De afgelopen 15 jaar werd de museumwereld een aantal keren geconfronteerd met zeer ernstige schade veroorzaakt door lethargisch beleid van museumdirecteuren. Consequenties van falen door eindverantwoordelijken hoort niet tot de bedrijfscultuur van musea. Je vraagt je af waarom. Het vermoeden dringt zich op dat consequenties uitblijven omdat het falen gevolg is van een keten falende verantwoordelijkheid van subsidiegever, bestuur, raad van toezicht tot de eindverantwoordelijke directeur.

In de profit sector komt het regelmatig voor dat ondeskundige managers hun biezen moeten pakken. Ik geef toe: dat biezen pakken gaat nogal eens gepaard met een financiële douceur waar menig werknemer in dienstverband van smult. Wie wil er niet als een Rijkman Groenink genoodzaakt worden de werkjas aan de wilgen te hangen? Rijkman – what’s in a name – zou later spreken over rampjaar: 2007, het jaar waarin hij door de vijandige overname van de ABN AMRO bank een beloning van een slordige 30 miljoen euro in de schoot geworpen kreeg. Bij zijn vertrek kreeg hij twee jaarsalarissen mee en zijn optie- en aandelenbeloningen bleken in één klap zo’n 26 miljoen euro waard. Je zou bijna medelijden krijgen met de man, vooral omdat het volk nog jaren kritiek bleef spuien over dit riante afscheidscadeau. Groenink, een verklaard tegenstander van absurd hoge bonussen in de bankenwereld – een beter voorbeeld van een vos die de passie predikt is niet denkbaar – ziet het geld dat hij kreeg als genoegdoening voor het onverteerbare feit dat ABN Amro in 2007 tegen zijn zin werd overgenomen en opgeknipt. Een jaar later bleek niet alleen de ABN AMRO bank er een bende van te hebben gemaakt, maar dat vrijwel de hele bankenwereld wegens egoïstisch, zelfverrijkend management door de mand viel. Er rolden vele volgevreten koppen op alle niveaus in de bankenwereld.

Hoge vertrekpremies zijn in de profit sector minder sociaal aanvaard dan voorheen, maar worden wel nog verstrekt. Falen loont in veel gevallen op financieel aantrekkelijke wijze. Niet goed functioneren? Wegwezen en tegelijk de schaapjes op het droge.

Als ik Rijkman Willem Johan Groenink tijdens de vernissage op The European Fina Art Fair (TEFAF) in Maastricht in zijn maatkostuum en met zijn ijdele haarbos, net onder de droogkap vandaan, rond zie stappen, kan ik niet nalaten te denken: “Met belastingcenten volgepropt varken dat je bent!” Belastingcenten omdat zijn omvallende bank met miljarden belastinggeld overeind moest worden gehouden.

Zo lang die bonussen en vertrekpremies betaald worden uit de winst die bedrijven maken, is dat hoogstens zeer pijnlijk voor de werknemers die alleen via zeer moeizame CAO-onderhandelingen een enkel graantje meepikken van het succes. Erger nog: niet zelden stapt de CEO met een zak vol geld de deur uit vlak voordat een faillissement wordt uitgesproken. Werknemers en leveranciers in verbijsterde armoe en werkloosheid achterlatend.

Maar dan de museale non-profit sector. Geen, voor zover ik weet, klinkende gouden handdrukken bij falend beleid. Nee, erger nog: falend beleid heeft helemaal geen gevolgen voor de eindverantwoordelijke directeur.

Je ‘halve museum’ leeggeroofd in Hoorn (2005)? Je liegt in de pers en op bijeenkomsten van de Museumvereniging dat je een geavanceerde beveiliging had, maar helaas geslachtofferd werd door ‘professionele criminelen’. Dat zijn twee vliegen in 1 klap: liegen over zowel de beveiliging als over de professionaliteit van de criminelen. De vraag dringt zich op: hoe komt het dat je na een inbraak ineens expert lijkt te zijn over de professionaliteit van de criminelen, maar nooit zelfs maar het initiatief nam iets te doen aan je beveiliging? Helemaal een gotspe: nadat deze directeur – ik heb het over raaskallende Ruud Spruit – door het ijs zakte als buiten-de-deur-beunhazende broodschrijver en programmamaker, vertaalde en verziekte hij een boek over gestolen kunst. Alles, werkelijk alles, dat Beun de Haas toevoegde aan het oorspronkelijke boek is gelardeerd met nonsens en fouten. De inleiding die hij schreef in dit slordig geproduceerde boek, een onvervalste commercial voor het Art Loss Register (een particuliere onderneming met winstdoelmerk), geurt naar hoerige journalistiek. Had al dat falen en gesjoemel van Ruud consequenties? Wie zal het zeggen. Ongeveer een jaar voor zijn pensioen verdween hij met stille trom uit het museum, overeind gehouden door wethouder van cultuur Tonnaer. Volledig onbegrijpelijk: na de omvangrijke diefstal uit het Westfries Museum meldden zich diverse museumdirecteuren die het allemaal zo sneu vonden voor Ruud dat ze hem aan de borst namen en ongevraagd schilderijen in bruikleen aanboden om de gaten in het museum op te vullen. De Museumvereniging ging op de uitnodiging van Ruud in om in zijn museum de sectie Veiligheidszorg te presenteren. Ben ik nu gek geworden? Laat ik deze vraag meteen beantwoorden: Nee, dat ben ik niet. Het hermetische, zichzelf beschermende museumwereldje toonde hier symptomen van gekte. (Ruud organiseerde ooit een Karel Appel tentoonstelling en kreeg, als directeur van het museum, van Appel als dank een schilderij cadeau. Waar is dat schilderij?)

Hoe kon dit slecht beveiligde museum verzekerd zijn? De verzekeringsmakelaar was AON – breek me de bek niet open – Artscope.

Een unieke situatie? Van geen kant. Na de inbraak en diefstal in het Museon Den Haag (2002) waar een tentoonstelling met diamanten sieraden werd gedecimeerd door criminelen, kreeg toenmalig directeur Bert Molsbergen van allerlei kanten het aanbod sieraden in bruikleen te nemen om de tentoonstelling weer aan te vullen. Ben ik u gek geworden? Nee, nee, nee. Het ‘wereldje’ vertoonde ook daar trekken van acute verstandsverbijstering. De verzekeraar weigerde de schade te vergoeden omdat de beveiliging middeleeuws was. Een terecht besluit. Maar, hoe kwam het dat de verzekeraar deze slecht georganiseerde tentoonstelling ‘dekte’. Hier gaat het deksel van een kwalijk riekende beerput open. De verzekeringsmakelaar was AON – breek me de bek niet open – Artscope. Twee weken voordat in het Museon werd ingebroken vertelde een medewerker van AON Artscope mij dat de beveiliging van de tentoonstelling ‘om te huilen’ was. Vreemd, heel vreemd. Waarom bracht deze makelaar de tentoonstelling zonder eisen te stellen onder bij een verzekeraar? Laat ik hierover niet fantaseren. Of toch een beetje: had het misschien iets te maken met geld verdienen en duimen dat er niets fout zou gaan? Wie zal het zeggen. Hoe het ook zij: de Portugese kroonjuwelen die gestolen werden, zijn nooit meer teruggevonden, evenmin als alle andere gestolen sieraden.

Had dit falen gevolgen voor de verantwoordelijke managers in het museum? Wie het weet mag het zeggen. Ik weet het, maar zeg het deze keer niet.

Jaar-in-jaar uit niet in staat een honderden miljoenen kostende verbouwing van het Rijksmuseum niet vlot krijgen als eindverantwoordelijke? Ik las in geen enkele krant dat de grootste financier van deze verbouwing en tevens eigenaar van de collectie en gebouwen consequenties uit dit onvermogen trok. Nee, Ronald de Leeuw vertrok met stille trom, omdat hij ‘meer tijd voor zichzelf wilde hebben’. Wat??! Vijfenvijftig jaren jong en bedeeld met de meest prestigieuze baan in de Nederlandse museumwereld, een van de meest prestigieuze banen in de internationale museumwereld, en dan in de bloei van je carrière aan je stutten trekken omdat je meer tijd voor jezelf wilt hebben? Binnen en wereld gebouwd op creativiteit en kunstzinnigheid had ik een wat originelere smoes verwacht. Werd Ronald de Leeuw onder druk van het ministerie de laan uit gestuurd? Geen idee. Collectie en gebouwen zijn weliswaar eigendom van de staat, maar het toezicht ligt in handen van de zelfstandige Stichting Het Rijksmuseum. Ronald de Leeuw vormde in zijn eentje het bestuur van deze stichting onder toezicht van een commissie zeer wijze mannen en vrouwen (onder andere de huidige directeur Wim Pijbes). Kreeg Ronald een financiële douceur mee? Laat ik niet te veel suggestieve vragen stellen, want ik weet niet wat er gebeurd is. Echter, niemand kan mij verkopen dat er geen relatie is tussen dat vroegtijdige vertrek, na een kort dienstverband, van Ronald de Leeuw en de stagnatie bij de verbouwing. Laat ik het er op houden dat mijn zeer persoonlijke overtuiging is dat RdeL zorgvuldig beschermd door het Rijksmuseale netwerk genoodzaakt was het hazenpad te nemen.

Brand (2007) je gehele museum af en komt de aap uit de mouw dat je geen calamiteitenplan had, dat er geen duidelijke afspraken waren met externe hulpverlening zoals de brandweer, dat er dakwerkzaamheden plaatsvonden terwijl je de belangrijkste tentoonstelling uit je tienjarig bestaan organiseerde en dat er over die werkzaamheden onvoldoende afstemming was met de gemeente? Geen probleem. Het museum – Armando Museum in de Elleboogkerk in Amersfoort – is na de brand van de aardbodem verdwenen samen met de in het museum aanwezige collectie, inclusief kostbare bruiklenen. De verantwoordelijke directeur, Gerard de Klein, raakte door zijn falen zijn museum kwijt en daardoor zijn baan. Geen reden tot zorg: binnen de kortste keren werd binnen de museumwereld weer een directeursbaantje voor hem gevonden, en wel van museumgoudA (let wel: deze maffe spelling is niet mijn vondst). Gerard haalde binnen de kortste keren weer het nieuws door de twijfelachtige veilingverkoop om de museale kas te spekken van een Marlene Dumas schilderij. De inbraak in zijn museum en de diefstal van een monstrans is hem niet aan te rekenen. Wel ben ik natuurlijk heel benieuwd wat Gerardje gedaan heeft om herhaling te voorkomen.

Hoorde of las ik kritische vragen over het functioneren van De Klein in Amersfoort? Hoorde of las ik kritische vragen over het wanbeleid van Spruit in Hoorn. Werd Bert Molsbergen persoonlijk aangesproken over de uiterst slechte beveiliging van de tentoonstelling in het Museon? Hoorde of las ik kritische kanttekeningen bij het verbouwingswanbeleid van Ronald de Leeuw? Niets van dat al. Ik zag wel meeleven op het medelijdende af, verhulling van falen, idiote aanbiedingen van bruiklenen aan geslachtofferde musea. Hoe vreemd kan het lopen.

Is bovenstaand overzicht compleet? Nee, er is nog een museum met een ‘geavanceerde beveiliging’ waar een stelletje Roemeense kruimeldieven met het grootste gemak hun slag sloegen (2012): De Kunsthal (strikt genomen geen museum) in Rotterdam. Alsof het de diefstal uit een onbeveiligd rijtjeshuis betrof gingen die jongens aan de haal met een aantal beroemde meesters, maar aan de beveiliging mankeerde volgens directeur Emily Ansenk helemaal niets. Die was dik op orde. Hoe bont kan je het maken. Dacht mevrouw Ansenk werkelijk dat de buitenwereld, inclusief ondergetekende, die Spruitiaanse bluf zou slikken voor zoete koek? Niet alleen gefaald als eindverantwoordelijke voor het veilig tentoonstellen van kostbare bruiklenen – maling aan de gedupeerde bruikleengevers – maar ook nog minachting voor de pers en de buitenwereld. Had dit voor de positie van Ansenk gevolgen? Natuurlijk niet. Waren er dan helemaal geen gevolgen? Ja, binnen een dag werd de geavanceerde beveiliging nog geavanceerde gemaakt door op voor ramkraak kwetsbare plekken rondom het gebouw betonnen plantenbakken te plaatsen en anderhalf jaar later vond er een aanzienlijke ingreep plaats in het gebouw om onder andere de ‘klimaatbeheersing te moderniseren’.

Oh ja, voordat ik het vergeet: wie was de verzekeringsmakelaar? Juist: AON – breek me de bek niet open – Artscope.

Vooruit, om af te sluiten nog een kleintje: het Natuurhistorisch Museum, buur van Ansenk. Daar werd ingebroken (2011) en de kostbare hoorn van een neushoorn werd gestolen. Hoe was dat mogelijk? Dat was mogelijk doordat de beunhazende (ja, Ruud Spruit staat niet alleen) directeur een advies van de politie in de wind sloeg. Meneer Jelle Reumer had geen boodschap aan de hausse aan inbraken in natuurhistorische musea waar een, vermoedelijk Ierse, bende zich richtte op deze hoorns. Reumer wilde het de scholieren niet aan doen dat ze moesten kijken naar een kopie van kunsthars. Nee, ze moesten het echte werk zien en niets anders. Jammer, heel jammer dat dat echte werk er nu niet meer is. Was er enig kritisch geluid te horen over Jelle? Niente, nada. Wat Jelle wel deed: mij een aanmatigende mail sturen omdat ik mij kritisch uitliet over zijn wanpresterende buurvrouw en over zijn maatje Ruud Spruit. Het zij hem vergeven. Ook Jelle heeft op z’n tijd recht de ratio uit het oog te verliezen en neer te donderen in een emotionele afgrond.

Is bovenstaand overzicht volledig? Nee. Moet ik door gaan? Een volgende keer. Er is meer, veel meer in binnen- en buitenland. Erger nog: de lijst zal, zo vrees ik, in de toekomst groeien.

Ton Cremers

 

 

January 18th, 2016

Posted In: Geen categorie, Herinneringen van een museumbeveiliger, Ton Cremers blogs

Tags: , , , , , , , , , , , , ,

De onhandige erfgoedinspecteur die aangifte tegen mij deed wegens laster en smaad had bijna tien jaar eerder een heel wat vaardiger voorgangster: Ellen Batzel. Op het internet is van alles te vinden over haar aangifte tegen mij en het verloop van de vier jaar slepende juridische procedure.

Was de aangifte van Batzel tegen mij terecht? Kennelijk niet, want ze verloor na een lange procedure op alle fronten en zorgde daarmee voor jurisprudentie die beheerders van internet mailinglists beschermt tegen dit soort gedoe.

Had ik begrip voor haar? Ik begreep aanvankelijk haar emotie. Die emotie ontspoorde echter toen er een absurde claim kwam van $ 30.000.000,00, toen ze het nodig vond mijn werkgever, het Rijksmuseum, lastig te vallen met mails, faxen en brieven en ze begon met wat in de USA een ‘frivolous lawsuit‘ wordt genoemd: procederen om het procederen in een poging de tegenpartij kapot te procederen door de procedure zo lang vol te houden dat de tegenstander de bodem van zijn financiele middelen bereikt, zijn verzet staakt en uiteindelijk verliest.

Mijn aanvankelijke begrip voor Batzel’s emotie werd door deze hele gang van zaken volledig teniet gedaan.

Wat geschiedde…..

De huidige Museum Security Network Google groep werd vanaf december 1996 vooraf gegaan door een internet mailing lijst onder dezelfde naam: Museum Security Network, afgekort MSN.

Ik beheerde die lijst als moderator. Geen enkel bericht bereikte de abonnees zonder dat ik het eerst bekeken en goedgekeurd had. Ik hanteerde een heel simpel citerium: berichten moesten gaan over incidenten met cultuurgoed – een heel breed criterium – en de bal, niet de man moest gespeeld worden. Dat laatste criterium heb ik altijd te subjectief gevonden om strikt te handhaven.

September 1999 ontving ik een mail van een mij onbekend iemand, Robert Smith, waarin deze persoon mededeelde dat hij als aannemer werkzaamheden had verricht in het huis van Ellen Batzel. Batzel had tijdens een koffiepauze verteld dat ze de kleindochter was van een nazi-voorman. Haar huis, aldus Smith, hing vol met oude Europese schilderijen ‘with heavy wooden frames’. Hoewel Batzel, nogmaals: volgens Smith, niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor daden van haar grootvader, vroeg hij zich wel af wat de oorsprong van de schilderijen was.

Op mijn mailing lijst werd regelmatig aandacht besteed aan de roof van cultuurgoed in oorlogstijd. De inhoud van Smith’s bericht vond ik dus relevant. Omdat ik Smith niet kende, ging ik er vanuit dat hij zijn bericht voor de mailing list bestemd had en niet voor mij persoonlijk. Toegegeven: ik vond het een wat vreemd bericht, besteeddde er in de overvloed aan mails te weinig aandacht aan en stuurde het door naar de abonnees met in mijn achterhoofd: laten de abonnees zelf maar het bericht op waarde schatten. Aan het einde van Smith’s bericht zag ik contactgegevens, naar ik meende zijn contactgegevens. Een slordigheid van mij. Het waren namelijk de contactgegevens van Ellen Batzel.

Kort nadat ik Smith’s mail stuurde naar de MSN mailing list, kreeg ik een reactie van een Amerikaanse abonnee die vond dat ik die contactgegevens niet had moeten doorsturen. Hij had gelijk en ik heb de betreffende mail meteen verwijderd uit het MSN archief. De kritiek van de abonnee stuurde ik ook naar de MSN lijst. Zoals altijd bij kritiek, voelden toen nog enkele abonnees zich geroepen mijn besluit te bekritiseren. Ook die mails stuurde ik weer door, waarop enkele mails kwamen waarin ik verdedigd werd. De abonnees die wekelijks een verzamelbericht ontvingen, kregen de mail van Smith niet. De kous leek hiermee af.

Totdat ik ruim die maanden later, begin januari 2000 een e-mail kreeg van Ellen Batzel. Ze schreef mij dat ze anoniem een uitdraai van Smith’s mail op mijn mailing lijst ontvangen had en dat ze ‘upset, very upset’ was.

Het doorzenden van Smith’s mail was slordig, maar de fout die ik maakte in reactie op Batzel’s mail was zo mogelijk nog erger. Ik legde haar namelijk uit wat gebeurd was, welke stappen ik ondernam om de schade te beperken en, hoe dom kon ik zijn, ik maakte excuus.

Dat had ik niet moeten doen, want in het geborneerde juridische denkwereldje van mevrouw Batzel is een excuus niets meer of minder dan een schuldbekentenis. Batzel trok hierop alle intimiderend juridische registers open en stuurde angstaanjagende mails vol juridisch jargon naar mij.

Al snel diende ze in de USA een aanklacht tegen mij in wegens laster met een claim van $ 30.000.000. Niet alleen ik kreeg die claim: ook mijn toenmalige sponsor in de USA, Mosler Security kreeg die claim. Van die idioot hoge claim lag ik niet wakker. Wel van het feit dat in het contract met Mosler stond dat ik op zou moeten draaien voor advocatenkosten mocht een actie van mij leiden tot een juridische procedure waarin Mosler verzeild raakte. Bovendien eiste Mosler het sponsorgeld terug. Dat heb ik meteen terugbetaald, maar ik dreigde nog opgezadeld te worden met hoge advocatenkosten. De ondergang van Mosler, het bedrijf ging 2001 failliet, bevrijdde mij van die dreiging.

Batzel raakte door dat faillisement een tegenpartij kwijt.

Batzel ging door. Toen ze vernam dat ik hoofd beveiliging (zij noemde dat ‘director security’) van het Rijksmuseum was, ging ze er van uit dat ik mijn MSN activiteiten in opdracht van het Rijksmuseum, of in ieder geval in Rijksmuseumtijd ontplooide en werd het Rijks ook bedreigd met een claim van $ 30.000.000,00.

Batzel keek blijkbaar niet op een paar centen.

Keer op keer maakte ik haar duidelijk dat het Rijksmuseum niets met deze kwestie te maken had, maar keer op keer zond Batzel weer mails, faxen en brieven naar het Rijks.

De eerste reactie van toenmalig directeur Ronald de Leeuw was sympathiek en geruststellend, maar dat tij keerde snel door het gezanik van Batzel. Ik ben er van overtuigd dat ze met de berichten aan het Rijks slechts tot doel had de relatie tussen het museum en mij te schaden. Dat is haar gelukt. Na mijn vertrek uit het Rijks, heeft het museum dan ook niets meer van haar gehoord.

Ik zou echter nog vier jaar opgezadeld blijven met Batzel.

Hoe het ook zij: ik had een advocaat nodig om het tij te keren. Gijsbert Brunt in Amsterdam liet voor mij uitzoeken in hoeverre een schadeclaim in de USA voor mij in Nederland gevolgen zou hebben.

De uitkomst van dat onderzoek stelde mij niet gerust. Het sympathieke contact met Brunt nam niet mijn zorgen weg, maar de aanvankelijk angst wel. Ik ben hem nog steeds dankbaar dat hij mij voor een beperkte vergoeding op weg hielp.

Op het internet ging ik op zoek naar mogelijkheden om in de USA pro-deo (dat heet daar pro bono) juridisch advies en hulp te krijgen. Ik kwam uit bij een organisatie Volunteer lawyers for the Arts.

Mijn verzoek om pro bono ondersteuning werd helaas afgewezen.

In diezelfde tijd deed zich nog iets voor: ik ontving informatie over gestolen kunst in Californie en gaf dat door aan het LAPD Art Theft Detail en wel aan Don Hrycyk. Na enige tijd kreeg ik van Don Hrycyk (Engels fonetisch uit te spreken als her-ris-sik) een mail waarin hij mij bedankte voor het doorgeven van de tip (de gestolen kunst werd opgespoord en ging terug naar de eigenaar), eindigend met “Ton, how are you”.

Tegen alle conventies in antwoordde ik naar waarheid dat het niet goed met mij ging omdat ik verwikkeld was in die nare zaak met Ellen Batzel. Don adviseerde mij contact op te nemen met Volunteer lawyers for the Arts; dat had ik al, tevergeefs, gedaan. Ik liet hem dat weten en nam niet opnieuw contact op met deze organisatie.

Zonder verder iets van Hrycyk te horen, kreeg ik na enkele weken een e-mail van Volunteer lawyers for the Arts met de mededeling dat ze zich zouden verdiepen in mijn zaak.

Pas jaren later, tijdens een etentje in Los Angeles met de journalisten Jason Felch en Ralph Frammolino, auteurs van Chasing Aphrodite (over foute aankopen van het Getty Mueum), Wilbur Faulk een voormalig directeur security van het Getty Museum en Don Hrycyk vernam ik van Don: “You deserved it”.

Dat “you deserved it” heb ik ook gevoeld bij de toekenning aan mij februari 2001 van de Burke Award door de National Conference on Cultural Property Protection van het Smithsonian Institute in Washington. Dat jaar durfde ik niet naar het jaarlijkse congres te gaan vanwege de Batzel kwestie.

De toekenning van de onderscheiding heb ik ervaren als steun in de rug tijdens die moeizame periode. De Burke onderscheiding viel samen met mijn vertrek uit het Rijksmuseum. Henk Schutten van Het Parool schreef over de toekenning van de Burke Award onder de pakkende kop: Internationale erkenning voor de risee van het Rijks. Een prachtige en komische alliteratie waar Henk volkomen onnodig zijn verontschuldigingen voor aanbood.

Het advocatenkantoor Latham & Watkins, een juridische multi-national, nam de Batzel kwestie voor mij op en investeerde toegewijd veel energie in mijn zaak. Dat Latham & Watkins ‘voor mij werkte’, trachtte Ellen Batzel(‘s advocaat) tegen mij te gebruiken. Die meneer Cremers moest wel over middelen beschikken, want hoe zou hij anders in staat zijn gebruik te maken van zo’n gerenommeerd advocatenkantoor.

Degenen die meer, alles, willen weten over de juridische kanten kunnen zat informatie vinden op het internet.

Ik hou het wat de juridische kant betreft bij:  “In this defamation suit, the Ninth Circuit Court of Appeals holds that the operator of a listserv and website is a user of interactive computer services entitled to the protections of the Communications Decency Act (“CDA”) against liability arising out of his publication of information provided by another information provider.  Because, however, the author of the information at issue claimed he did not mean for the defendant operator of the listserv to publish it, the Ninth Circuit remanded the case to the District Court for a determination as to whether the listserv operator was entitled to immunity under the CDA in this particular case.  Such immunity should be granted, held the Ninth Circuit, if the information in question was provided to the listserv operator by a third party under circumstances in which a reasonable person would conclude that the third party provided the information for publication on the Internet.  The Ninth Circuit accordingly vacated so much of the District Court’s decision which denied defendant’s motion to dismiss this defamation action under California’s Anti-SLAPP statute, which motion was to be reconsidered on remand.  The Ninth Circuit also affirmed the District Court’s rejection of plaintiff’s defamation claims against Mosler, which were predicated solely on its placement of ads on the website at issue.”

Mevrouw Batzel heeft haar gretige behoefte aan een immense schadevergoeding niet bevredigd gekregen.

Het antwoord op de vraag of haar schade uiteindelijk groter was dan de mijne houdt ik privé.

Ton Cremers

 

 

 

 

October 22nd, 2015

Posted In: Herinneringen van een museumbeveiliger

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Met tegenzin wijd ik weer tijd en energie aan dit onderwerp. Het kwam al zo vaak aan bod op www.museumbeveiliging.com. De kwestie Ikonen Museum Kampen en de inertie van een inspecteur van de Erfgoedinspectie speelt een te belangrijk onderdeel in mijn Herinneringen van een museumbeveiliger, om er nu aan voorbij te gaan.

Kort de feiten op een rij:

In het kader van een door het Overijsselse KCO, inmiddels ter ziele, op te zetten project met Overijsselse musea en archieven voerde ik, samen met een museumconsulent, een intakegesprek met de oprichter van het Ikonen Museum in Kampen. Tijdens dat gesprek bleek, volgens eigen zeggen, dat die oprichter/collectioneur van een Duitse handelaar twee Cypriotische ikonen had gekocht. Die handelaar adviseerde hem de ikonen niet in zijn museum tentoon te stellen, omdat het museum dan problemen zou krijgen met de Cypriotische autoriteiten. De oprichter van het museum weigerde ons de naam van die handelaar te geven.

Zowel de museumconsulent als ik waren verbijsterd over de openhartigheid waarmee zijn ‘aankoopmoraal’ door de verzamelaar/museumoprichter zelf beschreven werd.

Doorvragend bleek die moraal geheel in strijd te zijn met de geldende ethische code van de Museumvereniging / ICOM.

“Wanneer een handelaar zegt dat de oorprong van door mij gekochte ikonen okay is, dan vind ik het ook okay”, aldus onze gesprekspartner.

In een blog anderhalf jaar na deze ontmoeting schreef ik: “Handelaren dekken niet alleen de verzamelaar, maar de verzamelaar ook de handelaren“.

Ik heb onze bevindingen – een duidelijke indicatie van illegaal handelen, zeker wat die Cypriotische ikonen betreft – gemeld bij de Erfgoedinspectie. De betreffende inspecteur hield de boot af omdat het Ikonenmuseum geen verzelfstandigd voormalig Rijksmuseum was en vroeg mij de eigenaar op andere gedachten te brengen. Die opstelling klopte niet omdat de Erfgoedinspectie niet alleen gaat over verzelfstandige Rijksmusea.

Ik heb van de Erfgoedinspectie na mijn melding niets meer vernomen. Er van uit gaand dat een melder altijd terugmelding krijgt van een overheidsinstantie wanneer een misstand wordt gemeld, en op basis van het contact dat ik had met de Erfgoedinspectie, meende ik dat de Erfgoedinspectie werkelijk niets deed. Pas heel veel later – enkele jaren later – vernam ik dat er een brief geschreven was naar het museum naar aanleding van mijn melding. Indien over de afhandeling van mijn melding met mij gecommuniceerd was, had een hoop ellende voorkomen kunnen worden.

Echter: de betreffende erfgoedinspecteur informeerde mij niet en heeft in de jaren volgend op mijn eerste melding nooit een e-mail – ik zond over deze melding een 15-tal mails en informeerde de inspecteur over al mijn blogs over het Ikonenmuseum op mijn website – beantwoord.

Aanvankelijk koos ik ervoor mijn melding tandenknarsend te laten voor wat het was, totdat ik in de krant las dat het Ikonenmuseum verbouwd werd, gesubsidieerd met overheidsgeld (de gemeente Kampen). Pas toen, ongeveer anderhalf jaar na mijn melding bij de Erfgoedinspectie, ben ik met de hele zaak naar buiten getreden op mijn website en de Museum Security Network mailinglist (Google groep).

Twee jaar na mijn melding ondernam de erfgoedinspecteur, ongetwijfeld daartoe geprest door mijn vasthoudenheid, nadere stappen en onderzocht samen met iemand van de KLPD de herkomst van de ikonen IN het museum. ‘IN’ heel nadrukkelijk met hoofdletters: ik had immers overduidelijk gemeld dat de dubieuze Cypriotische ikonen NIET IN het museum waren.

Het dienstreisje van de inspecteur en de KLPD naar Cyprus was ongetwijfeld een leuk uitstapje, maar bij voorbaat overbodig. De uitkomst van het ‘onderzoek’ was voorspelbaar: “Onderzoek Erfgoedinspectie en Korps Landelijke Politiediensten (KLPD): geen aanwijzingen dat het Ikonenmuseum beschikt of heeft beschikt over onrechtmatig verkregen iconen“.

Ja wat wil je:

  1. je stuurt eerst een brief naar het Ikonenmuseum over mijn melding, zonder dat museum te bezoeken;
  2. dan wacht je twee jaar met nader onderzoek;
  3. en gaat dan ook nog eens op zoek op de verkeerde plek.

Ik kon niet anders dan deze hele gang van zaken op mijn site te bekritiseren, waarbij ik naam en toenaam noemde: http://www.museumbeveiliging.com/2009/12/24/terugblik-gitzwarte-bladzijde-uit-2009-inertie-van-falende-erfgoedinspectie-en-dubieuze-handel-en-wandel-oprichter-helmich-heutink-ikonen-museum-kampen/ en http://www.museumbeveiliging.com/2010/05/28/erfgoedklucht-ikonenmuseum-kampen-erfgoedinspectie-den-haag-inertie-erfgoedinspecteur-dreigementen-vanuit-het-ministerie/.

Nu werd het helemaal een klucht. De betreffende erfgoedinspecteur – hoe dom kan je zijn – besloot bij de Haagse politie aangifte tegen mij te doen wegens smaad en laster. Smaad kan de waarheid bevatten maar verkeerde motieven. Mijn motieven waren zonder enige twijfel zuiver. Laster bevat leugens. Wel leugens vertelde ik niet, dus kon er nooit sprake zijn van laster.

Omdat de erfgoedinspecteur nooit enige e-mail van mij beantwoordde en ook nooit reageerde op een van mijn teksten op het internet, maakte die aangifte niet alleen inhoudelijk geen schijn van kans. Dat heeft ze blijkbaar tijdens een opgerekte koffiepauze op het ministerie zelf ontdekt, dus liet ze mij bellen door een beveiliger (??) van het ministerie die mij maande mijn teksten van het internet te verwijderen want anders zou er aangifte gedaan worden. In hetzelfde gesprek, dommigheid is blijkbaar troef op dat ministerie, versprak hij zich en vertelde dat er al aangifte gedaan was. De opzet om aan een formailteit te voldoen viel dus in duigen.

Ik werd gehoord door de Haage politie en kreeg enige tijd later van het O.M. bericht dat er geen sprake was van een strafbaar feit.

Nu was het mijn beurt van leer te trekken en een klacht in te dienen bij het ministerie tegen die idiote poging van de erfgoedinspecteur mij de mond te snoeren. Die klacht werd in behandeling genomen met als resultaat: http://www.museumbeveiliging.com/2011/03/11/erfgoedinspectie-met-doen-van-aangifte-tegen-ton-cremers-werd-geen-juiste-keuze-gemaakt-er-geen-sprake-geweest-van-een-strafbaar-feit/.

Eind goed al goed? Nee, absoluut niet. Ik blijf met een wrange nasmaak zitten en heb er eerlijk gezegd geen vertrouwen in dat deze kwestie een eye-opener was voor de betrokkenen en dat er ook maar iets zal veranderen, ondanks de toezegging die mij gedaan werd dat er een formele procedure bij de erfgoedinspectie zou komen hoe om te gaan met meldingen door ‘burgers’.

Die procedure had er natuurlijk al lang moeten zijn.  Op de site van de Erfgoedinspectie kan ik (15 oktober 2015) niets vinden over een dergelijke procedure.

Ton Cremers

 

October 15th, 2015

Posted In: Herinneringen van een museumbeveiliger

Tags: , , , , , ,

Op 30 november 2012 schreef ik een column onder de titel De Kunsthal, Emily Ansenk en ‘state of the art’ beveiliging waarin ik mij kritisch (leest u zelf maar) uit liet over Emily Ansenk en haar optreden in de pers na de internationaal geruchtmakende inbraak in De Kunsthal. Als vervolg schreef ik een column over de rol van AON Artscope bij door criminaliteit geslachtofferde musea: Beroofde musea – De Kunsthal, het Museon, Het Westfries Museum en AON Artscope, een wereld van overeenkomsten.

Op de door Hanna Pennock opgezette LinkedIn groep Veilig Erfgoed plaatste ik hyperlinks naar beide columns. Deze groep leek mij een geschikt forum om mijn visies te presenteren, want: “Via deze LinkedIn-groep biedt Veilig Erfgoed de erfgoedsector een discussieplatform aan. Vragen, discussies, suggesties en ideeën die betrekking hebben op de veiligheid en beveiliging van cultureel erfgoed kunnen hier gepost worden. Meer informatie vindt u op www.veilig-erfgoed.nl.”

Mijn columns gingen over ‘veiligheid en beveiliging van cultureel erfgoed’ en als ze iets deden, daar mag toch geen twijfel over bestaan, dan was het wel ‘vragen, discussies, suggesties en ideeën’ aandragen over de problematiek van beveiliging en veiligheid.

Het mocht echter niet zo wezen.

Beide links werden verwijderd, weggecensureerd, door Hanna Pennock, moderator van de Linkedin groep Veilig Erfgoed omdat ik ‘van leer trok’ tegen personen. Het verschil tussen het plaatsen van een tekst in die groep en het verwijzen naar een tekst elders op het internet via een hyperlink, begrijpt deze moderator niet. Wat maternaliserend! Blijkbaar onderschat ze het vermogen van Veilig-Erfgoedleden zelfstandig kritisch te denken. Erger nog: deze censor begrijpt er niets van dat wanneer je ‘als overheid’ acteert op een sociaal medium als LinkedIn automatisch de mores van sociale media gelden en je niet het primaat kan geven aan de zich vervelende en laffe koffiehoek van een ministerie.

In alle 18 jaar waarin ik het Museum Security Network en de daarbij horende mailing list beheerde, weigerde ik alleen berichten die afweken van het onderwerp van MSN. Zelfs berichten waarin deelnemers stevig, soms heel stevig, tegen mij als moderator van leer trokken, heb ik altijd door gelaten.

Er was meer: toen in korte tijd voor de vierde keer in een Nederlands museum werd ingebroken, plaatste ik een link naar een krantenbericht over die inbraak op Veilig Erfgoed met de, ik geef toe weinig parlementaire, toevoeging ‘nondeju!’ om mijn frustratie weer te geven.

Dat ging onze erfgoedouderlinge ook te ver, dus verwijderde ze die link omdat ik de naam van god gebruikte? Van wie? Van god. Niet mijn god, maar toch ben ik op zoek gegaan naar de status van nondeju in de Nederlandse christelijke wereld en het algemeen taalgebruik. Ik vond onder andere een ‘vrolijke musical over nonnen‘ en “Nondeju”, een frissse zoektocht naar spiritualiteit en religie in Brabant. In de etymologiebank wordt nondeju omschreven als een tussenvoegsel en bastaardvloek: ‘Een bastaardvloek is een door klankverandering van een echte vloek afgeleide krachtterm, die daardoor beoogt minder aanstoot te geven’. Natuurlijk heb ik Hanna Pennock gemaild over de status van nondeju in het taalgebruik, maar, heel voorspelbaar: geen reactie. Mevrouw Pennock acht zich de maat der dingen als het gaat om taalgebruik en hanteert overenthousiast en naar willekeur de censuurschaar. Er zal bij de Penockjes-Van de Wal heel wat onder de klamme lappen gediscussieerd zijn over de boze Jezus.

Hanna Pennock heeft jarenlang als inspecteur bij de Erfgoedinspectie gewerkt en wie werkt daar ook? Juist: Marja van Heese, die zo dom was aangifte tegen mij te doen omdat enkele columns van mij haar niet zinden.

Het kan geen toeval zijn.

Onze erfgoedbewakers in overheidsdienst hebben blijkbaar geen al te hoge dunk van heel belangrijk immaterieel erfgoed: Nederlandse vrijheid van meningsuiting; censuurverbod. Hanna Pennock was overheidsambtenaar toen ze mij censureerde; de vraag dringt zich op of ze hiermee een grondrecht met voeten trad en handelde in strijd met de wet.

Waar de amateuristische wancommunicatie en arrogantie van de Erfgoedinspectie toe kan leiden – onder andere verspilling van belastinggeld –  is te lezen op: http://www.columns-ton-cremers.nl/bezuinigingsvoorstel-opheffen-erfgoedinspectie/.

Ton Cremers

toncremers@gmail.com

October 8th, 2015

Posted In: Herinneringen van een museumbeveiliger

Tags: , , , , , , , , ,

Op 18 oktober 2007, een stralende najaarsdag, bezocht ik het Armando Museum in Amerfoort om de risico’s te analyseren. Na een rondgang door het museum kondigde ik aan dat ik in mijn rapportage een sprinklerinstallatie zou adviseren. Mijn mondelinge mededeling staat helder in mijn geheugen: “Ik ga zeker adviseren dat het museum voorzien wordt van een sprinklerinstallatie, ook al verwacht ik niet dat dat advies opgevolgd zal worden. Wanneer hier brand ontstaat dan zal het hele museum reddeloos verloren zijn”.

Helaas heb ik niet de vrijheid dit advies hier nader toe te lichten.

Er werd een afspraak gemaakt voor een vervolg van mijn onderzoek in het museum, maar maandag 22 oktober 2007, vier dagen na mijn eerste bezoek, belde de moeder van een ‘medewerkster’ die naast mij in de auto zat met het bericht dat het Armando Museum in brand stond. Na ongeloof, sloeg bij mij de verbijstering toe. Die verbijstering werd in de loop van de dag groter toen bleek dat mijn voorspelling over het effect van een brand uit kwam. Mijn ‘opdrachtgever’ brandde geheel af.

De volgende ochtend werd ik gebeld door een nieuwsdienst over deze brand en ik vertelde de journalist dat ik net begonnen was met een risicoanalyse en bij mijn eerste inspectie al vreesde dat een eventuele brand fataal zou zijn en ik mij voorgenomen had in mijn rapportage sprinklers te adviseren. Die mededeling ging een eigen leven leiden en werd vervormd tot een bericht dat ik een risicoanalyse had verricht, sprinklers had geadviseerd en dat met mijn adies niets gedaan was.

Ik kon/kan mij voorstellen dat deze verkeerde weergave bij Gerard de Klein en Yvonne Ploumen van het Armando Museum niet in goede aarde viel. Ik kan mij overigens niet hun hysterische reactie voorstellen, lang nadat ze bekomen moesten zijn van de schrik. Mij werd, in een overtrokken mail van Ploumen aan mij, verweten dat ik de relatie tussen het Armando Museum en de Gemeente Amersfoort op het spel zette. Ploumen en De Klein hadden aan die relatie geen enkele boodschap toen de gemeente Amersfoort nieuwbouwplannen uitstelde, niet afstelde, na het uitbreken van de economische crisis in 2008. Een zeer begrijpelijk besluit van de gemeente Amersfoort, maar Ploumen en De Klein vonden het nodig de gemeente publiekelijk de maat te nemen op een wijze waar mijn milde kanttekening kinderspel bij was. Volgens hysterica Ploum(en) pleegde de gemeente woordbreuk. Een wel heel vreemde manier om de relatie met de gemeente goed te houden.

Op 23 oktober 2007, ik was in Kasteel Heeze om een voorlichtingsbijeenkomst te houden, werd ik vroeg in de morgen gebeld door Siebe Weide, de nog verse directeur van de Museumvereniging: “Ton, ik zal ongetwijfeld door de pers gebeld worden over de brand in het Armando Museum; kan jij mij wat informatie geven over de werking van sprinklers? Ik wil geen fouten maken”. Die informatie wilde ik natuurlijk geven. Ik liet de aanwezigen in Kasteel Heeze wachten en vertelde Siebe Weide uitgebreid over voor- en nadelen van sprinklers, de werking van sprinklers en ik probeerde vooroordelen over sprinklers te ontkrachten.

Na mijn werkdag ramde ik thuis op het toetsenbord van mijn computer zes pagina’s tekst over sprinklers en mailde die 24 oktober (wie wat bewaart die heeft wat) naar Siebe Weide met de suggestie te bezien of deze tekst geschikt was voor  Museumvisie opdat alle musea voorgelicht konden worden over sprinklers. Op die mail kreeg ik geen reactie en mijn tekst werd niet geplaatst in Museumvisie.

Een maand na de brand in het Armando Museum schreef Siebe Weide een redactionele column in Museumberichten ‘Na de brand’. De brandweer, aldus Siebe Weide, zou de voormalige Elleboogkerk waarin het Armando Museum was gevestigd brandveilig hebben verklaard, maar “Toch was veiligheidsdeskundige Ton Cremers meteen in staat te concluderen dat de brand niet ver gekomen was als er een sprinklerinstallatie in de kap van het museum aanwezig zou zijn geweest”.

Siebe Weide’s woorden ‘meteen’ en ‘toch’ suggereren dat er een tegenstrijdigheid zou bestaan tussen de goedkeuring door de brandweer en mijn opmerking over sprinklers. ‘Meteen’ lijkt te suggereren dat ik (te) snel met mijn conclusie was. Tussen de verklaring van de brandweer en mijn visie is geen tegenstrijdigheid. De brandweer/overheid kijkt bij de brandveiligheid van gebouwen naar de veiligheid van mens en dier en niet naar de veiligheid van museumcollecties. Het is mijn vak ook naar dat laatste te kijken. Collecties kunnen niet op eigen benen bij calamiteiten een museum verlaten; alleen al om die reden – mensen zullen in en uit moeten om collectie te redden – leg ik de lat bij brandveiligheid hoger dan de brandweer.

Naar aanleiding van zijn column en zijn suggestieve opmerkingen, nam ik telefonisch contact op met Siebe Weide met de vraag of ik in Museumberichten kon reageren op zijn column: “Dat is niet de formule”, aldus Siebe Weide. Niet de formule? Dus het is wel de formule suggesties over mij te publiceren, dat mag natuurlijk altijd, maar weerwoord / reactie wordt niet toegelaten?

In welke categorie plaatst dat Siebe Weide? In de categorie: multi-getalenteerde bangerikken die zich kosjer voelen in de rol van aanklager, rechter en beul maar de ‘beklaagde’ zijn kans op weerwoord misgunnen. Siebe Weide liet mij geen andere keuze dan te reageren via mijn website museumbeveiliging.com.

Niet netjes van Weide. Er is echter meer. Op 24 oktober (zie boven) stuurde ik een tekst over sprinklers om te publiceren in Museumvisie. December 2007 verscheen in Museumvisie een artikel over sprinklers en blusgas – niet van mijn hand – en februari 2008, verscheen in het populair wetenschapelijk tijdschrift EOS-magazine eveneens een artikel over sprinklers en andere blusmethoden. Beide artikelen zijn doorspekt met idiotie, dooreen husselen van verschillende blusmethodes en een brandpreventie techniek wordt verward met een blustechniek. Hoe kan het ook anders: beide artikelen zijn afgescheiden door iemand die de ballen verstand heeft van deze technieken en die bovendien wel heel erg amateuristisch en willekeurig gewinkeld heeft in mijn tekst van 24 oktober. Mogelijk om de beschuldiging van plagiaat te ontwijken is mijn tekst in een hoge hoed gegooid en een aantal keren flink door elkaar geschud, waarna een wanproduct uit die hoed getoverd werd. En wie schreef die teksten en schnabbelde in Belgie bij met mijn tekst? Chris Reinewald….laat die Chris Reinewald de hoofdredacteur zijn van Museumvisie….

23 februari 2008 schreef ik op mijn site: “Beide artikelen werden geschreven door Chris Reinewald, hoofdredacteur van Museumvisie. Natuurlijk heb ik, toen iemand mij attent maakte op het EOS artikel en mij vertelde dat er blijkbaar heel onzorgvuldig van mijn tekst uit oktober gebruik gemaakt was, meteen gebeld met Chris Reinewald. Die gaf via de telefoon toe van mijn tekst gebruik gemaakt te hebben. Ik vind dat prima, ook al had ik het zorgvuldiger gevonden als ik daarover geïnformeerd was en ik de kans had gekregen de blunders uit de teksten van Reinewald te halen. Dat zou voor hem, maar zeker ook voor de museumwereld beter zijn geweest. Nu zal de misinformatie in beide publicaties nog lang een eigen leven blijven leiden.”

Siebe Weide weigerde mijn reactie op zijn column in Museumberichten. Chris Reinewald weigerde mijn reactie op zijn, grotendeels gepikte, artikelen in Museumvisie en EOS-magazine. Reinewald wilde dat ik uit mijn reactie mijn opmerkingen over het EOS-magazine artikel verwijderde. Ik kon me daar niet mee verenigen. Waarschijnlijk was beunhazende Chris bang dat te veel mensen achter zijn handel-en-wandel zouden komen.

Zo zijn onze – sommige- manieren in de Nederlandse museumwereld.

Het digitale geheugen is geduldig…

Reinewald en Weide zijn vanzelfsprekend welkom te reageren; dat is namelijk mijn formule.

Lees mijn hele relaas uit 2008 op: http://www.museumbeveiliging.com/2008/02/23/artikelen-over-sprinklers-in-museumvisie-en-eos-gelardeerd-met-fouten/

Ton Cremers

toncremers@gmail.com

 

 

October 7th, 2015

Posted In: Herinneringen van een museumbeveiliger

Tags: , , , ,

De afgelopen vijftien jaar overkwam het mij meerdere keren dat vraagtekens geplaatst werden bij de vertrouwelijkheid van mijn werk als adviseur beveiliging en veiligheid in de erfgoedsector.

Er waren momenten waarop ik in de gelegenheid werd gesteld uitleg te geven over mijn optreden in de pers en op het internet. Mogelijk werden die vragen ook achter mijn rug gesteld. In slechs 1 geval kreeg ik botweg van een conservator te horen dat ik een opdracht niet kreeg omdat het bestuur van de Gelderse Kastelen mij reeds veroordeeld had als niet integer. Zo af en toe kom je verliezers in je leven tegen die zich behaaglijk voelen in de rol van aanklager, rechter en beul; multi-getalenteerde bangerikken die de ‘verdachte’ zijn kans op weerwoord misgunnen. Het is helaas niet anders.

Ooit was ik voor een museum werkzaam, ingehuurd door de facilitymanager, zonder dat de directrice van het betreffende museum daarover geinformeerd was. Ze was ‘not amused’ toen ze hierover hoorde en stelde mij de indringende vraag hoe het zat met mijn vertrouwelijkheid omdat ik menig keer in de publiciteit commentaar leverde op incidenten in de museumwereld.

Ik kon haar zorg wegnemen en stelde haar een geheel verzorgd weekend Parijs, inclusief partner, in het vooruitzicht als ze ook maar 1 voorbeeld kon vinden waaruit bleek dat ik de vertrouwelijkheid tussen mij en mijn opdrachtgever schond.

Dat voorbeeld kon ze, natuurlijk, niet geven. Interessant is – nee, we noemen geen namen – dat ze mijn opdacht tot het maken van een risicoanalyse opschortte toen ik meldde grote vraagtekens te zetten bij de beveiliging van haar instituut, met name in het licht van een naderende tentoonstelling met veel kostbare bruiklenen uit binnen- en buitenland.

De opdrachtgever is de baas, dus ik diende mijn werkzaamheden en rapportage uit te stellen, echter niet zonder, vooruitlopend op mijn definitieve rapportage, een tussentijds verslag te overhandigen met daarin mijn overtuiging dat de tentoonstelling niet verantwoord was.

De tentoonstelling ging door, zonder inachtneming van mijn bevindingen, en gelukkig deden zich geen incidenten voor.

Ik leerde van deze casus, dat het blijkbaar bestaat dat een museumdirecteur willens en wetens bruiklenen in huis haalt terwijl dat niet verantwoord is. Deze kwestie dateerde enkele jaren voor de ‘blitzinbraak’ en diefstal in De Kunsthal (heb ik nooit voor gewerkt). De directricve daar trachtte zich weliswaar onder haar verantwoordelijkheid uit te bluffen met een de-beveiliging-is-state-of-the-art verklaring, maar later werd duidelij dat er al jaren onvoldoende budget was voor de beveiliging. Na die internationaal geruchtmakende inbraak in De Kunsthal werd de beveiliging opgewaardeerd waarmee naast het begrip state-of-the-art,  ‘stater-of-the-art’ en ‘statest-of-the-art’ waren geboren. Ook een voorbeeld waarbij willens en wetens dat het niet verantwoord was kostbare kunstwerken in huis werden gehaald. Juichende bezoekstatistieken wegen blijkbaar zwaarder dan verantwoorde beveiliging.

De buurman van De Kunsthal, Jelle Reumer, directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam (nooit mijn opdrachtgever geweest) mailde mij zelfs dat de overheid te weinig budget beschikbaar stelt voor een goede beveiliging. Reumer schoot met die zelfingenomen wijsheid zichzelf in de voet, want hij realiseerde zich niet dat dit feitelijk een schuldbekentenis is: er van overtuigd dat er te weinig geld is voor beveiliging en dan toch kostbare bruiklenen aanvaarden of kostbare eigen collectie in gevaar brengen. Op Jelle Reumer kom ik nog terug in mijn Herinneringen…

Heb ik meer voorbeelden van onverantwoord omgaan met de beveiliging? Natuurlijk: denk onder andere aan het Westfries Museum en het Museon. Waarom kan ik die beide musea noemen? Omdat ze nooit mijn opdrachtgever waren. Zijn er meer voorbeelden? Ja…..

Daar informatie over geven zou betekenen dat ik mededelingen doe over (ex-)opdrachtgevers. Ik verkeer niet in de positie om allerlei opdrachtgevers te tracteren op geheel verzorgde weekenden Parijs. Dus doe er liever het zwijgen toe.

Sprak ik dan nooit over een opdrachtgever? Jazeker wel: dat is 1 keer gebeurd, na de brand in het Armando Museum. Er diende toen een groter belang: de rol van sprinklers in musea, bibliothken, archieven etc. Op die rol kom ik nog terug in de reeks Herinneringen. Gaf ik vertrouwelijke informatie prijs over het Armando Museum? Natuurlijk niet. Echter, zelfs in algemene zin werden mijn sprinkleropmerkingen in de pers niet in dank afgenomen, gezien de reacties van Yvonne Ploumen (via e-mail) en Gerard de Klein (in mijn gezicht vlak voordat hij tijdens een sprinklerbijeenkomst in het Catharijne Convent tijdens de presentaties in slaap viel). Ik zou de relatie tussen het Armando Museum en de gemeente Amersfoort geschaad hebben. Mocht dat al waar zijn – ik betwijfel dat nog steeds – dan gooiden Ploumen en De Klein daar niet een schepje, maar een schep bovenop toen ze korte tijd later de gemeente in de pers schoffeerden. Ook daar kom ik nog op terug. Het nieuwe Armando Museum in Landhuis Oud Amelisweerd zal ik een dezer weken met een bezoek vereren; mij bereiken namelijk verontrustende signalen over de beveiliging.

Mochten er ‘gedupeerden’ zijn die menen recht te hebben op dat geheel verzorgde weekend Parijs, dan kunnen ze zich melden via toncremers@gmail.com.

Ton Cremers

 

October 6th, 2015

Posted In: Herinneringen van een museumbeveiliger

Tags: , , , , , , , ,

In 1987 trad ik (1948) in dienst van het Rijksmuseum. Dat dienstverband, uiteindelijk als hoofd beveiliging en veiligheid, duurde tot 2001. Van 2001 tot 2015 was ik in binnen- en buitenland als adviseur of ad-interim hoofd beveiliging actief in meer dan 450 musea, bibliotheken, archieven, kerken met collecties, oude molens, monumenten en bij particuliere verzamelaars.

Bijna dertig jaar gevuld met successen, af en toe teleurstellingen, bijzondere contacten met ‘professionals’ en vrijwilligers.

De museumwereld zou stante pede op zijn gat vallen wanneer er geen vrijwlligers beschikbaar waren. Tussen professionals en vrijwllligers bestaat slechts in schijn een tegenstelling.

In al die jaren struikelde ik af en toe over acteurs in de erfgoedpiste die ik op mijn site of e-maillijst niet onbesproken kon laten. Die besprekingen ontaardden niet zelden in slidings en soms zelfs een gestrekt been (met dank aan Henk Schutten voor deze beeldspraak).

Ik kon het niet laten en betreur dat ook niet. Het moest blijkbaar zo zijn. Hoewel ongebruikelijk in de hermetische museumwereld, koos ik er voor raaskallen van mensen als Eveline Herfkens (borrelpraat spuiende minister van ontwikkelingssamenwerking), Ruud Spruit (Westfries Museum), Emilie Ansenk (Kunsthal), Jelle Reumer (Natuurhistorisch Rotterdam), Marja van Heese (Erfgoedinspectie Den Haag), Gerard de Klein en Yvonne Ploumen, Siebe Weide en Chris Reinewald (deze plagieerde op een knullige wijze in een Belgisch tijdschrift een tekst die ik inleverde voor Museumvisie), de lijst is niet uitputtend, Haags recht-voor-zijn-raap, vaak ook badinerend te bespreken.

Soms kreeg ik, meestal indirect, boze reacties en was geklaag mijn deel. Marja van Heese maakte het helemaal bont en deed bij de Haagse politie aangifte tegen mij wegens smaad en laster. Een tot mislukken gedoemde en zonder meer verwerpelijke poging mij de mond te snoeren. De officier van justitie trok terecht de conclusie dat er geen sprake was van een strafbaar feit en de Erfgoedinspectie moest namens Marja van Heese, nadat ik een klacht bij de minister indiende over deze poging mij monddood te maken, publiek bakzeil halen en excuus aanbieden. Nog steeds kijk ik met verbazing terug naar deze episode. Geen zwarte bladzijde in mijn carriere; in die van Marja van Heese wel. De aangifte door Marja van Heese was onbegrijpelijk, dom, hysterisch en kwaadaardig. Daar kan ik nog boos over worden, omdat hij gericht was op ondermijning van mijn grondwettelijk recht: vrijheid van meningsuiting (helaas een uitgehold begrip zo langzamerhand).

Er was wel een zwarte bladzijde in mijn 30-jarige loopbaan als museumbeveiliger: ik raakte in de Verenigde Staten verwikkeld in een aangifte tegen mij wegens smaad. Mijn tegenstander daar, Ellen L. Batzel, was evenmin succesvol – ze eiste dertig miljoen dollar van mij – als haar tegenvoetster Marja van Heese. Voor die claim van dertig miljoen dollar ontbrak enige grond. Mevrouw Batzel verloor deze zaak die vijf jaar voortsleepte. Haar motivatie een zaak tegen mij te beginnen, begreep ik. Die Claim niet.

Op de www.museum-security.org deed ik regelmatig mijn zegje voor een internationaal publiek en op www.museumbeveiliging.com voor de thuismarkt.

Tijdens een bijeenkomst in het Catharijne Convent, Utrecht 7 februari 2008, naar aanleiding van de brand in het Armandomuseum hield ik een presentatie over het gebruik van sprinklers. Het hoofd beveiliging/facility manager van het Scheepvaartmuseum, Amsterdam, voegde mij tijdens de interpellatie toe dat ik gemakkelijk praten had omdat ik zelfstandig ondernemer was. Een misinterpretatie van de feiten. Als zelfstandige heb je vele bazen; als werknemer heb je te maken met slechts een enkele leidinggevende. Mijn verbale schermutselingen op het internet en af en toe via radio of TV hebben nooit geleid tot een hausse aan nieuwe opdrachten. Integendeel. Verlies van opdrachtgevers heb ik altijd aanvaard: wat heb je immers aan een adviseur die geen mening heeft? Ik koos er altijd voor op de tafel te gaan staan in de overtuiging dat misstanden gefaciliteerd worden door de zwijgers. Ik wilde niet zo’n zwijger zijn. Maakte dat mij acteur onder de acteurs in dezelfde erfgoedpiste? Ongetwijfeld…

Op deze site staat een keuze uit de teksten die ik de afgelopen 15 jaar schreef – er moet nog veel uit het archief worden opgedist – aangevuld met reflecties over actuele zaken. Niet alleen museale zaken. In de categorie Herinneringen van een museumbeveiliger kom ik op bovenvermelde en vele andere zaken terug. Met meer distantie dan in de hitte van de strijd toen zaken actueel waren. De balans wordt opgemaakt. Altijd in de overtuiging dat het internet een digitale Hyde Park Speakers corner is, waar iedereen, vaak tongue in cheek, zijn zegje mag doen op informele wijze.

Voor alle duidelijkheid: als je op deze site onthullingen verwacht over zaken die thuishoren tussen opdrachtgever-opdrachtnemer in de museumbeveiliging, dan zal teleurstelling je deel zijn.

Ton Cremers

toncremers@gmail.com

October 5th, 2015

Posted In: Herinneringen van een museumbeveiliger

Tags: , , , , , , , , , , ,