprobleem alleen maar via integriteit trajecten wilde aanpakken, maar later ook tijdens discussies over dit onderwerp op een Liber conferentie in de Koninklijke Bibliotheek.

De RCE checklist schiet op het onderdeel verduistering (interne diefstal) pijnlijk tekort.

“Dit houdt in dat ook alle collega’s inclusief de directeur van de Plaats Delict weg blijven tot de politie klaar is met het onderzoek”.

Inclusief de directeur? Gossie, het is me wat. Is dit gebaseerd op problemen uit het verleden, of is het slechts bladvulling?

  • Doe meteen aangifte bij de politie.
  • Als het een bruikleen betreft: breng bruikleengevers onmiddellijk op de hoogte.
  • Als de objecten verzekerd zijn: breng de verzekeraar onmiddellijk op de hoogte.

Meteen, onmiddellijk, onmiddellijk…..daadkrachtig!

“Bereid u goed voor op de woordvoering: wijs één woordvoerder aan en formuleer de boodschap in overleg met de politie.” Helemaal mee eens; ik zal de neiging onderdrukken grapjes te maken over geavanceerde en state-of-the-art beveiliging en in de publiciteit liegende en falende directeuren. Mijn advies: die directeuren niet alleen weghouden bij het Plaats Delict (waarom moet dat met hoofdletters) maar ook bij microfoons en camera’s.

Mankeert er dan niets aan die RCE / Veilig Erfgoed checklist? Natuurlijk wel. Petje af zelfs, maar helaas op enkele onderdelen ook snel weer op gezet. Je vraagt je af hoe zo’n lijst tot stand gekomen is – wie werkten hier aan mee – omdat vaagheden vermeden hadden kunnen worden door bestaande normen op het gebied van beveiliging en inbraakwerendheid als uitgangspunt te nemen. De checklist was dan heel wat concreter geweest.

Hoe het komt dat interne diefstal – zijn we het Legermuseum Delft en het Stadsarchief Amsterdam zo snel vergeten – er zo bekaaid vanaf komt is een raadsel.

Blijkbaar wordt er alleen uitgegaan van dreigingen van buitenaf en wordt de kop in het zand gestoken voor de ‘enemy from within’…

Ton Cremers

toncremers@museum-security.org

+316 242246 20

 

 

April 12th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Op https://veilig-erfgoed.nl/onderwerpen/diefstal-voorkomen-een-checklist publiceerde Veilig Erfgoed van de Rijksdienst voor het Cultureel ErfgoedDiefstal voorkomen: een checklist“.

Bij eerste beschouwing een nuttig instrument; bij nadere beschouwing roept die lijst veel vragen op.

Wat wordt er bedoeld met:

  • Zijn de waardevolle objecten beveiligd?
  • Zijn de vitrines beveiligd?
  • Is de ruimte beveiligd?
  • Is het gebouw beveiligd?
  • Is het terrein beveiligd?

Wat wordt hier bedoeld? OBE? Of alleen E? Geen idee. Bovendien: op welk niveau beveiligd? Nergens, maar dan ook nergens in de checklist (een lijst met ongeveer 20 vraagtekens) is iets te lezen over de indeling in risicoklassen. De lijst begint wel met het kopje Maak een risicoanalyse, maar geeft nergens enige richting naar risicoklassen en – dat verbaast helemaal – bestaande Nederlandse (NEN) en Europese (EN) normen op het gebied van inbraakwerendheid van gevelelementenramen, deuren, rolluiken – of inbraakwerendheid (de lijst heeft het over ‘braakwerend’) van glas. Gehannes met, en onduidelijkheid over terminologie bemoeilijkt het lezen. Gaat het steeds over beveiliging, aan het eind van de lijst is het ineens: “Doe geen uitspraken over de veiligheid”. Veiligheid? Beveiliging? Kiest u maar.

Die normen geven niet alleen de verschillende niveaus van inbraakwerendheid, -vertraging aan, maar ook de gereedschapsets en de beproevingsmethoden.

Musea kunnen niets met “Zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”, wanneer niet wordt aangegeven hoe dat niveau van inbraakwerendheid vastgesteld wordt. Kijk, dat komt ervan wanneer je je Post HTO Security Management aan de Haagse Hogeschool niet afrondt, waardoor je niet van de hoed EN de rand weet als het gaat over INCI/DETAR en PIVA/ALRE. Daar zijn die normen en classificaties van hang- en sluitwerk etc. het uitgangspunt bij.

Bij de risicoanalyse is het volgens RCE Veilig Erfgoed: “De dief zal niet geïnteresseerd zijn in de cultuurhistorische waarde, alleen in de financiële waarde. Welke objecten zijn goed verhandelbaar, welke bevatten waardevolle materialen zoals goud, zilver, koper, edelstenen? Welke objecten zijn interessant voor ‘art-jacking’ (losgeld)?”

Dat eerste is waar: dieven, met uitzondering van een man als Stephane Breitwieser, zijn niet geïnteresseerd in cultuurhistorische waarde. Dat ze zich richten op objecten die goed verhandelbaar zijn, is zeer de vraag, want zo goed verhandelbaar – zie het geklungel van de Roemenen die inbraken in De Kunsthal – zijn kostbare objecten niet.

Het is, met uitzondering van edelmetalen objecten en edelstenen, sowieso moeilijk in te schatten welke objecten voor dieven interessant zijn om te stelen. Van Goghs, Vermeers, Rembrandts, Picassos (de meest gestolen kunstenaar) zijn volgens ‘ingewijden’ niet verhandelbaar. Toch gaan die diefstallen maar door en is de grootste roof buiten oorlogstijd, 1990 in Boston, nog steeds niet opgelost. “Welke objecten zijn interessant voor ‘art jacking’ en losgeld”.

Hoe bepaal je dat? Daar had ik graag iets meer over gehoord. Geldt dat ook voor schilderijen van Jan Schoonhoven?  Als mij dat een maand geleden was gevraagd, dan had ik ontkennend geantwoord, maar sinds die inbraak in Bommel van Dam (b)lijkt het anders te liggen.

“Tralies zijn makkelijk door te zagen” aldus de RCE. Ja, zo lust ik er nog wel een paar.

In de beveiliging wordt het begrip redundancy gehanteerd. Letterlijk vertaald ‘overtolligheid’. RCE die pleit voor het aanleggen van barrieres schrijft hier dat de barriere tralies gemakkelijk te nemen is. Wel, iedere barriere is meer of minder gemakkelijk te nemen; het gaat echter om de opeenvolging van barrieres en tralies kunnen daar zeker een belangrijke rol bij vervullen. Het gaat toch om tijd winnen, want “zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”. Weerbaarheid? Oh ja: inbraakwerendheid natuurlijk.

Een particuliere alarmcentrale die aan komt rijden? Ik zie het al voor mij. Waarschijnlijk wordt hier bedoeld de particuliere alarmopvolger.

“Is het terrein goed omsloten? Struiken met stekels kunnen een goede afwering zijn”. Dat kan wel zo zijn, maar het merendeel van de musea hebben helemaal geen terrein om het gebouw. Tralies zijn gemakkelijk door te zagen, maar struiken met stekels zijn ‘een goede afwering’…?

“Hoe eerder de dief gedetecteerd wordt, des te meer tijd heeft u om hem af te schrikken”. Doordenkertje? Afschrikken?

“Ook barrières op de vluchtweg zorgen voor vertraging. Vertraging op de sturing van nooddeuren is onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar bij de brandweer.”.

Onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar? Waarschijnlijk wordt hier bedoeld: “Indien aan bepaalde condities voldaan wordt, dan gaat de brandweer akkoord”. Ik kan mij niet voorstellen dat de brandweer alleen onder bepaalde omstandigheden in gesprek wil gaan.

Welke zijn die condities:

Om te beginnen is dit alleen relevant tijdens openingsuren en is vertraging op nooddeuren alleen toegestaan wanneer er tijdens die openingsuren een permanent bemenste post is (niet veel musea kunnen zich dat veroorloven). De brandweer wenst: permanente observatie van de betreffende deuren bv via cameratoezicht, indicatie dat de deur vertraagt opent (meestal niet meer dan 30 seconden; criminelen kunnen tijdens hun verkenning die informatie zien), dat vanaf die permanent bemenste post de deur zonder vertraging geopend kan worden (of geblokkeerd indien gewenst), en dat die deur wanneer niet ingegrepen wordt na 30 seconden opent. Buiten openingstijden van het museum heeft die vertraging geen zin. Bovendien: het hele systeem werkt alleen bij een brandalarm en om dat te veroorzaken moet je al binnen zijn. De beste oplossing: bij sluiten van het museum ook alle nooddeuren afsluiten met een slot conform de gewenste risicoklasse. Ik hoor vaak zeggen dat dat niet zou mogen omdat ook een inbreker veilig moet kunnen vluchten. Er is geen enkele regel die dat voorschrijft. Sterker nog: bij het PKVW wordt zelfs gesproken over beveiliging tegen uitbreken (door insluipers).
Op organisatorisch/technisch niveau kan een maatregel getroffen worden om er voor te zorgen dat aan het begin van de dag werkelijk alle nooddeuren weer van het slot gaan. Er is in Nederland een praktijkvoorbeeld in een museum – misschien zijn er meer – waar bij het afsluiten van de nooddeuren bij de kaartverkoopbalie een zoemer af gaat. Die zoemer blijft gaan totdat alle nooddeuren weer ontsloten zijn.

“De kans is groot dat een inbraak voorbereid wordt tijdens een of meerdere bezoeken. Let daarom op het gedrag van uw bezoekers. Als u afwijkend gedrag constateert, bespreek dit binnen uw organisatie.” Een nadere omschrijving van ‘afwijkend gedrag’, momenteel een commercieel heel goed aangestuurde hype in museumland, ware welkom. Vaagheden helpen niet.

“Kijk of er eventuele voorbereidingen voor een inbraak gemaakt zijn. Een voorbeeld zijn streepjes die met stift op de vensterbank gezet zijn om aan te geven op welke hoogte het rolluik doorgezaagd moest worden”… Op de vensterbank aan de binnen- of aan de buitenzijde? Als het goed is zijn rolluiken aan de binnenzijde aangebracht – dat weet de eerste de beste detailhandel op de hoek van de straat al – en om die rolluiken door te zagen zal je eerst door het raam met inbraaksignalering moeten. Heeft hier de RCE de klok horen luiden, maar…?

“Wees alert op interne diefstal”. In de hele checklist, is dit de enige opmerking over wat misschien wel de grootste dreiging is voor collecties. Misschien, want precies weten we het niet.

Interessant is dat Hanna Pennock van Veilig Erfgoed van RCE, tijdens een Erfgoedarena over verduistering op 16 maart 2011 als panellid verklaarde dat 82% van diefstallen uit musea interne betrokkenheid heeft.

Dat moet gecorrigeerd worden: het gaat om gegevens uit de USA en betreft diefstallen uit musea die opgelost zijn.

Misschien is interne diefstal gemakkelijker op te lossen omdat het dader potentieel beperkt is. Statistieken zijn een prachtig hulpmiddel om argumenten kracht bij te zetten, maar ook om te mystificeren. We horen steeds weer dat er sprake zou zijn van ruim 80% verduistering bij diefstallen uit musea die opgelost zijn, maar kennen geen absolute cijfers, dus dat percentage is onbruikbaar. Het maakt namelijk uit of het gaat over 4 van 5 of 80 van 100.

Zo kan ik ook een imponerende statistiek maken. Tussen oktober 2012 en februari 2013 – in vijf maanden tijd – werd in een aantal Nederlandse musea ingebroken. Veertig (!) procent van die musea betrof verzelfstandigde Rijksmusea die onder toezicht staan, ook voor wat betreft hun veiligheidszorg, door de Erfgoedinspectie (=OCW) en dat terwijl het Kenniscentrum Veiligheidszorg Cultureel Erfgoed (KVCE, gefinancierd door OCW) al zeven jaar bestaat/bestond en die verzelfstandigde Rijksmusea aan de bron staan van informatie over veiligheidszorg. Cijfers en feiten….

Laten we er van uit gaan dat verduistering een ‘substantieel’ probleem is. Hoe komt het dan dat dit substantiële beveiligingsprobleem in deze checklist niet verder aan bod komt dan “Wees alert op interne diefstal” en helemaal niet mogelijke maatregelen ‘gecheckt’ worden?

Te denken valt aan: steekproefsgewijze visitatie van personeel, screenen van personeel, CCTV, toegangcontrolesysteem depots, ad random controle volgens registratie aanwezige objecten, beperking ‘killen’ objecten uit digitale registratie, autorisatie toegang tot collectieregistratie, verplicht gebruik van dienstingang, deontologische code.

Niets van dat al in de “Diefstal voorkomen: een checklist”. Wel gezeur over gemakkelijk door te zagen tralies, maar slechts een zijdelingse, niet nader uitgewerkte opmerking over wat gezien wordt als een wezenlijk beveiligingsprobleem.

Komt dat misschien omdat we in het museumwereldje allemaal verduistering wel zien als een wezenlijk probleem, maar het niet aan durven dit probleem op te lossen? Dat bleek niet alleen tijdens die Erfgoedarena, waar men een beveiligingsprobleem alleen maar via integriteit trajecten wilde aanpakken, maar later ook tijdens discussies over dit onderwerp op een Liber conferentie in de Koninklijke Bibliotheek.

De RCE checklist schiet op het onderdeel verduistering (interne diefstal) pijnlijk tekort.

“Dit houdt in dat ook alle collega’s inclusief de directeur van de Plaats Delict weg blijven tot de politie klaar is met het onderzoek”.

Inclusief de directeur? Gossie, het is me wat. Is dit gebaseerd op problemen uit het verleden, of is het slechts bladvulling?

  • Doe meteen aangifte bij de politie.
  • Als het een bruikleen betreft: breng bruikleengevers onmiddellijk op de hoogte.
  • Als de objecten verzekerd zijn: breng de verzekeraar onmiddellijk op de hoogte.

Meteen, onmiddellijk, onmiddellijk…..daadkrachtig!

“Bereid u goed voor op de woordvoering: wijs één woordvoerder aan en formuleer de boodschap in overleg met de politie.” Helemaal mee eens; ik zal de neiging onderdrukken grapjes te maken over geavanceerde en state-of-the-art beveiliging en in de publiciteit liegende en falende directeuren. Mijn advies: die directeuren niet alleen weghouden bij het Plaats Delict (waarom moet dat met hoofdletters) maar ook bij microfoons en camera’s.

Mankeert er dan niets aan die RCE / Veilig Erfgoed checklist? Natuurlijk wel. Petje af zelfs, maar helaas op enkele onderdelen ook snel weer op gezet. Je vraagt je af hoe zo’n lijst tot stand gekomen is – wie werkten hier aan mee – omdat vaagheden vermeden hadden kunnen worden door bestaande normen op het gebied van beveiliging en inbraakwerendheid als uitgangspunt te nemen. De checklist was dan heel wat concreter geweest.

Hoe het komt dat interne diefstal – zijn we het Legermuseum Delft en het Stadsarchief Amsterdam zo snel vergeten – er zo bekaaid vanaf komt is een raadsel.

Blijkbaar wordt er alleen uitgegaan van dreigingen van buitenaf en wordt de kop in het zand gestoken voor de ‘enemy from within’…

++wordt vervolgd++

 

Ton Cremers

toncremers@museum-security.org

+316 242246 20

 

 

April 12th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Op enkele LinkedIn groepen maakte ik begin april bekend dat er een nieuwe publicatie het daglicht zag over de veiligheid van cultureel erfgoed en brand.

Een zogenaamde ‘kennispublicatie’. Dat die publicatie voornamelijk ‘oude’ kennis en niets nieuws bevat, zal onderwerp zijn van een volgende column. Het is een koffietafel babbelstuk gemaakt door belastingruifwerknemers die elkaar van de straat houden en draagt niets bij aan wat sinds 2000 al op vele plaatsen verkondigd werd.

In het betreffende babbelstuk staat vermeld dat het Waterschadewiel (1999) en het Brandschadewiel (2011) tot stand kwamen ‘onder leiding van’ de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE). Dit klopt niet. Het waterschadewiel werd geproduceerd toen RCE nog niet bestond en is feitelijk niets anders dan een vertaling van een Canadees product.

Het Brandschadewiel kwam niet tot stand onder leiding van RCE, maar op initiatief en onder leiding van het Landelijk Contact Museumconsulenten. Ere wie ere toekomt.

Maar goed: fouten kunnen gemaakt worden. Echter RCE, Hanna Pennock, is medeauteur van die ‘kennispublicatie’. Voor een formulering als ‘onder leiding van’ wordt natuurlijk bewust gekozen. Dit is geen fout meer, maar een verkeerde weergave van de feiten en schurkt aan tegen liegen. Foei toch.

Op de LinkedIn groepen Dutch Museum Security en Veilig Erfgoed beperkte ik mij tot een ‘zakelijke’ rectificatie.

Daar kwam een reactie op door Darnal Vanheste, een ‘bewakingsagent’ uit Gent.

Zo ver, zo goed…

Totdat er ook een reactie kwam door Theo Vermeulen, Coördinator Security & Collections Koninklijke Bibliotheek Den Haag. Theo is niet alleen Hanna Pennock’s voorganger bij het Kenniscentrum Veiligheidszorg Cultureel Erfgoed (KVCE), maar ook een van de auteurs van het kennispublicatietje.

‘Kennispublicatie’, ‘Kenniscentrum’…het regent (gebrek aan) ‘kennis’. Ook daar kom ik op terug in een blog over de door RCE/KVCE met trots gepubliceerde Checklist beveiliging…..over kennis gesproken…

Die reactie van Theo Vermeulen was niet bepaald gespeend van arrogantie. Hij gaf zijn mening, ook Theo mag dat, maar ging helaas slechts zeer gedeeltelijk inhoudelijk op mijn rectificatie in, en stampvoette slechts dat ik ongelijk had en dat wat hem betreft de discussie beëindigd was. Een variant op boos iets roepen en je omdraaien en wegbenen, of iets schreeuwen door de telefoon en de verbinding verbreken omdat je het weerwoord niet horen wilt.

Vermeulen vond de discussie sowieso een discussie om niks. Waarom er dan aan deelnemen?

Vermeulen is niet de eigenaar/moderator van de bewuste LinkedIn groepen en niet degene die de competentie heeft discussies te beëindigen. Hij kan slechts afzien van zijn deelname aan discussies, maar wanneer hij zich geroepen voelt dat wel te doen, dan ware het redelijk dat te doen op basis van argumenten. Deelnemen aan een discussie creëert automatisch het recht van anderen, net als van Theo, te kiezen voor reactie.

Aangesproken op zijn vreemde handelwijze komt meneer Vermeulen slechts met een nog vreemdere en bovendien niet onderbouwde – een specialiteit van Vermeulen? – en zelfs onterechte aantijging. Mijn verzoek zijn aantijging met een voorbeeld te staven bleef, hoe voorspelbaar, onbeantwoord.

Ik heb er in de loop der jaren regelmatig voor gekozen in mijn blogs de confrontatie aan te gaan en man-en-paard te noemen – altijd op basis van argumenten – en zal nooit verdere discussie weigeren.

Hierboven is daar een voorbeeld van te vinden. Het verwijtende geblaat van Vermeulen mist enige argumentatie of onderbouwing.

Zo zijn blijkbaar de manieren…

Het archief groeit……

April 11th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, Dienst Cultureel Erfgoed, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Uncategorized

Tags: , , ,