1 november 2007

Subsidie risicoanalyses via de Mondriaanstichting

Het Ministerie van OCW stelt via de Mondriaanstichting subsidie beschikbaar voor het laten verrichten van een risicoanalyse. Deze subsidie bedraagt 100% van de kosten.

Voorwaarden:

– de analyse moet worden verricht door een professionele externe partij (analyses die in eigen beheer worden gemaakt komen niet voor subsidie in aanmerking);

– de collectie moet objecten bevatten die van landelijk belang zijn; de zogenaamde A-collectie;

– aanvragen voor subsidie moeten voor 1 december of 1 juni bij de Mondriaanstichting worden ingeleverd;

– bij honorering van de aanvraag betaalt de Mondriaanstichting 50% van de subsidie vooruit;

– bij inlevering van de rapportage wordt 20% betaald;

– de resterende 30% worden uitbetaald wanneer de erfgoedbeheerder een verklaring overlegt dat de instelling beschikt over een calamiteitenplan inclusief een hoofdstuk Collectiehulpverlening en wanneer inzage wordt gegeven in de kosten en tijd die gemoeid zouden zijn indien de aanbevelingen uit de risicoanalyse worden uitgevoerd.

De Mondriaanstichting vraagt niet om toezending van het calamiteitenplan. Het is NIET verplicht de aanbevelingen uit de risicoanalyse te realiseren, maar de Mondriaanstichting wil inzage hebben in de kosten en planning indien de aanbevelingen wel zouden worden uitgevoerd.

Verdere vragen:

toncremers@museum-security.org of info@mondriaanfoundation.nl

DE RISICOKLASSE-INDELING
Het Handboek Risicoklasse-indeling, het Handboek Beveiligingstechniek en het Praktijkboek Beveiligingstechniek delen bedrijven en instellingen in in vier risicoklassen. Iedere klasse kent zijn specifieke maatregelen. Erfgoedbeheerders met bijzondere collecties vallen meestal in de hoogste risicoklasse. Het Handboek geeft overigens geen afzonderlijke categorie aan voor musea, bibliotheken, archieven of andere erfgoedbeheerders. Deze organisaties vallen in de restcategorie ‘overige’.
De bij het Handboek Beveiligingstechniek behorende risicocalculator schaalt de risico’s van verschillende groepen organisaties in aan de hand van een classificatiesysteem in vier categorieën.
Relevant voor deze inschaling zijn:
– Het soort organisatie;
– de ligging al of niet binnen de bebouwde kom;
– de aard en attractiviteit van de aanwezige goederen en:
– de verzekerde waarde.

Erfgoedbeheerders hebben hun eigen collectie heel vaak niet verzekerd (bruiklenen zijn vrijwel altijd verzekerd). Dat doet overigens niet af aan de waarde die deze goederen hebben indien ze wel verzekerd zouden zijn.
Erfgoedbeheerders vallen vrijwel altijd in de hoogste risicocategorie, namelijk klasse IV. Bij iedere risicocategorie horen maatregelen op bouwkundig, elektronisch en organisatorisch niveau, eventueel aan te vullen met compartimentering- en zogenaamde meeneembeperkende maatregelen.
De Bouwkundige, Elektronische en Compartimenteringmaatregelen worden onderverdeeld in de categorieën standaard, normaal en zwaar, weergeven als respectievelijk Bs, Bn, Bz, Es, En, Ez en Cs, Cn en Cz.
In de hoogste risicocategorie, klasse IV betekent dit dat de maatregelen moeten bestaan uit een combinatie van Bz en Ez, of Bn, Ez en Cz. Aangezien in bestaande, vaak monumentale gebouwen het meestal niet lukt aan de hand van standaardmaatregelen de beveiliging te realiseren kan volgens het Handboek beveiligingstechniek de beveiliging ook gerealiseerd worden aan de hand van Maatwerk. Dit betekent natuurlijk niet dat de beveiligingseisen hiermee helemaal vrijgegeven worden. Bij Maatwerk is het namelijk alleen mogelijk een zogenaamd BORG Beveiligingscertificaat af te geven indien de verzekeraar akkoord is met de genomen maatregelen. Het spreekt overigens voor zichzelf dat Maatwerk nooit tot een lager beveiligingsniveau mag leiden dan de combinaties Bz en Ez, of Bn, Ez en Cz. Er is bijvoorbeeld sprake van maatwerk wanneer het niet lukt de buitenschil tot het weerbaarheidniveau Bn of Bz op te waarderen, maar het wel mogelijk is diverse inpandige compartimenten te maken die de bereikbaarheid van attractieve goederen beperkt als ware er sprake van een buitenschil op het gewenste niveau. Inbraakwerende vitrines kunnen binnen maatwerk ook onvoldoende weerbaarheid van de buitenschil compenseren. Het is daarnaast mogelijk aan de hand van allerlei organisatorische maatregelen onvoldoende bouwkundige weerbaarheid te compenseren.
Voor een maatwerk oplossing dient een PvE (programma van eisen) te worden opgesteld dat door de eisende partijen (naast de eigenaar eventueel verzekeraar en opdrachtgever) voor akkoord moet worden ondertekend.
Bouwkundige weerbaarheid heeft een beperkte waarde indien deze niet ondersteund wordt door elektronische signalering. De bouwkundige weerbaarheid wordt namelijk uitgedrukt in minuten: Bs staat voor een bouwkundige weerbaarheid van 3 minuten. Bn en Bz staat voor een weerbaarheid van 5 minuten. Deze 3 en 5 minuten gaan niet in op het moment dat die weerbaarheid wordt aangevallen, maar op het moment van signalering. De bouwkundige weerbaarheid, c.q. vertraging is namelijk bedoeld om de alarmopvolgingsorganisatie voldoende tijd te geven adequaat te reageren. Die alarmopvolgingsorganisatie zal pas optreden als daartoe een signaal ontvangen wordt.
En en Ez staan voor de componenten die vereist zijn in het elektronische beveiligingssysteem (eigenlijk: signaleringssysteem) en voor de techniek die gebruikt wordt om signalen uit dat systeem door te geven aan een externe meldkamer.

O, B, E, C, M

Beveiliging bestaat dus uit Organisatorische (O), Bouwkundige (B), Elektronische (E), Compartimentering (C) en Meeneembeperkende maatregelen zoals vitrines en ophangsystemen (M).
Al deze maatregelen dienen aanvullend op elkaar te zijn. In bestaande gebouwen vergt het op niveau brengen van de beveiliging veel creativiteit en begrip voor het oorspronkelijke karakter van het gebouw. De Organisatie van de beveiliging – terug te vinden in de bedrijfscultuur – is van belang.
Het heeft beperkt nut indien allerlei bouwkundige en elektronische maatregelen worden genomen, maar medewerkers en externe partijen zich niet houden aan de ‘huisregels’ of zich niet kunnen houden aan de regels. Die huisregels moeten op papier worden gesteld en voor iedereen beschikbaar zijn.
De beveiligingselektronica zorgt er voor dat eventuele pogingen tot verbreking van de beveiliging in een zo vroeg mogelijk stadium bemerkt worden. Compartimentering is van belang om een brand controleerbaar te houden en te voorkomen dat inbrekers, of bezoekers die onreglementair in het museum achterblijven snel van de ene naar de andere ruimte kunnen gaan. Meeneembeperkende maatregelen – bijvoorbeeld afsluitbare kasten, vitrines, ophangsystemen of bevestigingen van los in de ruimte staande objecten – voorkomen snelle diefstallen tijdens openingstijd.

RISICO ALS RELATIE TUSSEN DE KANS OP EEN INCIDENT EN HET EFFECT

In 2003 publiceerde de Canadees Robert Waller de doctoraalstudie CULTURAL PROPERTY RISK ANALYSES MODEL, Development and Application to Preventive Conservation at the Canadian Museum of Nature. Deze studie en Wallers cursussen en presentaties hebben een nieuwe standaard gezet bij de analyse van risico’s bij erfgoedbeheerders. Ondanks de complexiteit van zijn benadering geldt ook voor Wallers systematiek dat de analyse van risico’s altijd een onvermijdelijke subjectieve component bevat. Het gebruik van systematiek maakt het mogelijk de onderlinge relatie tussen risico’s te bepalen, welke risico’s als acceptabel binnen de bedrijfsvoering kunnen worden gezien, welke risico’s op basis van budgettering en planning op termijn verminderd moeten worden en welke risico’s onmiddellijke actie vergen. Wallers studie is overigens voornamelijk gericht op risico’s die te maken hebben met duurzaam behoud en beheer van erfgoedcollecties, zoals invloeden van licht, temperatuur en vocht.
Risico’s horen bij bedrijfsvoering. Het erfgoedbedrijf, waar kostbare objecten niet alleen geconserveerd maar ook getoond worden brengt risico’s met zich mee. Elimineren van alle risico’s zou elimineren van de bedrijfsvoering betekenen. Er bestaat voldoende statistische informatie over het vóórkomen van incidenten, maar de informatie over de omstandigheden waarbinnen zich incidenten konden voordoen is beperkt. De kans op een incident wordt juist door die omstandigheden bepaald . Bij de inschatting van de omstandigheden waaronder een incident zich voor kan doen spelen de al genomen preventieve maatregelen een rol. De kans op een incident wordt dus niet alleen bepaald door de frequentie waarin incidenten zich voordoen, maar tevens door de kwaliteit en omvang van de preventieve maatregelen. Wanneer preventieve maatregelen vrijwel geheel ontbreken, neemt de kans op incidenten toe. Het effect van incidenten is afhankelijk van het niveau van de repressieve maatregelen EN de signalering als zich een incident voor doet. Met andere woorden: hoe snel kan adequaat gereageerd worden op incidenten.Dus, als er nauwelijks brandpreventieve maatregelen zijn getroffen, dan neemt de kans op brand toe. Het effect van brand zal groot zijn indien er geen repressieve maatregelen genomen zijn en bovendien vroegtijdige signalering en een doeltreffende alarmopvolgingsorganisatie ontbreken.
De relatie tussen Kans en Effect wordt weergegeven in de formule:
Risico = Kans * Effect
Zowel Kans als Effect worden uitgezet op een schaal van 1 tot 5, waarbij 1 staat voor zeer geringe Kans of Effect en 5 voor maximale Kans of Effect.
De Risicoscores worden uitgezet op een Risico matrix:

Blog Image
Deze matrix geeft aan welke risico’s onmiddellijke actie vereisen (de categorie Hoog), welke onderdeel moeten zijn van planning op termijn (de categorie Gemiddeld) en welke – de laagste risicogroep – in de gaten moeten worden gehouden, maar niet aanleiding geven tot actie. In die laagste groep bevinden zich de risico’s die gezien worden als geaccepteerde risico’s.
Behalve de R=K*E formule kan de risicoanalyse ook benaderd worden vanuit de INCI-DETAR systematiek. Hierbij wordt het verloop, de ontwikkeling van een INCIdent afgezet op een tijdlijn en vergeleken met de tijd die nodig is voor de Detectie, Alarmering en Response. Deze systematiek zegt minder over de kans op (het ontstaan van) een incident, maar concentreert zich voornamelijk op de mogelijkheid adequaat te reageren op incidenten, schematisch weergegeven als:

Blog Image

In bovenstaand voorbeeld wordt uitgegaan van het incident Inbraak. Blijkbaar is in dit voorbeeld de combinatie van inbraakwerendheid, signalering en alarmopvolgingsorganisatie zodanig dat doeltreffend op het incident inbraak gereageerd kan worden.
De INCI-DETAR systematiek is echter ook toepasbaar op incidenten als wateroverlast, overval, brand etc.
Het niveau van risicobeheer wordt bepaald door de mogelijkheid een alarmresponseorganisatie op te zetten die binnen de tijd nodig voor een incident om plaats te vinden kan reageren. Bij inbraak betekent dit dus dat de inbraakwerendheid en het tijdstip van alarmsignalering zodanig moeten zijn dat de alarmopvolgingsorganisatie voldoende tijd is gegund adequaat te reageren.

DE RISICO’S

Bij de weging van risico’s moet altijd de vraag gesteld worden welke maatregelen genomen zullen worden wanneer het risico zich als incident/calamiteit manifesteert. Indien duidelijkheid bestaat over de maatregelen die na een incident genomen zullen worden, dan dienen die maatregelen al genomen te worden voordat dat incident zich voordoet….
Bij de publicatie van MUSAVE in 1995 (tweede editie 1999) werd een lijst van meer dan 100 risico’s gepresenteerd. Het heeft geen zin bij de analyse van risico’s van deze zeer uitgebreide inventarisatie uit te gaan. Maatregelen die genomen moeten worden dekken namelijk vrijwel altijd groepen van risico’s af. Bij de huidige risicoanalyse is uitgegaan van de door het ICN gepubliceerde Calamiteitenwijzer .
Risico’s die te maken hebben met collectiebeheer, zoals invloeden van licht, vocht en temperatuur, zijn bij de onderstaande risicoanalyse buiten beschouwing gelaten.
RISICOCATEGORIEËN

Bij de gehanteerde methode worden de risico’s ingedeeld in drie categorieën:
1: LAAG, monitoren: in deze categorie vallen de risico’s die behoren bij de ‘normale’ bedrijfsvoering. Als erfgoedbeheerder neem je bewust een aantal risico’s die horen bij de opdracht van de organisatie. Het elimineren van deze risico’s houdt feitelijk eliminatie van de missie in.
2: MIDDEL, monitoren, plannen, budgetteren. In deze categorie bevinden zich de risico’s die weliswaar een te verminderen dreiging vormen, maar die geen aanleiding zijn tot onmiddellijke actie. Actie is overigens wel vereist, maar op termijn via zorgvuldige planning en budgettering. In deze categorie bevinden zich de risico’s waarvan men binnen de organisatie meestal wel weet dat ze verminderd moeten worden, maar die vaak op hun beloop gelaten worden, waarvoor men de ogen sluit.
3: HOOG, urgent, onmiddellijke actie. In deze categorie bevinden zich de risico’s die onmiddellijke actie vereisen. Hier kan bijvoorbeeld gedacht worden aan risico’s die een directe dreiging vormen voor de continuïteit van de organisatie.
In onderstaande tekst wordt niet uitgegaan van momenteel relevante specifieke risico’s – dat heeft geen zin nu het museum gesloten is – maar op het beheer van risico’s na de verbouwing en maatregelen die daartoe tijdens de verbouwing getroffen moeten worden.

November 11th, 2007

Posted In: Nederlandstalige artikelen

Alarmopvolging met ingang van 1 april 2008

Begin 2007 heeft de Raad van Hoofdcommissarissen (Nederlands Politie Instituut) een convenant afgesloten met het Verbond van Beveiligingsorganisaties (VvBO). Aanleiding was het feit dat de politie in veel gevallen nodeloos werd gewaarschuwd en er zeer veel capaciteit verloren ging met het afwikkelen van deze “ongewenste” alarmmeldingen. In dit Convenant Opvolging Elektronische Alarmen wordt het volgende geregeld:

Er wordt vanaf 1 april 2007 door de politie voorrang gegeven aan geverifieerde inbraakmeldingen en vanaf 1 april volgend jaar mogen ongeverifieerde alarmen niet meer doorgemeld worden aan de politie. Deze verificatie kan plaatsvinden door persoonlijke verificatie (een beveiligingssurveillant of een ander persoon, bijvoorbeeld iemand van de organisatie zelf of buren) of technische verificatie (door middel van beeld, geluid of op basis van een binnen de topografie van het gebouw opeenvolgend aantal alarmen).
Hoewel technische verificatie op afstand door een particuliere alarmcentrale mogelijk is dient er, net zoals voorheen, een sleutelhouder binnen 15 minuten na doormelding van het alarm naar de politie ter plekke te zijn!

Daarnaast dient iedere gebruiker van een overvalalarm hiervoor (opnieuw) toestemming aan te vragen. Om in aanmerking te komen voor een directe doormelding naar de politie dient er sprake te zijn van een meer dan gemiddeld gevaar voor een overval, gijzeling, kidnapping of (moord)aanslag. Is er wel een overvalknop, maar geen politietoestemming, dan handelt de particuliere alarmcentrale conform de met de klant overeengekomen actieprotocollen. Als de alarmcentrale na een overvalmelding contact met opneemt en een noodcode doorkrijgt of iets vreemds constateert, dan wordt de politie alsnog ingeschakeld.
Het is belangrijk goed na te denken over het doel van elektronische signalering en alarmopvolging:

– Is het doel pogingen tot inbraak en diefstal te verijdelen?

– Is het doel het aantal te stelen objecten te beperken en wordt geaccepteerd dat inbrekers nu eenmaal niet kunnen worden tegen gehouden?

– Is het doel te zorgen dat na een geslaagde inbraak en diefstal de inbreker dezelfde nacht niet succesvol terug kan keren

– Is de elektronische signalering slechts bedoeld om een timmerman te waarschuwen die de opengebroken deur/raam met een plaat multiplex dicht timmert?

Het zal duidelijk zijn dat punt 1 de voorkeur verdient. Als het doel is dat inbrekers gepakt worden voordat ze hun slag slaan, dan moet er voor gezorgd worden dat de bouwkundige weerbaarheid en de elektronische signalering zodanig zijn dat de alarmopvolgingsorganisatie sneller is dan de inbrekers.

Dit betekent dat de buitenschil een hoog niveau van inbraakwerendheid moet hebben en dat pogingen die schil te doordringen direct bij aanvang gedetecteerd moeten worden. Daarnaast moet er gezorgd worden voor een inbraakwerende inpandige compartimentering en waar nodig voor meeneembeperkende maatregelen zoals goede verankering van objecten en inbraakwerende vitrines. Natuurlijk dit alles passend binnen het voor individuele gebouwen/organisaties bepaalde risicoprofiel. Het heeft geen zin zwaardere beveiliging toe te passen dan het risicoprofiel vereist.

Tenslotte: inbrekers weten dat er vrijwel overal sprake is van elektronische signalering en alarmopvolging (de gemiddelde opvolgingstijd is in Nederland bij particuliere alarmopvolgers 35 minuten) en dat ze snel hun slag moeten slaan. De integrale beveiliging moet zo zijn ontworpen dat een snelle inbraak en verzameling van de buit onmogelijk is. Alarmopvolging – los van de regels die de politie hanteert vanaf 1 april 2007 – is een onderdeel van de beveiliging, vooral van de organisatorische beveiliging (O). Die O moet naadloos aansluiten op de B (bouwkundige), de E (elektronisch), de C (compartimentering) en de M (meeneembeperkende maatregelen).

November 10th, 2007

Posted In: alarmopvolging, musea, Nederlandstalige artikelen

Tags:

Een bewegingsmelder hier en een camera daar en we zijn beveiligd?

Ton Cremers;

toncremers@museum-security.org

toncremers@gmail.com

De inbraak in het Kunsthistorisches Museum in Wenen en de diefstal van Benvenuto Cellini’s SALIERA – waarde geschat op 50 miljoen Euro – op 11 mei 2003 duurde precies 56 seconden, maar het lag niet aan de beveiliging volgens het museum. De inbraak werd verricht door een hoog gekwalificeerde beveiligingsexpert. Daar kon geen beveiliging tegenop… Of toch wel?

Cellini’s zoutvat – het absolute pièce de résistance van het museum – werd januari 2006 terug gevonden, maar is nu (september 2007) nog steeds niet voor het publiek te bewonderen wegens restauratiewerkzaamheden.

Wat is er precies gebeurd? In verband met bouwwerkzaamheden stond er een steiger tegen de gevel van het museum. Die steiger was afgeschermd noch elektronisch gesignaleerd noch via camera’s bewaakt. De inbreker klom op deze steiger en sloeg op de eerste verdieping een ruit in. Het glas was niet inbraakwerend. Het kostte de inbreker daardoor slechts seconden binnen te komen. De vitrine met het hoogtepunt van Italiaanse renaissance beeldhouwkunst bezat geen enkele inbraakwerendheid waardoor de Saliera voor inbreker Robert Mang voor het grijpen lag. Een inbraak die door de eerste de beste gelegenheidsdief gepleegd had kunnen worden. Er was geen enkele kennis van beveiligingssystemen nodig. Mang verklaarde achteraf de inbraak niet voorbereid en het zoutvat in een dronken opwelling gestolen te hebben. Was er dan helemaal geen elektronische detectie? De ramen waren voorzien van trildetectoren. En het inslaan van de ruit leidde tot een alarm in de meldkamer van het museum. Omdat er vaak onnodige alarmen waren was het bij de bewakers gebruikelijk alarmen te resetten en dan te wachten tot het alarm terug kwam. Pas dan zou men ter plekke gaan verifiëren. Het resetten van een alarm duurt ongeveer een minuut. Mang was echter binnen die minuut – opklimmen van de steiger, inslaan raam en vitrine, stelen van de Saliera en de steiger weer afklimmen duurde precies 56 seconden – met zijn buit op straat en het elektronische alarm keerde na resetten niet terug. De inbraak en diefstal werden pas de volgende morgen door een schoonmaker ontdekt. Dr. Seipel, de directeur van het museum, bood na de inbraak zijn ontslag aan maar dat werd door de minister van cultuur geweigerd omdat hij een van de beste museumdirecteur van Oostenrijk zou zijn. Als het zo is dat beveiliging van de collectie een van de kerntaken is van het museum, dan kan bij die kwalificatie door de minister een vraagteken geplaatst worden. Nu kreeg de dief Robert Mang complimenten met zijn beveiligingskennis en de bewaker kritiek wegens disfunctioneren. Zowel het compliment voor de dief als de kritiek op de bewaker was misplaatst.

Geavanceerde beveiligingAan de hand van de Saliera casus kan toegelicht worden hoe de beveiliging van een museum moet worden vorm gegeven. Natuurlijk zijn er vele casussen aan de hand waarvan het falen van de beveiliging kan worden getoond. Het meest treffende recente Nederlandse voorbeeld was de inbraak in het Westfriesmuseum in Hoorn. Daar was de inbreker (inbrekers?) zeer langdurig in het museum en had alle tijd een groot aantal schilderijen niet alleen uit de lijst te halen, maar ook spijker voor spijker los te maken van de spieramen. Bovendien werden deuren en vitrines ingetrapt en werden zilveren objecten meegenomen. De directeur van dat museum koos net als zijn collega Seipel in Wenen voor het geven van een misplaatst compliment aan de crimineel voor diens professionaliteit en de onbegrijpelijke kwalificatie van zijn beveiliging als ‘geavanceerd’. Wat is geavanceerde beveiliging?

VoorgeschiedenisNaar aanleiding van enkele zeer geruchtmakende incidenten in Nederlandse musea eind jaren 80 van de vorige eeuw gaf het Ministerie van Justitie een onderzoeksopdracht naar de veiligheidszorg in Nederlandse musea. Maart 1992 werden de bevindingen van dat onderzoek gepresenteerd in het zeer leesbare rapport Veiligheidszorg in Nederlandse musea, een inventarisatie. Mei 1993 werd dat rapport aangevuld met de publicatie van Veiligheidszorg in Vlaamse, Britse en Nederlandse musea, een vergelijking. Uit die rapportage kwam naar voren dat Nederlandse en Belgische musea bij hun beveiliging zich vooral toelegden op elektronische middelen, maar dat de organisatie van die beveiliging veel te weinig aandacht kreeg. De Britse musea waren nog veel beter voorzien van allerlei beveiligingstechnieken, maar desondanks statistisch gezien vaker slachtoffer van criminaliteit dan de Nederlandse en Belgische musea. Deze rapportage was voor de Nederlandse Museumvereniging aanleiding een werkgroep Veiligheidszorg op te zetten die aanbevelingen moest geven over de optimalisatie van de veiligheidszorg. Dit leidde in maart 1997 tot de publicatie van het Handboek veiligheidszorg in musea, systematische aanpak van veiligheidszorg. Bij dat handboek werd het softwareprogramma MUSAVE (Museum Standaard Audit Veiligheidszorg) uitgegeven. Enkele jaren later, in 20000, werd de tweede, verbeterde editie van dat programma gepubliceerd. MUSAVE is een questionnaire van ruim 600 vragen aan de hand waarvan de musea hun veiligheidszorg kunnen toetsen. Het zal duidelijk zijn dat niemand met al die 600 vragen zal worden geconfronteerd omdat er een relationeel schema is van vragen en vervolgvragen. Het antwoord NEE op de vraag naar elektronische detectiesystemen zal dus niet leiden naar vragen over de samenstelling van die systemen.

MUSAVE en het Handboek zijn evenals de rapporten uit 1992 en 1993 gebaseerd op het zogenaamde Preventiewiel. Dat preventiewiel geeft het evenwicht en de samenhang in preventie systematisch weer. Tegenwoordig wordt vrijwel altijd de term ‘integrale beveiliging’ gebruikt. Het preventiewiel geeft de integratie tussen Beleid, Organisatie, Voorzieningen (Bouwkundig en elektronisch) en de bedrijfscultuur weer. Onder bedrijfscultuur wordt preventiehouding en deskundigheidsbevordering verstaan. Hoewel het Handboek alweer tien jaar oud is en de laatste editie van MUSAVE uit 2000 hanteert hebben beide nog niets aan actualiteit ingeboet.

De risicoklasse-indeling van de verzekeraarsVolgens de risicoklasse-indeling van de gezamenlijke verzekeringsmaatschappijen vallen musea vrijwel altijd in de hoogste risicoklasse. Die classificatie hanteert een puntensysteem waarbij punten worden toegekend aan de aard van de organisatie, de ligging al of niet binnen de bebouwde kom, de attractiviteit van de aanwezige ‘goederen’ en de verzekerde waarde. Museumobjecten vallen bij de attractiviteitindeling meestal in de categorie Hoog of Zeer Hoog en de (verzekerde) waarde is al snel boven de door de verzekeraars gehanteerde grens van € 250.000,00.

Dit betekent dat bij deze risicoklasse hoogwaardige bouwkundige, elektronische en organisatorische voorzieningen horen (zie ook de door Ellie Bruggeman geschreven bijlage over risicoanalyse). In de hoogste risicocategorie zal de beveiliging gerealiseerd moeten worden op basis van Maatwerk en kan vrijwel nooit volstaan worden met standaardoplossingen. Dat maatwerk moet gebaseerd zijn op de risicoanalyse.

Hoe ziet die geavanceerde beveiliging er uit?Geavanceerde beveiliging is niets anders dan de integrale benadering van het Preventiewiel en gebaseerd op:

– Organisatorische maatregelen;

– Bouwkundige voorzieningen

– Elektronische signalering en cameraobservatie

– Compartimentering (zowel om escalatie van brand te voorkomen als met het oog op diefstalpreventie)

– Meeneembeperkende maatregelen zoals vitrines (kunnen ook als compartimentering gezien worden), ophang- en andere bevestigingssystemen.

OrganisatieBij organisatie moet gedacht worden aan de alarmopvolging, het bewaking- en aflosschema, opening- en sluitrondes, sleutelbeheer, instructies voor medewerkers en externe partijen, calamiteitenplannen, huisregels voor medewerkers, bezoekersreglement, beveiligingaspecten in facilityrapporten, afspraken met alarmcentrales, toegangscontrole, entreebeheer van depots, screening van nieuwe medewerkers, opleidingen en trainingen, beveiligingsinstructies, bewakingsinstructies, incidentenregistratie en evaluatie, werkoverleg, dagelijkse controlerondes door de beveiligingsverantwoordelijke (bij voorkeur aan de hand van checklists)..

Bij de diefstal van de Saliera kwam op organisatorisch niveau een hiaat aan het licht in de instructie van de medewerkers en de alarmopvolging. Het kan nooit zo zijn dat er een instructie is die de medewerker in de meldkamer voorschrijft bij een alarm niet meteen te verifiëren, maar dat het alarm eerst moet worden gereset en dan gewacht moet worden tot het alarm eventueel terug komt. Elektronische signalering is juist bedoeld om tijd te winnen voor de alarmopvolgingsorganisatie. In eerste instantie negeren van signalen uit de elektronische signalering doet die tijdwinst weer teniet.

Bij de controlerondes had de beveiligingsverantwoordelijke natuurlijk moeten signaleren dat de aanwezige steiger als een trap naar de Saliera kon worden gebruikt. Het is niet bekend of dit gesignaleerd is bij de directie van het museum en dat dit signaal in de wind is geslagen. Het is in ieder geval wel duidelijk dat de steiger niet bouwkundig was afgeschermd en dat er geen elektronische signalering in was aangebracht

Bouwkundige voorzieningenBouwkundige inbraakvertraging wordt uitgedrukt in tijdeenheden van 2, 3, 4, 5 of meer minuten. Die inbraakvertragingtijd gaat pas in op het moment dat een aanval op de inbraakwerendheid gesignaleerd wordt. Bovendien moet bij het bepalen van de inbraakvertraging duidelijk zijn waartegen de muren, ramen, deuren, overige gevelopeningen en daken bestand moeten zijn. Met andere woorden de door inbrekers te gebruiken gereedschapset moet gedefinieerd zijn.

Het is bij geavanceerde beveiliging heel belangrijk dat de bouwkundige inbraakvertraging op alle niveaus van het gebouw gerealiseerd wordt. Ongeveer de helft van de inbraken in musea vindt plaats op hogere etages of zelfs via het dak. De Saliera was tentoongesteld op de eerste etage van het Kunsthistorisches Museum.

Inbraakvertragend glasIn het kader van dit artikel gaat het te ver gedetailleerd te omschreven hoe die bouwkundige inbraakvertraging kan worden gerealiseerd. Eén uitzondering wil ik maken: inbraakvertragend glas. Inbraakvertragend, gelaagd glas bestaat bijna altijd uit een combinatie van glas en polyvinylbuteral (PVB) folie. Er is een opvallend verschil tussen de resultaten van genormeerde mechanische testen met o.a. kogelvalproeven en handmatige testen. Glas gaat bij een aanval met een hamer of bijl altijd bij de eerste slagen kapot. Het is de tussenlaag die moet zorgen voor de inbraakvertraging. PVB folie kan vele slagen met een moker opvangen. Fabrikanten laten op vakbeurzen daar altijd imponerende testen mee zien. Echter, als een gekarteld mes gebruikt wordt – behoort tot de standaarduitrusting in brandweerwagens om klemzittende automobilisten via de gelaagde voorruit te bevrijden – is er in een ruit met PVB folie binnen de kortste keren een groot gat gemaakt. Bij inbraakvertragende beglazing moet gebruik worden gemaakt van een tussenlaag die niet met een mes kan worden doorgesneden, bijvoorbeeld polycarbonaat.

Het Kunsthistorisches Museum was zelfs niet voorzien van inbraakvertragend glas op basis van PVB folie, noch was er sprake van een glasafscherming in de vorm van (rol)luiken. Robert Mang kon dus na één klap het museum binnen gaan.

Elektronische signaleringDe in tijd uitgedrukte inbraakvertraging gaat pas in op het moment dat een (elektronisch) signaal gegenereerd wordt. Dat signaal is bedoeld om de alarmopvolgingsorganisatie te mobiliseren. Elektronische signalering moet in een zo vroeg mogelijk stadium werken. Het heeft een heel beperkt nut indien een inbreker pas gedetecteerd wordt als hij al binnen is. De alarmopvolgers, daar zijn veel te veel voorbeelden van, zullen dan altijd te laat zijn. Geavanceerde elektronische signalering kan niet gesaboteerd worden omdat geavanceerde systemen zichzelf controleren. Het doorzenden van signalen (de transmissie) moet plaatsvinden via continu gecontroleerde en mechanisch goed afgeschermde verbinden en detectoren moeten niet afgedekt kunnen worden. De detectoren in het Westfriesmuseum in Hoorn werden tijdens openingstijd van het museum door de criminelen afgeplakt waardoor de inbreker(s) langdurig ongemerkt hun gang konden gaan. Geavanceerde detectoren zijn van het zogenaamde anti-masking type en geven bij het inschakelen van het systeem alarm als er pogingen zijn geweest ze te maskeren. Voor het afplakken van detectoren is geen grote criminele professionaliteit nodig.

In Wenen was weliswaar sprake van een signalering zodra de ramen werden aangevallen, maar daar was geen enkele integratie tussen bouwkundige weerbaarheid en de signalering. Elektronische signalering heeft nauwelijks zin als via een hit-and-run inbraak een diefstal kan plaatsvinden.

CompartimenteringIn de beveiliging wordt gesproken van de ‘schillentheorie’. Na doorbreking van de buitenste schil zal de inbreker moeten stuiten op meerdere volgende schillen. Dat kunnen interne inbraakvertragende deuren zijn, maar dat kunnen ook kluizen of afzonderlijke compartimenten zijn. Het Gutenberg Museum in Mainz heeft de 42-regelige Bijbel van Gutenberg tentoongesteld in een inbraakwerende vitrine die op zijn beurt weer in een kluis staat. Zo ver hoeven de meeste musea niet te gaan, maar het kan natuurlijk nooit zo zijn dat het belangrijkste en meest kostbare object van een museum zich bevindt in een gemakkelijk toegankelijke ruimte tegen de buitengevel van het gebouw in een vitrine van ‘gewoon’ glas die met één klap kan worden ingeslagen.

Meeneembeperkende maatregelenIn de vorige paragraaf over compartimentering werd al verwezen naar de rol van vitrines. Vitrines kunnen ook gezien worden als een meeneembeperkende maatregel. De afgelopen jaren zijn in enkele Nederlandse musea en tentoonstellingsruimtes van bibliotheken/archieven vitrines geplaatst met een zeer hoogwaardige inbraakwerendheid. Analoog aan die vitrines zijn in een Vlaams museum overeenkomstige vitrines gebouwd. Inbraakwerende vitrines kunnen gezien worden als afzonderlijke compartimenten mits op basis van een programma van eisen (PvE) aan de volgende voorwaarden is voldaan:

– De inbraakvertraging moet zijn vastgelegd;

– Er moet elektronische signalering zijn IN de vitrines tijdens openingstijd van het museum en zowel IN als BUITEN de vitrines wanneer het museum gesloten is;

– De alarmopvolging moet zijn geregeld;

– Er moet een sleutelsysteem zijn

In het PvE van de vitrine moet aandacht worden besteed aan de constructiestabiliteit, de te gebruiken componenten (staal, inbraakwerend glas op basis van polycarbonaat), gecertificeerd sluitsysteem (dus niet van die kwetsbare vitrinesloten die meestal gebruikt worden), bevestiging aan de ondergrond, UV wering, klimaat, licht etc. Heel belangrijk: op basis van testen moet bepaald worden of aan het PvE voldaan wordt.

Overige meeneembeperkende maatregelen kunnen allerlei bevestiging- en ophangsystemen zijn in samenspraak met de collectieverantwoordelijke.

Robert Mang had slechts seconden nodig om Cellini’s zoutvat uit de vitrine te halen. Die vitrine voldeed aan zeer lage eisen.

Integraal beveiligingsplan in vogelvluchtDe zeer korte beschrijving van de Organisatorische, Bouwkundige, Elektronische, Compartimenterende en Meeneembeperkende maatregelen in bovenstaande tekst kunnen met enige creativiteit gebruikt worden als uitgangspunt voor het maken van een integraal beveiligingsplan en een PvE voor de optimalisering van de beveiliging. Het is heel belangrijk dat niet de aandacht specifiek uit gaat naar één onderdeel van de beveiliging, maar dat voortdurend de integratie van de diverse onderdelen beoogd wordt. Alleen dan kan een beveiligingniveau bereikt worden dat het Kunsthistorische Museum had kunnen vrijwaren van de afgang en de schade die de bliksemsnelle diefstal van de Saliera heeft veroorzaakt.

De meeste inbraken in en diefstallen uit musea vonden niet plaats doordat de criminelen zo professioneel – kan het a.u.b. ophouden met die complimentjes! – waren, maar doordat de beveiliging niet geavanceerd en professioneel was.

toncremers@museum-security.org

November 10th, 2007

Posted In: archief, musea, museum, Museum thefts, Nederlandstalige artikelen

Tags: , , , ,

November 2007

Lees Als je bang bent voor waterschade moet je een sprinklerinstallatie nemen. Dit PDF bestand wordt voortdurend ge-update.
Op 7 februari 2008 organiseert de sectie Veiligheidszorg en Facilitymanagement van de Museumvereniging een themabijeenkomst over sprinklers.

November 10th, 2007

Posted In: Nederlandstalige artikelen

Alarmopvolging met ingang van 1 april 2008

Begin 2007 heeft de Raad van Hoofdcommissarissen (Nederlands Politie Instituut) een convenant afgesloten met het Verbond van Beveiligingsorganisaties (VvBO). Aanleiding was het feit dat de politie in veel gevallen nodeloos werd gewaarschuwd en er zeer veel capaciteit verloren ging met het afwikkelen van deze “ongewenste” alarmmeldingen. In dit Convenant Opvolging Elektronische Alarmen wordt het volgende geregeld:

Er wordt vanaf 1 april 2007 door de politie voorrang gegeven aan geverifieerde inbraakmeldingen en vanaf 1 april volgend jaar mogen ongeverifieerde alarmen niet meer doorgemeld worden aan de politie. Deze verificatie kan plaatsvinden door persoonlijke verificatie (een beveiligingssurveillant of een ander persoon, bijvoorbeeld iemand van de organisatie zelf of buren) of technische verificatie (door middel van beeld, geluid of op basis van een binnen de topografie van het gebouw opeenvolgend aantal alarmen).
Hoewel technische verificatie op afstand door een particuliere alarmcentrale mogelijk is dient er, net zoals voorheen, een sleutelhouder binnen 15 minuten na doormelding van het alarm naar de politie ter plekke te zijn!

Daarnaast dient iedere gebruiker van een overvalalarm hiervoor (opnieuw) toestemming aan te vragen. Om in aanmerking te komen voor een directe doormelding naar de politie dient er sprake te zijn van een meer dan gemiddeld gevaar voor een overval, gijzeling, kidnapping of (moord)aanslag. Is er wel een overvalknop, maar geen politietoestemming, dan handelt de particuliere alarmcentrale conform de met de klant overeengekomen actieprotocollen. Als de alarmcentrale na een overvalmelding contact met opneemt en een noodcode doorkrijgt of iets vreemds constateert, dan wordt de politie alsnog ingeschakeld.
Het is belangrijk goed na te denken over het doel van elektronische signalering en alarmopvolging:

– Is het doel pogingen tot inbraak en diefstal te verijdelen?

– Is het doel het aantal te stelen objecten te beperken en wordt geaccepteerd dat inbrekers nu eenmaal niet kunnen worden tegen gehouden?

– Is het doel te zorgen dat na een geslaagde inbraak en diefstal de inbreker dezelfde nacht niet succesvol terug kan keren

– Is de elektronische signalering slechts bedoeld om een timmerman te waarschuwen die de opengebroken deur/raam met een plaat multiplex dicht timmert?

Het zal duidelijk zijn dat punt 1 de voorkeur verdient. Als het doel is dat inbrekers gepakt worden voordat ze hun slag slaan, dan moet er voor gezorgd worden dat de bouwkundige weerbaarheid en de elektronische signalering zodanig zijn dat de alarmopvolgingsorganisatie sneller is dan de inbrekers.

Dit betekent dat de buitenschil een hoog niveau van inbraakwerendheid moet hebben en dat pogingen die schil te doordringen direct bij aanvang gedetecteerd moeten worden. Daarnaast moet er gezorgd worden voor een inbraakwerende inpandige compartimentering en waar nodig voor meeneembeperkende maatregelen zoals goede verankering van objecten en inbraakwerende vitrines. Natuurlijk dit alles passend binnen het voor individuele gebouwen/organisaties bepaalde risicoprofiel. Het heeft geen zin zwaardere beveiliging toe te passen dan het risicoprofiel vereist.

Tenslotte: inbrekers weten dat er vrijwel overal sprake is van elektronische signalering en alarmopvolging (de gemiddelde opvolgingstijd is in Nederland bij particuliere alarmopvolgers 35 minuten) en dat ze snel hun slag moeten slaan. De integrale beveiliging moet zo zijn ontworpen dat een snelle inbraak en verzameling van de buit onmogelijk is. Alarmopvolging – los van de regels die de politie hanteert vanaf 1 april 2007 – is een onderdeel van de beveiliging, vooral van de organisatorische beveiliging (O). Die O moet naadloos aansluiten op de B (bouwkundige), de E (elektronisch), de C (compartimentering) en de M (meeneembeperkende maatregelen).

November 10th, 2007

Posted In: Nederlandstalige artikelen

Markeren / ‘taggen’ museumobjecten, mogelijkheden en beperkingen
Het markeren van eigendommen is niet nieuw. Vrijwel ieder museaal prentenkabinet of archief heeft prenten, tekeningen, topografische kaarten, manuscripten of oude charters in het bezit die gemarkeerd zijn met stempels. Die stempels zijn niet alleen in de marge van de bladen te vinden, maar heel vaak op de afbeelding, soms zelfs midden op de afbeelding. Vaak komt het voor dat bladen voorzien zijn van meerdere stempels of handgeschreven eigendomskenmerken aan de hand waarvan de provenance van die bladen gevolgd kan worden. Het ex libris als eigendomskenmerk in boeken is een zelfstandig verzamelobject geworden. Duidelijk herkenbare eigendomskenmerken hebben een heel beperkte afschrikwekkende functie bij het voorkomen van diefstal en kunnen pas nadat er een diefstal heeft plaats gevonden helpen bij de teruggave aan de rechtmatige eigenaar. Markeren heeft vooral zin bij objecten die in serie gemaakt zijn. De markering zorgt dan dat een object uit een reeks uniek gemaakt wordt. Objecten die uniek zijn, zoals schilderijen, hoeven niet om die reden gemarkeerd te worden. Een systematische registratie, bijvoorbeeld op basis van de Object-id (http://www.object-id.com/) standaard kan volstaan.
Het markeren van objecten houdt de dief nauwelijks tegen. Er zijn te veel voorbeelden bekend van geroofde prenten en tekeningen waar het eigendomskenmerk van verwijderd is. Dat gebeurde soms subtiel via oplosmiddelen of een simpel vlakgom, soms gebeurt dat heel grof door domweg het stempel uit een prent te knippen.
Of een markering nu zichtbaar is of alleen bekeken kan worden met speciale hulpmiddelen het zal bijna altijd lukken die markering te verwijderen. Markeren van in serie gemaakte objecten kan een grote rol spelen bij juridisch touwtrekken over het rechtmatige eigendom wanneer gestolen objecten teruggevonden worden. Enkele jaren geleden verduisterde een conservator uit een Nederlands museum honderden prenten en boeken. Bij het onderzoek bleek dat hij die gestolen prenten en boeken verkocht aan een en hetzelfde antiquariaat. Slechts zeer moeizaam heeft het gedupeerde museum een gedeelte van de gestolen prenten weten terug te krijgen omdat per prent aangetoond moest worden dat hij uit het museum afkomstig was. Indien de individuele prenten gemarkeerd waren geweest, dan zou de terugkeer omvangrijker zijn geweest en was vlotter verlopen.
Barcode en RFID (Radio Fequency Identification) markeringen spelen een heel belangrijke rol bij de gedeeltelijk automatische standplaatsregistratie van objecten. Vaak wordt gesuggereerd dat diezelfde markeringen een belangrijke rol kunnen spelen bij de beveiliging. Die suggestie is onjuist.
RFID en broodje-aap verhalen.
Aan RFID worden bijna mythische mogelijkheden toegekend. Het is daarom nodig te zorgen voor enige ontmythologisering.
Het is absoluut niet waar dat een minuscule RFID tag van dienst kan zijn bij track-and-trace (volgen en vinden) van objecten. Het verhaal dat de Nederlandse kroonprins een minuscule tag in zijn hiel zou hebben laten implanteren zodat hij na een eventuele ontvoering wereldwijd zou kunnen worden opgespoord kan naar het land der fabelen. Dat zou alleen mogelijk zijn indien die tag van een batterij is voorzien die de tag mogelijkheid geeft een signaal over lange afstand te verzenden. Gebruikmakend van GPS (Global Positioning System) zou het apparaat een afmeting moeten hebben minimaal ter grootte van een flinke GSM. Bovendien kost het continu communiceren met de GPS satellieten veel energie en zal de batterij zeer vaak vervangen moeten worden. Implanteren op een geheimzinnige plaats heeft dus geen zin. De minuscule, bijna onzichtbare tag waarmee gestolen goederen wereldwijd gevolgd en opgespoord kunnen worden bestaat niet.
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen passieve en actieve RFID tags. De passieve tag is door de Vaticaanse bibliotheek in alle boeken aangebracht. Die tags worden gebruikt voor de standplaatsregistratie en kunnen een rol vervullen bij de beveiliging. De passieve tags hebben geen elektrische voeding en moeten gelezen worden met behulp van een handlezer of via de bekende detectiepoortjes zoals die in bijna iedere detailhandel te vinden zijn. De boekhandel gebruikt al jaren vergelijkbare tags. Die tags zijn als een ijzerdraadje verborgen in de rug van de boeken en worden bij verkoop gedeactiveerd. In bibliotheken vindt de registratie van uitleen plaats op deze wijze. Het is daarom dat het vaak voorkomt dat men in openbare bibliotheken lege boekbanden in de stellingen vindt nadat dieven het boekblok uit de band gescheurd hebben. Zodra de passieve tag meer dan een meter van het detectiepoortje verwijderd is, is het contact verbroken.
Actieve RFID tags kunnen hun signaal, afhankelijk van de configuratie, over een afstand van enkele honderden meters zenden. Binnen een gebouw is die zendafstand veel kleiner. Naast allerlei industriële toepassingen worden deze tags tegenwoordig gebruikt als objectbeveiliging in enkele musea. Dat gebruik is eerder gebaseerd op slimme marketing door een klein Engels bedrijf dan op de mogelijkheden die RFID biedt. Actieve tags – dus met een batterij – hebben het formaat van een credit card en zijn ongeveer een halve centimeter dik. Ze worden met behulp van tweezijdig plakband of met klitterband aan of in collectieobjecten bevestigd. Gesuggereerd wordt dat de objecten door het gebouw gevolgd kunnen worden als ze al of niet bevoegd verplaatst worden. Dat blijkt in de praktijk niet te werken. Het RFID signaal heeft namelijk een bolvorm en dringt door muren en vloeren. Dit betekent dat de locatie die het systeem aan geeft vaak een andere ruimte is dan de werkelijke locatie van het object. De actieve tag communiceert met een ontvanger of met meerdere ontvangers die zich in het gebouw bevinden. Bij toename van het aantal, dure, ontvangers neemt de precisie van de locatiebepaling toe. Het zal duidelijk zijn: als in iedere ruimte een ontvanger wordt geplaatst (in grotere ruimtes zelfs meerdere) zal met grotere precisie de locatie van het object kunnen worden bepaald. De investering in een dergelijk woud van ontvangers is weggegooid geld omdat tegen een veel geringere prijs alle doorgangen van antennes kunnen worden voorzien die het signaal van passieve tags opvangen. Ter vergelijking: passieve tags kosten € 0,15 per stuk en actieve tags circa € 45,00. Bovendien moeten actieve tags iedere 5 tot 7 jaar vervangen worden omdat de batterij dan leeg is.
In musea waar gebruik wordt gemaakt van actieve RFID tags en centrale ontvangers worden die tags niet gebruikt voor hun track-and-trace optie maar als conventionele bewegings/trildetectoren. Een oneigenlijk gebruik. Bovendien missen die RFID tags een heel belangrijke optie: ze maken geen geluid. De meeste trillingen aan objecten worden veroorzaakt door nieuwsgierige aanrakingen en onhandigheden, niet door pogingen tot diefstal. Van een tag die bij aanraking van het beveiligde object een pieptoon of zoemer laat horen gaat veel sociale controle en preventie uit.
Is er dan helemaal niets te zeggen voor RFID tags als beveligingsgereedschap? Weinig. De enige beperkt aantrekkelijke optie is dat de tag met een in te stellen frequentie communiceert met de ontvanger. Deze optie biedt helaas slechts schijnveiligheid. Het is namelijk niet zo dat ontvangst van het signaal betekent dat het object nog aanwezig is. Het bewijst slechts dat de tag nog aanwezig is.
Hetzelfde probleem doet zich voor met de door Helicon Conservation Services uit Alphen aan de Rijn verkochte ‘talking tags’. Het Nederlandse museum dat zich over liet halen dit systeem te kopen omdat de objecten dan veel minder aangeraakt hoeven te worden – de tags kunnen immers op korte afstand met een handlezer gecontroleerd worden – maakte een vergissing te denken dat de inhoud van dozen met prenten gecontroleerd kunnen worden zonder deze dozen te openen en zonder de individuele prenten aan te raken. Dat is een misvatting. Het enige dat de handlezer doet is bepalen of alle tags nog in de doos zitten. Wil men weten of de prenten er nog in zitten dan zal de doos geopend moeten worden en de prenten gecontroleerd moeten worden zoals altijd geschiedde, namelijk handmatig.

Andere markeringstechnieken

Er zijn de afgelopen jaren veel markeringstechnieken op de markt gebracht met fraaie namen als ‘Magic Water’, Identidot, Microdot, Eidetic Art Identification System, Microtrace, DNA Print Kit, ISIStm Verification Technology etc. Vaak betrof het oude wijn in nieuwe zakken. Veel van die technieken zijn naar de achtergrond verdwenen of worden helemaal niet meer geleverd. Het is geen enkele techniek gelukt een internationale standaard te zetten. Het succes van de markeringstechnieken valt en staat met de bereidheid gebruik te maken van een database waarin alle kenmerken van gemarkeerde objecten zijn opgeslagen. Vaak betreft het oude technieken in een nieuw jasje. Wilbur Faulk, voormalig directeur security van het Getty Museum, heeft zich de afgelopen jaren geworpen op de DNA Print Kit. Deze kit bestaat uit een pen, een stempelkussen en een infrarood lamp. De inkt van de pen en het stempelkussen is onzichtbaar. Markeringen kunnen alleen gezien worden met behulp van de infrarood lamp. Niets nieuws onder de zon want in de jaren zestig van de vorige eeuw stelden verzekeringsmaatschappijen al pennen met onzichtbare inkt beschikbaar waarmee bezittingen konden worden gemarkeerd. Een nieuwe vondst is de toevoeging van kunstmatig DNA. Het is niet zo dat iedere verkochte DNA Print Kit een uniek DNA heeft. Er is een reeks van DNA patronen dat bij de producent bekend is. Bij het terugvinden van gestolen objecten moet dus gebruik worden gemaakt van de bij de producent beschikbare DNA informatie. Bij afname van grote hoeveelheden van de kit kan een voor de klant uniek DNA worden gemaakt. Als de markering zelf geen uitsluitsel geeft over het rechtmatige eigendom zal het DNA moeten worden onderzocht. Het zal duidelijk zijn dat daar laboratoriumcapaciteit en middelen voor moeten zijn. Geen enkel systeem is volledig sluitend, ook deze kit niet, maar deze kit kan een oplossing bieden bij het terug verwerven van gestolen goederen.
Probleem met alle bekende markeringstechnieken is dat ze allemaal verwijderd kunnen worden. Sommige zoals Microdot (vergelijkbaar met de rijstekorrel die je op jaarmarkten kan kopen met daarop je naam gegraveerd) zijn heel moeilijk te traceren, maar als ze eenmaal gevonden zijn kunnen ze verwijderd worden. Bovendien zullen de markeringen altijd op een of andere wijze aan het object moeten worden aangebracht. Daar bestaan vaak bezwaren tegen uit behoudsoverwegingen.
Een geheel nieuwe ontwikkeling is de momenteel door Bill Wei van het Instituut Collectie Nederland onderzochte ‘vingerafdruk’ op basis van nanotechnologie. De eerste reeks testen is al gedaan.
Uitgebreide informatie is te vinden op:
http://www.museum-security.org/wei-icn.pdf en:
http://www.museum-security.org/wei-sauveur.pdf
Voordeel van deze nieuwe methode is dat gebruik wordt gemaakt van de kenmerken van het object zelf en er is dus niets aan het object bevestigd hoeft te worden. Nadeel is dat er – voorlopig in ieder geval – dure specialistische apparatuur nodig is om de ‘vingerafdruk’ te maken. Die vingerafdruk is feitelijk niets anders dan een zeer gedetailleerde opname van een klein stukje oppervlakte van het object. Hiermee wordt de unieke structuur, want ook in reeks gemaakte objecten hebben op nano niveau een unieke structuur, van een object vastgelegd. Het door Dr. Wei verrichte onderzoek is een Europees gesubsidieerd project waaraan naast het ICN organisaties in Frankrijk, Duitsland, Engeland en Griekenland deel nemen.
Markeren, taggen houdt dieven niet tegen
Wanneer heel bekende schilderijen gestolen worden lees je altijd weer persverklaringen van museumdirecteuren en politiefunctionarissen waarin beweerd wordt dat die schilderijen toch niet verkocht kunnen worden omdat ze te bekend zijn. Ze worden echter wel gestolen en slechts de helft van de gestolen schilderijen wordt terug gevonden. Dat duurt gemiddeld zeven jaar. Markeren van bekende schilderijen heeft slechts zin indien bij het terugvinden van die schilderijen twijfel zou kunnen ontstaan over de authenticiteit. Een dergelijke twijfel doet zich (vrijwel) nooit voor. Markeren van museumobjecten zal nauwelijks enige bescherming tegen diefstal bieden, maar kan een heel belangrijke rol gaan spelen bij geschillen over het juridisch eigendom nadat gestolen objecten teruggevonden worden. Markeren is dus niet DE oplossing tegen diefstal, maar een van de middelen in de integratie van bouwkundige, elektronische, organisatorische, meeneembeperkende (vitrines en bevestigingssystemen) maatregelen waarmee we onze museumobjecten beschermen. Markering speelt pas een rol nadat de preventieve maatregelen gefaald hebben en we het geluk hebben gestolen objecten terug te vinden. Het percentage schilderijen dat teruggevonden wordt steekt positief af tegen alle andere gestolen cultuurobjecten. Van gestolen boeken, prenten, klokken, tapijten, sieraden en meubilair wordt slechts tussen de 2 en 15% teruggevonden. Markeringen van objecten zal daarom bij slechts een zeer gering percentage van de diefstallen een rol spelen. Deze rol kan slechts groter worden indien er een internationaal geaccepteerde standaard van markeren komt die gekoppeld is aan een internationaal toegankelijke database van gemarkeerde objecten. Alle pogingen daartoe zijn tot op heden gestand door gebrek aan internationale samenwerking.

Ton Cremers, november 2007

November 10th, 2007

Posted In: Nederlandstalige artikelen

Nederlands Dagblad
Januari 2006
‘Musea moeten af van fluistercultuur’

Koninklijke Bibliotheek start proefproject incidentenregistratieHet Korps Landelijke Politiediensten werkt aan een landelijke databank voor gestolen kunst en antiek, die dit jaar klaar moet zijn. De Museumvereniging en andere erfgoedorganisaties willen echter ook een databank voor (bijna-)incidenten. Maar melden de musea al hun calamiteiten en ‘stommiteiten’?
door onze redacteur Hans Hopman

AMSTERDAM – Een schoonmaker die de steel van een bezem dwars door een schilderij steekt, een doek van Jan Steen dat in het restauratieatelier van een ezel valt, een sleutel die de hele dag in een museumdeur heeft gezeten. Als het aan de Museumvereniging – spreekbuis van de Nederlandse musea – ligt, gaan de erfgoedorganisaties al deze dingen straks centraal melden in een incidentenregister. Via deze databank kunnen musea elkaar in een vroeg stadium op de hoogte stellen van incidenten. Dit moet uiteindelijk de veiligheid ten goede komen. ,,Het is van groot belang dat erfgoedinstellingen van elkaars ‘fouten’ leren”, aldus vorig jaar een werkgroep. De werkgroep is ingesteld door onder andere de Museumvereniging en stichting NedArt, een platform voor organisaties in de kunsthandel. Meer openheid zal wel betekenen dat de musea ‘met de billen bloot’ moeten. AanbevelingenDe twee belangrijkste aanbevelingen van de werkgroep nam staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur) over: een diefstalregistratie ‚n een (onderzoek naar) incidentenregistratie. De databank voor gestolen cultuurgoederen komt er in de tweede helft van dit jaar, meldde Van der Laan eind vorige maand. Opsporing van kunstroof, vooral in internationaal verband, hoopt zij daarmee te verbeteren. De Nederlandse databank – tevens meldpunt – wordt een onderdeel van een Europees netwerk van politiediensten die zich bezighouden met kunstroof. De startkosten voor de databank bedragen 750.000 euro, en de structurele kosten voor het operatief houden van het register zijn ongeveer 250.000 euro per jaar. FluistercultuurCentrale incidentenregistratie, als middel bij risicobeheer, is voor musea een vrij onbekend gebied. Dit in tegenstelling tot chemische bedrijven, vliegtuigmaatschappijen en ziekenhuizen. ,,Het is zeer de vraag of de culturele wereld bereid is incidenten buiten de eigen organisatie te melden”, schrijft een sceptische Ton Cremers op zijn website ®MDUL¯museum-security.org®MDNM¯. ,,Recente cijfers over aangiftebereidheid heb ik niet, maar een jaar of tien geleden lag die bereidheid op ongeveer 30 procent. Zelfs binnen de eigen organisatie hebben medewerkers vaak de grootste moeite incidenten te melden. Maar al te vaak heerst er een fluistercultuur”, zegt de directeur van een adviesbureau op het gebied van veiligheid. Hij noemt als voorbeeld de ontvreemding van een laptop, omdat dit ook net zo goed een peperduur kunstvoorwerp had kunnen zijn. Hoe dan ook, cultuurstaatssecretaris Van der Laan stelde ook een subsidie beschikbaar voor een proefproject bij de Koninklijke Bibliotheek. De KB gaat in samenwerking met enkele tientallen erfgoedinstellingen uit Den Haag, Leiden en Delft een systeem opzetten om incidenten centraal te registreren. ,,Volgende maand wordt er feitelijke invulling aan gegeven. Eind dit jaar verwachten we de eerste resultaten”, laat woordvoerder Onno Groustra van de Museumvereniging weten. Paniek zaaienDe praktijk moet uitwijzen hoe open de musea naar elkaar toe zijn in het melden van incidenten die ze voorheen liever onder de pet hielden, zogenaamd ‘om geen paniek te zaaien’. Ton Cremers noemt een vrij recent voorbeeld, zonder het museum te noemen. Maar de ingewijde lezer ontdekt gemakkelijk een relatie met de brutale roof uit het Westfries Museum in Hoorn. ,,Hoewel de criminelen op een kinderlijk eenvoudige wijze de elektronische signalering hebben weten te omzeilen, verklaart de directie te beschikken over een ‘zeer geavanceerd beveiligingssysteem’ en slachtoffer te zijn geworden van ‘zeer professionele criminelen’.” Op deze manier wordt volgens Cremers niet alleen onjuiste informatie gegeven over het niveau van het beveiligingssysteem, maar ook worden de dieven ,,zeer ten onrechte” gecomplimenteerd met hun ‘professionaliteit’. De museumdirectie zei ook te hopen dat andere musea van deze gebeurtenis kunnen leren. Een ‘advies’ waar volgens de beveiligingsdeskundige niemand wat mee kan, als er niet meer openheid van zaken wordt gegeven.
Groustra van de Museumvereniging is het met Cremers eens dat het succes van een centrale incidentenregistratie afhangt van de bereidheid om informatie te delen. De wil is er in ieder geval onder de instellingen die meedoen aan het proefproject van de Koninklijke Bibliotheek, en dat geeft hem hoop. ,,Ze gaan werken met een gebruikersnaam en wachtwoord, dus het systeem is beveiligd tegen ‘derden’. Maar als musea informatie achterhouden, is het project tot mislukken gedoemd.”

Hans Hopman
Nederlands Dagblad
Januari 2006

January 10th, 2006

Posted In: Nederlandstalige artikelen

This content is password protected. To view it please enter your password below:

May 10th, 2005

Posted In: Nederlandstalige artikelen