In de vele jaren waarin westerse landen, ik realiseer mij heel goed dat westerse landen niet de grootste slachtoffers zijn, last hebben van terroristische aanslagen, zijn die aanslagen gericht op metro’s en metrostations, treinen en stations, vliegtuigen en vliegvelden. Het lijkt erop dat terroristen, of ‘fucking assholes’ zoals John Stewart ze noemde na de aanslagen in Parijs, een voorkeur hebben voor transport.

De aanslag op de Twin Towers in New York was in alle opzichten buiten categorie. Overigens wel een aanslag die bij het analyseren van risico’s zeer relevant werd.

De aandacht van F.A.’s verschuift. In Parijs waren een theater, een voetbalstadion en caféterrasjes doelwit.

In Brussel vond een aanslag plaats op het Joods Historisch Museum. Doelwit waren Joden, maar dan wel via hun museum.

En over musea wil ik het hebben.

Het is alweer een tiental jaren geleden dat ik werd uitgenodigd in Kopenhagen te spreken over cultuurgoed en terrorisme. Wanneer je het nu over die combinatie hebt, dan wordt gedacht aan vernietiging of roof van antiek cultuurgoed door IS, zoals in Palmyra. Hoewel er geen concrete cijfers zijn, wemelt het van de schaars gefundeerde deskundigheid over financiering van terrorisme via de illegale handel in antiquiteiten. Even schaars gefundeerd als die financieringsclaims, heb ik sterke twijfel over de impact en omvang van die handel. De experts struikelen over elkaar heen en papegaaien over de omvang van die illegale handel alsof IS daar voor een aanzienlijk deel door gefinancierd wordt. Dat kan simpelweg niet. Daarvoor is de markt te beperkt. Bij een plotselinge toename van het aanbod, daalt de waarde. Als je de TEFAF bezoekt, zie je slechts een beperkt aanbod van antiquiteiten. Hier en daar zijn wat verdwaalde stukken en er is slechts een enkeling, de onverwoestbare Jerome Eisenberg van Athena Galleries in New York, die een hele stand vult met dat materiaal. Overigens een vaak verlaten stand tussen druk bezochte andere stands.

Mijn zorg, ik durf hem haast niet uit te spreken, betreft druk bezochte nationale musea zoals de National Gallery en het British Museum in Londen, het Louvre in Paris, het Museums Insel in Berlijn, of het Rijks- en Van Goghmuseum in Amsterdam.

Ik durf die zorg nauwelijks uit te spreken omdat angstige en qua beveiliging te inerte, struisvogel, musea mij zullen verwijten terroristen op ideeën te brengen. Lijkt mij niet nodig, want er zijn toch altijd ‘meesterbreinen’ achter de aanslagen.

Toch waag ik een poging en beperk mij tot de Nederlandse situatie.

Waarom gebruiken musea geen detectiepoortjes (meer). Het Rijksmuseum had tot aan de heropening detectiepoortjes bij de bezoekersingang. Een onaangename, vliegveld-achtige apparatuur, maar effectief. Bijna dagelijks werden, voornamelijk bij scholieren, messen gevonden. Bij volwassenen werd er keer op keer in Nederland verboden pepperspray in beslag genomen. De bezoekers konden bij vertrek hun steekwapens weer ophalen.

Per uur komen gemiddeld 500 bezoekers het Rijksmuseum binnen. Bij het Van Gogh zijn dat er minder, maar niet veel minder. Hoe worden die bezoekers bij binnenkomst gescreend? Borstkloppend kondigden het Rijks en het Van Gogh enkele jaren geleden aan dat een groep van de beveiligers opgeleid is tot ‘predictive profiler’. Bezoekers worden geobserveerd op afwijkend gedrag. Knap hoor, maar voldoende effectief? Waarom niet beide: profilers plus elektronische detectiesystemen waarmee iedere bezoeker gecontroleerd wordt?

Even naar Zaventem: in de vertrekhal kon een aanslag plaatsvinden omdat iedereen die vertrekhal in kan lopen zonder controle. Daar was na de aanslag internationaal veel kritiek op.

Is dat in onze megamusea ook zo? Volgens mij worden de entreekaarten binnen verkocht en vindt pas later, bij de kaartcontrole als men vanuit de, vaak zeer drukke, centrale hal het museum in wil, iets aan screening van de bezoekers gedaan: de tassen worden binnen, in het museum, gecontroleerd. Als ze te groot zijn worden ze binnen, in het museum, ingenomen en bewaard. Een fluitje van een cent voor kwaadwillenden.

Er is geen (?) ondersteuning via detectiepoorten en elektronische screening. Met andere woorden: er is voor zelfmoordterroristen, te eng om over na te denken, voldoende mogelijkheid met bomgordel en al naar binnen te gaan en in de drukte een slachting aan te richten. Nog los van de schade aan cultuurgoed, twee vliegen in één klap, die aangericht kan worden.

Alle controles moeten, ik zou haast zeggen natuurlijk, plaatsvinden voordat men in de drukte in het museum duikt. Tassen en andere bagage moet, ik zeg weer natuurlijk, niet in het museum ingenomen en bewaard worden.

Ik heb tijdens mijn carrière als adviseur museumbeveiliging door mij bezochte musea altijd de hypothese voorgelegd: “Stel dat met succes bij u ingebroken en gestolen kan worden, gaat u dan maatregelen treffen? Is het antwoord JA, dan moet u die maatregelen NU treffen. Is het antwoord NEE, dan hoeft u ze nu ook niet te treffen”.

Voor ‘inbraak en diefstal’ kan je ieder ander mogelijk incident of calamiteit invullen.

Stel dat er succesvol een zelfmoordaanslag gepleegd wordt in die megamusea. Gaat men dan maatregelen treffen om herhaling te voorkomen? Kan men nu met droge ogen volhouden dat alle mogelijke preventieve maatregelen zijn getroffen (en kom mij nu niet aan met ‘we kunnen van onze musea geen fort maken’ want dat weet ik en ik weet ook dat dat vaak een flauw excuus is om maar niets te doen).

Als het antwoord op de vraag naar de mogelijkheid van een aanslag JA is, dan moeten NU maatregelen getroffen worden.

Voor alle duidelijkheid: ik heb met geen van de genoemde musea een professionele relatie. Het is inmiddels zestien jaar geleden dat ik werkzaam was in het Rijksmuseum. Sindsdien adviseerde ik (inter)nationaal 450 musea, bibliotheken, archieven, monumenten etc.

Van geen van de genoemde musea ken ik de ins en outs van de beveiliging anders dan wat ik observeer als ik ze bezoek.

Ik vraag alleen maar..

Ton Cremers

April 29th, 2016

Posted In: Columns Ton Cremers

Tags: , , , , , ,

Ja hoor, daar is ie weer: de geheimzinnige privé-verzamelaar die gestolen kunst verzamelt. Bestaat deze privé-verzamelaar dan niet? Wie zal het zeggen. Echter, nog nooit, nog nooit, werd gestolen kunst teruggevonden bij een privé-verzamelaar die de kunst op bestelling liet stelen.
Het is over het algemeen tamelijk moeilijk aan te tonen dat iets niet bestaat. Voorbeelden van die privé-verzamelaar hebben we echter niet.
Toch duikt hij iedere keer weer na een diefstal van beroemde werken op in verklaringen door kunsthistorici, politiefunctionarissen of lokale notabelen.
Zo lang die geheimzinnige verzamelaar niet gevonden is, ga ik er van uit dat hij niet bestaat. Het is namelijk niet logisch om diefstal van kunst te bestellen. Je komt dan als verzamelaar terecht in een circuit van criminaliteit en afpersing.
Waarom wordt kunst, en dan met name kunst van beroemde meesters, gekocht? Ik durf de stelling aan dat esthetisch genot niet boven aan de lijst van motieven staat. Er zal bij beroemde, kostbare meesters eerder sprake ziujn van belegging en status.
Beleggen in gestolen kunst ligt niet voor de hand omdat die belegging door onverkoopbaarheid niet tot rendement kan leiden. Status verkrijg je via beroemde kunstwerken door die kustwerken, eventueel als ‘anonieme verzamelaar’ aan musea uit te lenen, of doordat binnen het wereldje geweten wordt dat je de eigenaar bent van die gewilde prachtwerken.
Gestolen werken kan je alleen in het geniep bezitten, dus van enige verhoging van status is geen sprake.
Bovendien: stel dat de criminelen die zo vriendelijk waren voor jou, tegen betaling, op dievenpad te gaan zich na enige tijd bij jou thuis melden en de kunst van je stelen. Ga je dan de politie bellen? Niet dus.
Dat die kwaadaardige privé-verzamelaar niet zou bestaan, kan ik niet aantonen, maar er is geen enkele logica die het vermoeden van zijn bestaan onderbouwt.

Grote kunstroof in Verona: zeventien schilderijen gestolen

 (xxxxx)

De auto van de bewaker werd gebruikt om de gestolen werken te vervoeren

(xxxxxxx)

Rest de vraag wat de dieven met zulke beroemde werken van plan zijn. Verkopen op de reguliere kunstmarkt is geen optie. Daar zijn de stukken te beroemd voor. De diefstal, speculeert burgemeester Flavio Tosi in dagblad La Repubblica, kan hebben plaatsgevonden in opdracht van een privé-verzamelaar. (xxxxx)

Source: Grote kunstroof in Verona: zeventien schilderijen gestolen | Beeldende Kunst | de Volkskrant

November 23rd, 2015

Posted In: Columns Ton Cremers, Uncategorized

Tags: , ,

Uit De Volkskrant: Veel van de werken die nu te zien zijn in het Haagse museum Escher in het Paleis zijn replica’s. Voor bezoekers staat niet aangegeven welke werken van de wereldberoemde grafisch kunstenaar echt zijn en welke niet. Ook het personeel kan dat niet vertellen.

(…………………………….) Escher in het Paleis, een eigen museum voor de kunstenaar aan het Korte Voorhout in Den Haag, toont volgens haar website ‘permanent ruim 150 werken van de kunstenaar; altijd de bekendste werken en een selectie van ander werk uit zijn oeuvre.’

(……………………………)

Van Krimpen(….):. ‘Escher in het Paleis heeft altijd facsimile’s gebruikt in de tentoonstelling. Je kan een kwetsbaar werk slechts een maand laten bezichtigen, dan moet het een jaar naar de opslagplaats.’

(……………..)

Benno Tempel, de huidige directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, is verbaasd over de kritiek. ‘De stichting heeft de licentieovereenkomsten goedgekeurd waarin staat dat wij die reproducties mochten maken. Bovendien is er een bordje bij de ingang, waarop staat dat er reproducties gebruikt worden.’

De Volkskrant kon het bestaan van een dergelijk bordje bij een bezoek niet vaststellen. Ook bij de tentoongestelde werken is niet aangegeven of het een kopie is of niet.

(………………)

einde artikel De Volkskrant

(Lees volledig artikel op: volkskrant.nlhttp://www.volkskrant.nl/beeldende-kunst/museum-escher-misleidt-bezoeker-met-kopieen~a4148423/)

Het is natuurlijk je reinste volksverlakkerij door het Gemeentemuseum / Museum Escher. Zeker nu blijkt dat nergens aangegeven is dat het kopieen betreft. Op zijn Krimpensiaans bluft voormalig directeur van het Gemeentemuseum (en van De Kunsthal Rotterdam) Van Krimpen quasi-deskundigheid dat papier te kwetsbaar is om langdurig tentoon te stellen. Ja, dat was ooit zo. Echter, indien werken achter glas getoond worden – dat worden ze – en wanneer dat glas volgens de huidige norm diefstalbeveiligd is met een folie tussen twee lagen glas, dan wordt schadelijke UV-straling voor meer dan 99% weggefilterd.

Ton Cremers

 

September 24th, 2015

Posted In: Columns Ton Cremers

Tags: , , , ,

In Het Parool van 21 april 2015 komt Wim Pijbes aan het woord over drukte in de tentoonstelling Late Rembrandts in het Rijksmuseum. Blijkbaar zijn er veel klachten van bezoekers – ‘honderden’ – over de drukte in de tentoonstelling. “Voornamelijk Nederlanders” die klagen volgens Pijbes met het hem zo langzamerhand typerende autoritaire toontje. Het klinkt als: het zijn altijd Nederlanders die wat te zeuren hebben. Dat deze Nederlanders via de belastingen jaarlijks 38 miljoen euro ophoesten voor deze grootste museale subsidieslurper, is Pijbes blijkbaar vergeten.

“Drukte” is volgens Pijbes “een belevenis”. Dat kan wel zijn, maar voor velen een negatieve belevenis. Overigens: ik vraag mij af of de brandweer deze drukte ook slechts ziet als een belevenis. Natuurlijk is drukte niet alleen een belevenis, maar ook een feit. Een feit waar het museum, ten koste van de bezoekers, maar al te trots op is.

Pijbes verwijst naar enkele buitenlandse instituten waar ook sprake is van grote drukte en lange rijen wachtenden. Hij stelt vast dat het druk is, ‘Maar lang niet zo druk als in het Uffizi, in de Sixtijnse Kapel of voor de Mona Lisa.’ Kijk, daar gaat Pijbes de fout in. Voor wat betreft de Sixtijnse Kapel en de Mona Lisa heeft hij slechts zeer gedeeltelijk gelijk. In de Sixtijnse Kapel wordt de bezoekersstroom – ik geef toe, niet altijd even vriendelijk – snel geleid door de kapel om te voorkomen dat hij te vol stroomt. De zaal waarin de Mona Lisa hangt, staat altijd vol met bezoekers, echter: dat schilderij is feitelijk het enige schilderij waarom bezoekers die ruime zaal in gaan en het is bovendien centraal in de ruimte opgesteld. De drukte rondom de Mona Lisa hoort zo langzamerhand onlosmakelijk bij de museale folklore van het Louvre.

De vergelijking met de Uffizi gaat helemaal niet op. Daar staat altijd een lange rij wachtenden voor het gebouw juist om er voor te zorgen dat het binnen niet te vol stroomt en bezoekers waar voor hun geld krijgen. Er is meestal slechts 1 kassa geopend, en alleen als het minder druk is, opent men een tweede kassa. Dit lijkt vreemd, maar toont aan dat men zowel rekening houdt met de rij wachtenden voor de deur, als met de drukte binnen de tentoonstelling. Het primaat moet altijd liggen bij de drukte in de tentoonstelling. Doe je dat niet, dan verkoop je de bezoekers een kat in de zak: men hoeft niet heel lang buiten te wachten, bij het Rijksmuseum is dat vrijwel nooit langer dan een kwartier, maar eenmaal binnen loop je van opstopping naar opstopping. Bezoekers moeten zelf kunnen besluiten of ze bereid zijn buiten langdurig in de rij te staan, en mogen niet, zoals nu gebeurt, in de val gelokt worden opdat Pijbes aan het einde van het jaar borstkloppend de groei van het aantal bezoekers kan melden.

Pijbes kreeg een klacht waarin stond dat het voor de Rembrandts te druk was voor contemplatie. ‘Dat lees ik met aandacht. En denk: koop dan zelf een Rembrandt. Een museum is geen stiltezone.’

Koop dan zelf een Rembrandt? Hoevelen kunnen dat? Pijbes toont hier een storend elitair trekje. Hij kan de klacht dan wel met aandacht gelezen hebben, maar dacht hij lang na over zijn antwoord? Dit antwoord hoort thuis in de categorie borrelpraat.

Een museum is geen stiltezone, maar het culturele lunapark dat op publiekscijfers gerichte museumdirecteuren er nu van maken, is ook niet waar we heen willen.

Eerst wordt er een twijfelachtige hype veroorzaakt via een hersenspoeling aan STER reclames waarin directeur collecties Taco Dibbits beweert dat het een “Once in a lifetime, maybe even a once in eternity experience” is (spreek je moers taal denk ik dan), en als die hersenspoeling leidt tot aanzienlijke bezoekersaantallen die het Rijksmuseum logistiek niet verantwoord aan kan, worden klagende bezoekers geschoffeerd.

Overigens: het historisch besef van kusthistoricus Dibbits blijkt hiaten te vertonen. In 1990 presenteerde het Rijksmuseum onder Henk van Os een Rembrandt overzichtstentoonstelling met bruiklenen van over de hele wereld, veel ruimer van opzet dan de huidige tentoonstelling, waar ook van gezegd werd: dit maken we nooit meer mee.

Als ik het Rijksmuseum mag adviseren: bij grote drukte minder kassa’s open zodat de bezoekers buiten al kunnen bepalen of ze lang wachten over hebben voor deze tentoonstelling en om te voorkomen dat men zich opgelicht voelt en, volkomen terecht, het museum overspoelt met klachten. Mochten er toch klachten komen, dan is het beter die serieus te nemen en niet in de pers die klagende bezoekers te schofferen.

‘Honderden’ klachten kan je niet afdoen met sarcasme zoals Pijbes zich aanmatigde, mede omdat achter iedere klagende bezoeker er mogelijk tientallen anderen staan die dezelfde klacht hebben maar niet uiten.

Ton Cremers

 

April 24th, 2015

Posted In: Columns Ton Cremers

Tags: , , , ,

Na de zelfmoordduikvlucht door een Duitse copiloot werd gesuggereerd te verplichten dat altijd twee personen in de cockpit van een vliegtuig aanwezig zijn.

Dus, zodra een van de twee piloten voor toiletbezoek de cockpit verlaat, moet zijn plaats worden ingenomen door een van de cabinepersoneelsleden om te voorkomen dat de achterblijvende piloot de cockpitdeur blokkeert en terugkeer van zijn collega belemmert.

Is dat De oplossing om suïcidale piloten te weerhouden van een moordsuïcide? Nee, want DE oplossing bestaat niet bij beveiligingsproblemen.

Na de suggestie voortaan altijd met twee personen in de cockpit te zijn, haalden Duitse piloten dit alleszins redelijke voorstel onderuit met commentaar als: “Wanneer een piloot de fout in wil, kan dat altijd en kan hij het toestel zo snel laten dalen dat tijdelijk in de cockpit aanwezig cabinepersoneel tegen het plafond gedrukt wordt (De Volkskrant 30 maart 2015).

De piloten die het voorstel over de tijdelijke bezetting van de cockpit van tafel veegden, kwamen naar mijn weten niet met voorstellen hoe een herhaling van een zelfmoordvlucht zoals met de Airbus 320 te voorkomen.

Ondanks maatregelen ter verhoging van de beveiliging en veiligheid kan het altijd nog fout gaan. Het gaat er echter om of deze maatregelen, vaak een opeenstapeling van maatregelen, de kans dat het fout gaat verminderen.

Tijdens mijn ruim 30-jarige carrière als museumbeveiliger werd ik maar al te vaak geconfronteerd met dergelijke “ja, maar…” discussies. Het is verbijsterend hoe groot de creativiteit van dwarsliggers kan zijn wanneer je beveiligingsvoorstellen doet. Die creativiteit wordt vrijwel nooit gebruikt om proactief beveiligingsproblemen te benaderen en met voorstellen te komen.

Ik herinner mij nog helder de bizarre discussie waarin ik verzeild raakte tijdens een themabijeenkomst op de Reinwardt Academie (onderdeel van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten, waar onder andere toekomstige museumwerkers worden opgeleid) naar aanleiding van een interne diefstal in het Amsterdams Stadsarchief.

Binnen de museumwereld is interne diefstal een wezenlijk probleem. Statistieken over de Nederlandse situatie zijn mij niet bekend. In de USA blijkt bij circa 50% van alle diefstallen uit musea die opgelost worden sprake te zijn van interne betrokkenheid. Een statistiek om van te schrikken. Er is geen reden aan te nemen dat de Nederlandse situatie rooskleuriger is. Er deden zich de afgelopen decennia ernstige incidenten voor waar sprake was van interne betrokkenheid bij diefstal. Vandaar die themabijeenkomst in de Reinwardt Academie.

Mijn suggestie dat maatregelen mogelijk zijn om de kans op verduistering – de juridische term voor interne diefstal – tegen te gaan werd botweg weggehoond. Ik noemde onder andere steekproefsgewijze controle van medewerkers die het gebouw verlaten – in diverse Europese landen en de USA gebruikelijk – installatie van camera’s,  toegangscontrolesystemen voor de depots, verplicht gebruik van de dienstingang en screening van medewerkers.  Een naast mij gezeten discussiedeelnemer riep luidkeels uit: “Dan stop ik desnoods een archiefstuk in mijn schoen en loop ermee naar buiten”. Pijnlijk was dat deze kreet bijval kreeg van de toenmalige directrice van de Erfgoedinspectie, een afdeling van het Ministerie van OCW die onder andere tot taak heeft toe te zien op de beveiliging van rijkscollecties.

Mocht het zo zijn dat mijn voorstellen tot resultaat hebben dat het voor museum- en archiefmedewerkers alleen nog mogelijk is collectie te stelen in de schoenen, dan is veel bereikt.

Helaas is het zo dat de mogelijkheid die resteert om in je schoenen gestolen spullen mee te nemen er toe geleid heeft dat bij geen van de geslachtofferde organisaties personeel bij vertrek gecontroleerd wordt of de verplichting alleen gebruik te maken van dienstingangen gehandhaafd wordt.

Ik kan de reactie bij een volgende verduistering en beveiligingsvoorstellen voorspellen: “ja, maar…”

Ton Cremers

 

 

March 31st, 2015

Posted In: algemeen, Columns Ton Cremers, database gestolen kunst, diefstal uit museum, Erfgoedinspectie, interne diefstal, Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Tags: , , , , , , , , , , , ,

Wat hebben Rudy Fuchs, Ruud Spruit, Gerard de Klein, Jelle Reumer en Emily Ansenk met elkaar gemeen?

site-iconmuseumbeveiliging.com/2014/01/27/wat-hebben-ruud-spruit-gerard-de-klein-jelle-reumer-en-emily-ansenk-met-elkaar-gemeen/
27/01/2014 – 09:47De naderende heropening van De Kunsthal te Rotterdam (1 februari 2014) na een ingrijpende verbouwing waarbij het klimaat en de beveiliging onder handen werden genomen, roept de publicitair wanstaltige toestand rondom de inbraak en diefstal van oktober 2012 weer in herinnering. Niet in het minst omdat de directrice van De Kunsthal onlangs in De Volkskrant verklaarde dat de beveiliging van De Kunsthal nu ‘goed’ is. Ansenk schaart zich in het rijtje directeuren van geslachtofferde musea die zich, nadat het fout ging, in de publiciteit ineens ontpopten als experts op het gebied van beveiliging en criminaliteit.Nog geen halve dag nadat een stelletje Roemeense losers kinderlijk eenvoudig wisten in te breken in De Kunsthal verklaarde Ansenk doodleuk dat de beveiliging van haar kunsthal ‘state of the art’ was. Een faux pas door emotie over de inbraak? Een vergeeflijke faux pas, ware het niet dat Ansenk in de dagen na die inbraak zowel in De Volkskrant als de NRC de strekking van dat ‘state of the art’ in andere woorden wederom benadrukte. In De Volkskrant werd ze geciteerd met “Er is geen aanleiding de beveiliging aan te passen”. Kan het nog zouter?Heb ik over dit gestuntel in de media al genoeg gezegd? Je zou het haast denken wanneer je de ingezonden brief van Raaskallende Ruudleest in de NRC van 23 oktober 2012. Spruit, want die Ruud is het, smeedt in zijn brief een band met de directeur van De Kunsthal, Emily Ansenk, waar – ik kan me niet anders voorstellen – Ansenk niet blij mee kan zijn. Ansenks buurman Jelle Reumer – directeur van het Rotterdamse Natuurhistorisch – sprong voor Ansenk en Raaskallende Ruud in de bres in een hysterische mail aan mij. Er ontplooit zich een trend, een trend die jaren geleden werd ingezet door Rudy Fuchs, chagrijnig fulminerend tegen een TV journalist nadat een schilderij van Picasso met een aardappelschilmesje was bewerkt door een bezoeker. Als museumdirecteur geef je na incidenten blijkbaar nooit toe dat de beveiliging gefaald heeft, of minstens kritisch onder de loep moet worden genomen, maar je schreeuwt stampvoetend uit dat die beveiliging ‘state of the art’ (Ansenk), ‘geavanceerd’ (Ruud Spruit) of zonder meer ‘goed’ (Fuchs) is. Om je woorden kracht bij te zetten, geef je desnoods de criminelen een compliment met hun ‘professionaliteit’ (Spruit). Er ligt terrein braak  voor mediatrainers..

Overigens vind ik niet dat in 1999 de beveiliging van het Stedelijk Museum onvoldoende was toen dat Picasso schilderij werd beschadigd. Niet de beveiliging faalde, maar Rudy Fuchs, niet bepaald bekend vanwege zijn bescheidenheid, faalde als woordvoerend directeur en viel als een amateur in de kuil die een volhardende journalist voor hem groef. Een pijnlijke TV vertoning.

Gerard de Klein, met in zijn kielzog conservator Yvonne Ploumen mailden mij ziedend van woede toen ik na de verwoestende brand in het Armando Museum in de pers verklaarde dat er onvoldoende afstemming was geweest tussen de gemeente Amersfoort, eigenaar van de Elleboogkerk waarin het museum gehuisvest was, en het museum. Hoe was het anders mogelijk dat men bezig ging met brandgevaarlijke dakwerkzaamheden terwijl het museum de belangrijkste tentoonstelling uit zijn bestaan had? Een tentoonstelling met kostbare bruiklenen die allemaal in de brand verloren gingen. Ik zou de relatie tussen het museum en de gemeente schade toebrengen met mijn opmerking in de pers, aldus Ploumen in een mail aan mij. Wie wat bewaart, die heeft wat. Mails als die van Ploumen zijn parels in mijn archief. Toen de gemeente Amersfoort de toezegging het museum te herbouwen heroverwoog, inmiddels sloeg ook in Nederland de financiële crisis toe, hadden De Klein noch Ploumen enige boodschap aan de relatie met de gemeente en gingen in de pers helemaal los over de onbetrouwbaarheid van de gemeente. De gemeente zou woordbreuk plegen.

Had die brand in het Armando Museum voorkomen kunnen worden? Natuurlijk. Strikt genomen kan, met uitzondering van brandstichting, iedere brand voorkomen worden. Had voorkomen kunnen worden dat de hele collectie verloren ging? Absoluut! Maar: er was vanuit het museum geen toezicht tijdens de werkzaamheden, het museum bezat geen calamiteitenplan met een onderdeel gewijd aan de collectie en er waren geen afspraken met de brandweer over het redden van de collectie, echter…De Klein en Ploumen wasten hun handen in onschuld en stelden zich als slachtoffers op. Ploumen mag nu de kar trekken bij het nieuwe, virtuele Armando Museum in Amelisweerd en Gerard de Klein vond onderdak als directeur in museumgoudA. Daar liet hij van zich spreken door de verkoop van een schilderij van Dumas en had hij in 2012 de pech dat er ingebroken werd en een kostbare monstrans gestolen. Het zit de man niet mee. Had die diefstal voorkomen kunnen worden? Ja. Treft Gerard de Klein hier blaam? Nee, maar ik ben wel nieuwsgierig wat de beste man gedaan heeft om herhaling te voorkomen.

Jelle Reumer van het Natuurhistorisch vond in zijn eerder genoemde arrogante en hysterische mail aan mij dat ik mijn pijlen niet moest richten op zijn buurvrouw van De Kunsthal, maar op de overheid die beknibbelt op budgetten waardoor de musea niet goed beveiligd kunnen worden. Het deed mij goed te lezen dat ook Jelle Reumer van mening is dat de musea niet ‘state of the art’, of geavanceerd beveiligd zijn. Echter, had de inbraak en diefstal door neushoorndieven in zijn museum iets te maken met teruglopende budgetten? Niets, helemaal niets. Het was de inertie van Reumer die deze diefstal mogelijk maakte. Vanuit zijn museum – er schort in het museum iets aan de loyaliteit met directeur Reumer – bereikte mij de informatie dat Jelle Reumer een waarschuwing door de politie terzijde had gelegd en geweigerd had de neushoorns te voorzien van replica hoorns. Een stap die in Naturalis terecht wel genomen werd toen wereldwijd een hausse aan inbraken plaatsvond in natuurhistorische musea.

Wat hebben Rudy Fuchs, Ruud Spruit, Gerard de Klein, Jelle Reumer en Emily Ansenk met elkaar gemeen?

De beveiliging van het Westfries Museum was, wat Raaskallende Ruud dan ook beweerde, ver onder de maat. Ruud verwaarloosde die beveiliging jarenlang en sloeg waarschuwingen van zijn beveiligingsinstallateur jaar na jaar in de wind. “We gaven feitelijk nooit aandacht aan de beveiliging” verklaarde zijn conservator ooit tijdens een receptie. Maar, Ruud mocht ondanks aantoonbaar falen op zijn post blijven.

De Klein verwaarloosde zijn verantwoordelijkheid als directeur van het Armando Museum en verzuimde, hoewel zijn museum deelnam aan een door het Mondriaanfonds gesubsidieerd project, te zorgen voor een calamiteitenplan voor zijn museum. Maar, Gerard mocht ondanks aantoonbaar falen op zijn post blijven.

De beveiliging van De Kunsthal, dat was geen nieuws, was onvoldoende en er werden geen aanvullende maatregelen getroffen toen er een kostbare tentoonstelling werd ingericht. Maar, Emily mocht ondanks aantoonbaar falen en domme presentaties in de publiciteit op haar post blijven.

Jelle Reumer weigerde de in zijn museum aanwezige hoorns van neushoorns te beveiligen, maar ook Jelle, het wordt eentonig, mocht ondanks aantoonbaar falen op zijn post blijven.

Werd Rudy Fuchs gecorrigeerd nadat hij zo onhandig manoeuvreerde in een TV interview? Niet dat ik weet…misschien achter de schermen?

Zo lang eindverantwoordelijken niet op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken en aantoonbaar falen geen consequenties heeft, zal het aanmodderen blijven met de beveiliging van musea.

Ton Cremers

27 januari 2014

Museumbeveiliging, Ton Cremers » Blog Archive » Wat hebben Rudy Fuchs, Ruud Spruit, Gerard de Klein, Jelle Reumer en Emily Ansenk met elkaar gemeen?.

January 27th, 2014

Posted In: blogwereld, brand museum, Columns Ton Cremers, De Kunsthal, diefstal, diefstal uit museum, Jelle Reumer, Kunsthal, museum security, Museum thefts, Ton Cremers

Claiming that there is not enough budget to protect very valuable objects really is confession of guilt

http://www.museum-security.org/2013/04/claiming-that-there-is-not-enough-budget-to-protect-very-valuable-objects-really-is-confession-of-guilt/

April 16, 2013

May 11, 2003, Benvenuto Cellini’s Saliera (salt cellar) was stolen from the Kunsthistorisches Museum in Vienna, which was covered byscaffolding at that time due to reconstruction works. In the press one could read: Vienna’s ‘Mona Lisa of sculptures’ stolen / Cellini’s‘Saliera,’ worth $57 million, taken from museum. And: “Climbing scaffolding and smashing a window early Sunday, thieves slipped intoVienna’s Art History Museum and — despite high-tech motion sensorsand round-the-clock guards — disappeared with a 16th-century gold-plated masterpiece sculpted by Benvenuto Cellini. The stealthy andstunning heist was one of the biggest art thefts in Europe in recentyears. The intricate, 10-inch-high sculpture, known is valued at about$57 million.”

Stealthy? Thieves?

The facts appeared to be quite different. A former Scotland Yard art detective, now a private consultant, claimed that a Serbian gang was involved in this theft. Why? Because “the guard who turned off the alarm system when it was activated had recently married a Serbian lady”. Talking about sound investigativework, and rather discriminatory as well.

September 2006, the real culprit Robert Mang was jailed four years for the theft of the Cellini Saliera, which Mang called a “prank”. And a prank it must have been. Mang hardly prepared his crime. Passing one evening, a bit plastered, he just climbed the scaffolding, smashed a window, and a display case and climbed down with the Saliera under his arm.

The burglary and theft took place in 56 seconds. In those days I wrote a Museum Security Network blog that the director, Wilfried Seipel, of the museum ought to be dismissed offhand. Either his museum employed an unqualified security manager – for which the general director is responsible – or the director of the museum did just swing away all advice a qualified security manager gave. In both cases the director has the final responsibility, and in my opinion should leave.

It is by no means acceptable that a € 30 million piece de resistance, the absolute highlight of this museum, could be stolen as easily as Robert Mang did.

My blog evoked an angry reaction by the very same imaginative former Scotland Yard art sleuth. I should not be that harsh on the victimized director. Shouldn’t I?

Almost ten years after Mang’s ‘simple comme bonjour’ theft from the Kunsthistorisches Museum in Vienna, the De Kunsthal experienced an almost similar burglary and theft. It took three small time Romanian criminals – a child’s play – two minutes to break into De Kunsthal, and get away with seven paintings.

Maybe a well prepared – too well for they visited De Kunsthal several times, and were easily traced via CCTV – burglary, and theft. However, with a ridiculous epilogue. After the theft they hid the paintings some two weeks in Rotterdam, just two blocks away from my apartment, and took them to Romania where they very clumsily started peddling the stolen paintings. The suspects have been arrested.

While writing this (April 15, 2013) the paintings are still missing.

Criminals may always be able to break in a museum through the outershell of the building, but it is absolutely inacceptable that they can steal millions worth of objects, even a highlight as Cellini’s Saliera, within a minute, or seven paintings within two minutes.

If that happens there is something fundamentally wrong. The awkward public presentation of the De Kunsthal director, Emily Ansenk, made matters even worse. After the theft she stated at a press conference that the security of De Kunsthal ‘is state of the art’.

An embarrassing blunder.

Seven valuable paintings stolen during a two minutes burglary, but the security is ‘state of the art’…

In both thefts there is a lesson to be learned. Intruder alarm systems have a very limited value when criminals are able to get in as easily as in the Kunsthistorisches Museum in Vienna, and De Kunsthal in Rotterdam.

No alarm response organisation can cope with such a structural vulnerability. In another Dutch museum heist, Gouda March 21, 2012, thieves used explosives to force their way in. It is quite difficult to stop that. It can be done, but not easily, and not in all buildings. What can be done however is to prevent thieves from stealing highlights after they enter. At least not as quickly as in both mentioned museums.

Structural, burglar-proof shells must be similar to the peels of an onion. Every time one peel is removed there will be another one. These might be burglar resistant doors and roller shutters, but may also be high-end burglar-proof display cases.

Claiming that there is not enough budget to protect very valuable objects really is confession of guilt. It means that valuable objects
are displayed irresponsibly..

Ton Cremers

toncremers@museum-security.org

+31624224620

.

Ton Cremers – Knowledge Provider Art Security – Art Security Consultancy – Museum Security Network » Blog Archive » Claiming that there is not enough budget to protect very valuable objects really is confession of guilt.

April 16th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers

Op https://veilig-erfgoed.nl/onderwerpen/diefstal-voorkomen-een-checklist publiceerde Veilig Erfgoed van de Rijksdienst voor het Cultureel ErfgoedDiefstal voorkomen: een checklist“.

Bij eerste beschouwing een nuttig instrument; bij nadere beschouwing roept die lijst veel vragen op.

Wat wordt er bedoeld met:

  • Zijn de waardevolle objecten beveiligd?
  • Zijn de vitrines beveiligd?
  • Is de ruimte beveiligd?
  • Is het gebouw beveiligd?
  • Is het terrein beveiligd?

Wat wordt hier bedoeld? OBE? Of alleen E? Geen idee. Bovendien: op welk niveau beveiligd? Nergens, maar dan ook nergens in de checklist (een lijst met ongeveer 20 vraagtekens) is iets te lezen over de indeling in risicoklassen. De lijst begint wel met het kopje Maak een risicoanalyse, maar geeft nergens enige richting naar risicoklassen en – dat verbaast helemaal – bestaande Nederlandse (NEN) en Europese (EN) normen op het gebied van inbraakwerendheid van gevelelementenramen, deuren, rolluiken – of inbraakwerendheid (de lijst heeft het over ‘braakwerend’) van glas. Gehannes met, en onduidelijkheid over terminologie bemoeilijkt het lezen. Gaat het steeds over beveiliging, aan het eind van de lijst is het ineens: “Doe geen uitspraken over de veiligheid”. Veiligheid? Beveiliging? Kiest u maar.

Die normen geven niet alleen de verschillende niveaus van inbraakwerendheid, -vertraging aan, maar ook de gereedschapsets en de beproevingsmethoden.

Musea kunnen niets met “Zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”, wanneer niet wordt aangegeven hoe dat niveau van inbraakwerendheid vastgesteld wordt. Kijk, dat komt ervan wanneer je je Post HTO Security Management aan de Haagse Hogeschool niet afrondt, waardoor je niet van de hoed EN de rand weet als het gaat over INCI/DETAR en PIVA/ALRE. Daar zijn die normen en classificaties van hang- en sluitwerk etc. het uitgangspunt bij.

Bij de risicoanalyse is het volgens RCE Veilig Erfgoed: “De dief zal niet geïnteresseerd zijn in de cultuurhistorische waarde, alleen in de financiële waarde. Welke objecten zijn goed verhandelbaar, welke bevatten waardevolle materialen zoals goud, zilver, koper, edelstenen? Welke objecten zijn interessant voor ‘art-jacking’ (losgeld)?”

Dat eerste is waar: dieven, met uitzondering van een man als Stephane Breitwieser, zijn niet geïnteresseerd in cultuurhistorische waarde. Dat ze zich richten op objecten die goed verhandelbaar zijn, is zeer de vraag, want zo goed verhandelbaar – zie het geklungel van de Roemenen die inbraken in De Kunsthal – zijn kostbare objecten niet.

Het is, met uitzondering van edelmetalen objecten en edelstenen, sowieso moeilijk in te schatten welke objecten voor dieven interessant zijn om te stelen. Van Goghs, Vermeers, Rembrandts, Picassos (de meest gestolen kunstenaar) zijn volgens ‘ingewijden’ niet verhandelbaar. Toch gaan die diefstallen maar door en is de grootste roof buiten oorlogstijd, 1990 in Boston, nog steeds niet opgelost. “Welke objecten zijn interessant voor ‘art jacking’ en losgeld”.

Hoe bepaal je dat? Daar had ik graag iets meer over gehoord. Geldt dat ook voor schilderijen van Jan Schoonhoven?  Als mij dat een maand geleden was gevraagd, dan had ik ontkennend geantwoord, maar sinds die inbraak in Bommel van Dam (b)lijkt het anders te liggen.

“Tralies zijn makkelijk door te zagen” aldus de RCE. Ja, zo lust ik er nog wel een paar.

In de beveiliging wordt het begrip redundancy gehanteerd. Letterlijk vertaald ‘overtolligheid’. RCE die pleit voor het aanleggen van barrieres schrijft hier dat de barriere tralies gemakkelijk te nemen is. Wel, iedere barriere is meer of minder gemakkelijk te nemen; het gaat echter om de opeenvolging van barrieres en tralies kunnen daar zeker een belangrijke rol bij vervullen. Het gaat toch om tijd winnen, want “zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”. Weerbaarheid? Oh ja: inbraakwerendheid natuurlijk.

Een particuliere alarmcentrale die aan komt rijden? Ik zie het al voor mij. Waarschijnlijk wordt hier bedoeld de particuliere alarmopvolger.

“Is het terrein goed omsloten? Struiken met stekels kunnen een goede afwering zijn”. Dat kan wel zo zijn, maar het merendeel van de musea hebben helemaal geen terrein om het gebouw. Tralies zijn gemakkelijk door te zagen, maar struiken met stekels zijn ‘een goede afwering’…?

“Hoe eerder de dief gedetecteerd wordt, des te meer tijd heeft u om hem af te schrikken”. Doordenkertje? Afschrikken?

“Ook barrières op de vluchtweg zorgen voor vertraging. Vertraging op de sturing van nooddeuren is onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar bij de brandweer.”.

Onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar? Waarschijnlijk wordt hier bedoeld: “Indien aan bepaalde condities voldaan wordt, dan gaat de brandweer akkoord”. Ik kan mij niet voorstellen dat de brandweer alleen onder bepaalde omstandigheden in gesprek wil gaan.

Welke zijn die condities:

Om te beginnen is dit alleen relevant tijdens openingsuren en is vertraging op nooddeuren alleen toegestaan wanneer er tijdens die openingsuren een permanent bemenste post is (niet veel musea kunnen zich dat veroorloven). De brandweer wenst: permanente observatie van de betreffende deuren bv via cameratoezicht, indicatie dat de deur vertraagt opent (meestal niet meer dan 30 seconden; criminelen kunnen tijdens hun verkenning die informatie zien), dat vanaf die permanent bemenste post de deur zonder vertraging geopend kan worden (of geblokkeerd indien gewenst), en dat die deur wanneer niet ingegrepen wordt na 30 seconden opent. Buiten openingstijden van het museum heeft die vertraging geen zin. Bovendien: het hele systeem werkt alleen bij een brandalarm en om dat te veroorzaken moet je al binnen zijn. De beste oplossing: bij sluiten van het museum ook alle nooddeuren afsluiten met een slot conform de gewenste risicoklasse. Ik hoor vaak zeggen dat dat niet zou mogen omdat ook een inbreker veilig moet kunnen vluchten. Er is geen enkele regel die dat voorschrijft. Sterker nog: bij het PKVW wordt zelfs gesproken over beveiliging tegen uitbreken (door insluipers).
Op organisatorisch/technisch niveau kan een maatregel getroffen worden om er voor te zorgen dat aan het begin van de dag werkelijk alle nooddeuren weer van het slot gaan. Er is in Nederland een praktijkvoorbeeld in een museum – misschien zijn er meer – waar bij het afsluiten van de nooddeuren bij de kaartverkoopbalie een zoemer af gaat. Die zoemer blijft gaan totdat alle nooddeuren weer ontsloten zijn.

“De kans is groot dat een inbraak voorbereid wordt tijdens een of meerdere bezoeken. Let daarom op het gedrag van uw bezoekers. Als u afwijkend gedrag constateert, bespreek dit binnen uw organisatie.” Een nadere omschrijving van ‘afwijkend gedrag’, momenteel een commercieel heel goed aangestuurde hype in museumland, ware welkom. Vaagheden helpen niet.

“Kijk of er eventuele voorbereidingen voor een inbraak gemaakt zijn. Een voorbeeld zijn streepjes die met stift op de vensterbank gezet zijn om aan te geven op welke hoogte het rolluik doorgezaagd moest worden”… Op de vensterbank aan de binnen- of aan de buitenzijde? Als het goed is zijn rolluiken aan de binnenzijde aangebracht – dat weet de eerste de beste detailhandel op de hoek van de straat al – en om die rolluiken door te zagen zal je eerst door het raam met inbraaksignalering moeten. Heeft hier de RCE de klok horen luiden, maar…?

“Wees alert op interne diefstal”. In de hele checklist, is dit de enige opmerking over wat misschien wel de grootste dreiging is voor collecties. Misschien, want precies weten we het niet.

Interessant is dat Hanna Pennock van Veilig Erfgoed van RCE, tijdens een Erfgoedarena over verduistering op 16 maart 2011 als panellid verklaarde dat 82% van diefstallen uit musea interne betrokkenheid heeft.

Dat moet gecorrigeerd worden: het gaat om gegevens uit de USA en betreft diefstallen uit musea die opgelost zijn.

Misschien is interne diefstal gemakkelijker op te lossen omdat het dader potentieel beperkt is. Statistieken zijn een prachtig hulpmiddel om argumenten kracht bij te zetten, maar ook om te mystificeren. We horen steeds weer dat er sprake zou zijn van ruim 80% verduistering bij diefstallen uit musea die opgelost zijn, maar kennen geen absolute cijfers, dus dat percentage is onbruikbaar. Het maakt namelijk uit of het gaat over 4 van 5 of 80 van 100.

Zo kan ik ook een imponerende statistiek maken. Tussen oktober 2012 en februari 2013 – in vijf maanden tijd – werd in een aantal Nederlandse musea ingebroken. Veertig (!) procent van die musea betrof verzelfstandigde Rijksmusea die onder toezicht staan, ook voor wat betreft hun veiligheidszorg, door de Erfgoedinspectie (=OCW) en dat terwijl het Kenniscentrum Veiligheidszorg Cultureel Erfgoed (KVCE, gefinancierd door OCW) al zeven jaar bestaat/bestond en die verzelfstandigde Rijksmusea aan de bron staan van informatie over veiligheidszorg. Cijfers en feiten….

Laten we er van uit gaan dat verduistering een ‘substantieel’ probleem is. Hoe komt het dan dat dit substantiële beveiligingsprobleem in deze checklist niet verder aan bod komt dan “Wees alert op interne diefstal” en helemaal niet mogelijke maatregelen ‘gecheckt’ worden?

Te denken valt aan: steekproefsgewijze visitatie van personeel, screenen van personeel, CCTV, toegangcontrolesysteem depots, ad random controle volgens registratie aanwezige objecten, beperking ‘killen’ objecten uit digitale registratie, autorisatie toegang tot collectieregistratie, verplicht gebruik van dienstingang, deontologische code.

Niets van dat al in de “Diefstal voorkomen: een checklist”. Wel gezeur over gemakkelijk door te zagen tralies, maar slechts een zijdelingse, niet nader uitgewerkte opmerking over wat gezien wordt als een wezenlijk beveiligingsprobleem.

Komt dat misschien omdat we in het museumwereldje allemaal verduistering wel zien als een wezenlijk probleem, maar het niet aan durven dit probleem op te lossen? Dat bleek niet alleen tijdens die Erfgoedarena, waar men een beveiligingsprobleem alleen maar via integriteit trajecten wilde aanpakken, maar later ook tijdens discussies over dit onderwerp op een Liber conferentie in de Koninklijke Bibliotheek.

De RCE checklist schiet op het onderdeel verduistering (interne diefstal) pijnlijk tekort.

“Dit houdt in dat ook alle collega’s inclusief de directeur van de Plaats Delict weg blijven tot de politie klaar is met het onderzoek”.

Inclusief de directeur? Gossie, het is me wat. Is dit gebaseerd op problemen uit het verleden, of is het slechts bladvulling?

  • Doe meteen aangifte bij de politie.
  • Als het een bruikleen betreft: breng bruikleengevers onmiddellijk op de hoogte.
  • Als de objecten verzekerd zijn: breng de verzekeraar onmiddellijk op de hoogte.

Meteen, onmiddellijk, onmiddellijk…..daadkrachtig!

“Bereid u goed voor op de woordvoering: wijs één woordvoerder aan en formuleer de boodschap in overleg met de politie.” Helemaal mee eens; ik zal de neiging onderdrukken grapjes te maken over geavanceerde en state-of-the-art beveiliging en in de publiciteit liegende en falende directeuren. Mijn advies: die directeuren niet alleen weghouden bij het Plaats Delict (waarom moet dat met hoofdletters) maar ook bij microfoons en camera’s.

Mankeert er dan niets aan die RCE / Veilig Erfgoed checklist? Natuurlijk wel. Petje af zelfs, maar helaas op enkele onderdelen ook snel weer op gezet. Je vraagt je af hoe zo’n lijst tot stand gekomen is – wie werkten hier aan mee – omdat vaagheden vermeden hadden kunnen worden door bestaande normen op het gebied van beveiliging en inbraakwerendheid als uitgangspunt te nemen. De checklist was dan heel wat concreter geweest.

Hoe het komt dat interne diefstal – zijn we het Legermuseum Delft en het Stadsarchief Amsterdam zo snel vergeten – er zo bekaaid vanaf komt is een raadsel.

Blijkbaar wordt er alleen uitgegaan van dreigingen van buitenaf en wordt de kop in het zand gestoken voor de ‘enemy from within’…

Ton Cremers

toncremers@museum-security.org

+316 242246 20

 

 

April 12th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Op https://veilig-erfgoed.nl/onderwerpen/diefstal-voorkomen-een-checklist publiceerde Veilig Erfgoed van de Rijksdienst voor het Cultureel ErfgoedDiefstal voorkomen: een checklist“.

Bij eerste beschouwing een nuttig instrument; bij nadere beschouwing roept die lijst veel vragen op.

Wat wordt er bedoeld met:

  • Zijn de waardevolle objecten beveiligd?
  • Zijn de vitrines beveiligd?
  • Is de ruimte beveiligd?
  • Is het gebouw beveiligd?
  • Is het terrein beveiligd?

Wat wordt hier bedoeld? OBE? Of alleen E? Geen idee. Bovendien: op welk niveau beveiligd? Nergens, maar dan ook nergens in de checklist (een lijst met ongeveer 20 vraagtekens) is iets te lezen over de indeling in risicoklassen. De lijst begint wel met het kopje Maak een risicoanalyse, maar geeft nergens enige richting naar risicoklassen en – dat verbaast helemaal – bestaande Nederlandse (NEN) en Europese (EN) normen op het gebied van inbraakwerendheid van gevelelementenramen, deuren, rolluiken – of inbraakwerendheid (de lijst heeft het over ‘braakwerend’) van glas. Gehannes met, en onduidelijkheid over terminologie bemoeilijkt het lezen. Gaat het steeds over beveiliging, aan het eind van de lijst is het ineens: “Doe geen uitspraken over de veiligheid”. Veiligheid? Beveiliging? Kiest u maar.

Die normen geven niet alleen de verschillende niveaus van inbraakwerendheid, -vertraging aan, maar ook de gereedschapsets en de beproevingsmethoden.

Musea kunnen niets met “Zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”, wanneer niet wordt aangegeven hoe dat niveau van inbraakwerendheid vastgesteld wordt. Kijk, dat komt ervan wanneer je je Post HTO Security Management aan de Haagse Hogeschool niet afrondt, waardoor je niet van de hoed EN de rand weet als het gaat over INCI/DETAR en PIVA/ALRE. Daar zijn die normen en classificaties van hang- en sluitwerk etc. het uitgangspunt bij.

Bij de risicoanalyse is het volgens RCE Veilig Erfgoed: “De dief zal niet geïnteresseerd zijn in de cultuurhistorische waarde, alleen in de financiële waarde. Welke objecten zijn goed verhandelbaar, welke bevatten waardevolle materialen zoals goud, zilver, koper, edelstenen? Welke objecten zijn interessant voor ‘art-jacking’ (losgeld)?”

Dat eerste is waar: dieven, met uitzondering van een man als Stephane Breitwieser, zijn niet geïnteresseerd in cultuurhistorische waarde. Dat ze zich richten op objecten die goed verhandelbaar zijn, is zeer de vraag, want zo goed verhandelbaar – zie het geklungel van de Roemenen die inbraken in De Kunsthal – zijn kostbare objecten niet.

Het is, met uitzondering van edelmetalen objecten en edelstenen, sowieso moeilijk in te schatten welke objecten voor dieven interessant zijn om te stelen. Van Goghs, Vermeers, Rembrandts, Picassos (de meest gestolen kunstenaar) zijn volgens ‘ingewijden’ niet verhandelbaar. Toch gaan die diefstallen maar door en is de grootste roof buiten oorlogstijd, 1990 in Boston, nog steeds niet opgelost. “Welke objecten zijn interessant voor ‘art jacking’ en losgeld”.

Hoe bepaal je dat? Daar had ik graag iets meer over gehoord. Geldt dat ook voor schilderijen van Jan Schoonhoven?  Als mij dat een maand geleden was gevraagd, dan had ik ontkennend geantwoord, maar sinds die inbraak in Bommel van Dam (b)lijkt het anders te liggen.

“Tralies zijn makkelijk door te zagen” aldus de RCE. Ja, zo lust ik er nog wel een paar.

In de beveiliging wordt het begrip redundancy gehanteerd. Letterlijk vertaald ‘overtolligheid’. RCE die pleit voor het aanleggen van barrieres schrijft hier dat de barriere tralies gemakkelijk te nemen is. Wel, iedere barriere is meer of minder gemakkelijk te nemen; het gaat echter om de opeenvolging van barrieres en tralies kunnen daar zeker een belangrijke rol bij vervullen. Het gaat toch om tijd winnen, want “zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”. Weerbaarheid? Oh ja: inbraakwerendheid natuurlijk.

Een particuliere alarmcentrale die aan komt rijden? Ik zie het al voor mij. Waarschijnlijk wordt hier bedoeld de particuliere alarmopvolger.

“Is het terrein goed omsloten? Struiken met stekels kunnen een goede afwering zijn”. Dat kan wel zo zijn, maar het merendeel van de musea hebben helemaal geen terrein om het gebouw. Tralies zijn gemakkelijk door te zagen, maar struiken met stekels zijn ‘een goede afwering’…?

“Hoe eerder de dief gedetecteerd wordt, des te meer tijd heeft u om hem af te schrikken”. Doordenkertje? Afschrikken?

“Ook barrières op de vluchtweg zorgen voor vertraging. Vertraging op de sturing van nooddeuren is onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar bij de brandweer.”.

Onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar? Waarschijnlijk wordt hier bedoeld: “Indien aan bepaalde condities voldaan wordt, dan gaat de brandweer akkoord”. Ik kan mij niet voorstellen dat de brandweer alleen onder bepaalde omstandigheden in gesprek wil gaan.

Welke zijn die condities:

Om te beginnen is dit alleen relevant tijdens openingsuren en is vertraging op nooddeuren alleen toegestaan wanneer er tijdens die openingsuren een permanent bemenste post is (niet veel musea kunnen zich dat veroorloven). De brandweer wenst: permanente observatie van de betreffende deuren bv via cameratoezicht, indicatie dat de deur vertraagt opent (meestal niet meer dan 30 seconden; criminelen kunnen tijdens hun verkenning die informatie zien), dat vanaf die permanent bemenste post de deur zonder vertraging geopend kan worden (of geblokkeerd indien gewenst), en dat die deur wanneer niet ingegrepen wordt na 30 seconden opent. Buiten openingstijden van het museum heeft die vertraging geen zin. Bovendien: het hele systeem werkt alleen bij een brandalarm en om dat te veroorzaken moet je al binnen zijn. De beste oplossing: bij sluiten van het museum ook alle nooddeuren afsluiten met een slot conform de gewenste risicoklasse. Ik hoor vaak zeggen dat dat niet zou mogen omdat ook een inbreker veilig moet kunnen vluchten. Er is geen enkele regel die dat voorschrijft. Sterker nog: bij het PKVW wordt zelfs gesproken over beveiliging tegen uitbreken (door insluipers).
Op organisatorisch/technisch niveau kan een maatregel getroffen worden om er voor te zorgen dat aan het begin van de dag werkelijk alle nooddeuren weer van het slot gaan. Er is in Nederland een praktijkvoorbeeld in een museum – misschien zijn er meer – waar bij het afsluiten van de nooddeuren bij de kaartverkoopbalie een zoemer af gaat. Die zoemer blijft gaan totdat alle nooddeuren weer ontsloten zijn.

“De kans is groot dat een inbraak voorbereid wordt tijdens een of meerdere bezoeken. Let daarom op het gedrag van uw bezoekers. Als u afwijkend gedrag constateert, bespreek dit binnen uw organisatie.” Een nadere omschrijving van ‘afwijkend gedrag’, momenteel een commercieel heel goed aangestuurde hype in museumland, ware welkom. Vaagheden helpen niet.

“Kijk of er eventuele voorbereidingen voor een inbraak gemaakt zijn. Een voorbeeld zijn streepjes die met stift op de vensterbank gezet zijn om aan te geven op welke hoogte het rolluik doorgezaagd moest worden”… Op de vensterbank aan de binnen- of aan de buitenzijde? Als het goed is zijn rolluiken aan de binnenzijde aangebracht – dat weet de eerste de beste detailhandel op de hoek van de straat al – en om die rolluiken door te zagen zal je eerst door het raam met inbraaksignalering moeten. Heeft hier de RCE de klok horen luiden, maar…?

“Wees alert op interne diefstal”. In de hele checklist, is dit de enige opmerking over wat misschien wel de grootste dreiging is voor collecties. Misschien, want precies weten we het niet.

Interessant is dat Hanna Pennock van Veilig Erfgoed van RCE, tijdens een Erfgoedarena over verduistering op 16 maart 2011 als panellid verklaarde dat 82% van diefstallen uit musea interne betrokkenheid heeft.

Dat moet gecorrigeerd worden: het gaat om gegevens uit de USA en betreft diefstallen uit musea die opgelost zijn.

Misschien is interne diefstal gemakkelijker op te lossen omdat het dader potentieel beperkt is. Statistieken zijn een prachtig hulpmiddel om argumenten kracht bij te zetten, maar ook om te mystificeren. We horen steeds weer dat er sprake zou zijn van ruim 80% verduistering bij diefstallen uit musea die opgelost zijn, maar kennen geen absolute cijfers, dus dat percentage is onbruikbaar. Het maakt namelijk uit of het gaat over 4 van 5 of 80 van 100.

Zo kan ik ook een imponerende statistiek maken. Tussen oktober 2012 en februari 2013 – in vijf maanden tijd – werd in een aantal Nederlandse musea ingebroken. Veertig (!) procent van die musea betrof verzelfstandigde Rijksmusea die onder toezicht staan, ook voor wat betreft hun veiligheidszorg, door de Erfgoedinspectie (=OCW) en dat terwijl het Kenniscentrum Veiligheidszorg Cultureel Erfgoed (KVCE, gefinancierd door OCW) al zeven jaar bestaat/bestond en die verzelfstandigde Rijksmusea aan de bron staan van informatie over veiligheidszorg. Cijfers en feiten….

Laten we er van uit gaan dat verduistering een ‘substantieel’ probleem is. Hoe komt het dan dat dit substantiële beveiligingsprobleem in deze checklist niet verder aan bod komt dan “Wees alert op interne diefstal” en helemaal niet mogelijke maatregelen ‘gecheckt’ worden?

Te denken valt aan: steekproefsgewijze visitatie van personeel, screenen van personeel, CCTV, toegangcontrolesysteem depots, ad random controle volgens registratie aanwezige objecten, beperking ‘killen’ objecten uit digitale registratie, autorisatie toegang tot collectieregistratie, verplicht gebruik van dienstingang, deontologische code.

Niets van dat al in de “Diefstal voorkomen: een checklist”. Wel gezeur over gemakkelijk door te zagen tralies, maar slechts een zijdelingse, niet nader uitgewerkte opmerking over wat gezien wordt als een wezenlijk beveiligingsprobleem.

Komt dat misschien omdat we in het museumwereldje allemaal verduistering wel zien als een wezenlijk probleem, maar het niet aan durven dit probleem op te lossen? Dat bleek niet alleen tijdens die Erfgoedarena, waar men een beveiligingsprobleem alleen maar via integriteit trajecten wilde aanpakken, maar later ook tijdens discussies over dit onderwerp op een Liber conferentie in de Koninklijke Bibliotheek.

De RCE checklist schiet op het onderdeel verduistering (interne diefstal) pijnlijk tekort.

“Dit houdt in dat ook alle collega’s inclusief de directeur van de Plaats Delict weg blijven tot de politie klaar is met het onderzoek”.

Inclusief de directeur? Gossie, het is me wat. Is dit gebaseerd op problemen uit het verleden, of is het slechts bladvulling?

  • Doe meteen aangifte bij de politie.
  • Als het een bruikleen betreft: breng bruikleengevers onmiddellijk op de hoogte.
  • Als de objecten verzekerd zijn: breng de verzekeraar onmiddellijk op de hoogte.

Meteen, onmiddellijk, onmiddellijk…..daadkrachtig!

“Bereid u goed voor op de woordvoering: wijs één woordvoerder aan en formuleer de boodschap in overleg met de politie.” Helemaal mee eens; ik zal de neiging onderdrukken grapjes te maken over geavanceerde en state-of-the-art beveiliging en in de publiciteit liegende en falende directeuren. Mijn advies: die directeuren niet alleen weghouden bij het Plaats Delict (waarom moet dat met hoofdletters) maar ook bij microfoons en camera’s.

Mankeert er dan niets aan die RCE / Veilig Erfgoed checklist? Natuurlijk wel. Petje af zelfs, maar helaas op enkele onderdelen ook snel weer op gezet. Je vraagt je af hoe zo’n lijst tot stand gekomen is – wie werkten hier aan mee – omdat vaagheden vermeden hadden kunnen worden door bestaande normen op het gebied van beveiliging en inbraakwerendheid als uitgangspunt te nemen. De checklist was dan heel wat concreter geweest.

Hoe het komt dat interne diefstal – zijn we het Legermuseum Delft en het Stadsarchief Amsterdam zo snel vergeten – er zo bekaaid vanaf komt is een raadsel.

Blijkbaar wordt er alleen uitgegaan van dreigingen van buitenaf en wordt de kop in het zand gestoken voor de ‘enemy from within’…

++wordt vervolgd++

 

Ton Cremers

toncremers@museum-security.org

+316 242246 20

 

 

April 12th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Op https://veilig-erfgoed.nl/onderwerpen/diefstal-voorkomen-een-checklist publiceerde Veilig Erfgoed van de Rijksdienst voor het Cultureel ErfgoedDiefstal voorkomen: een checklist“.

Bij eerste beschouwing een nuttig instrument; bij nadere beschouwing roept die lijst veel vragen op.

Wat wordt er bedoeld met:

  • Zijn de waardevolle objecten beveiligd?
  • Zijn de vitrines beveiligd?
  • Is de ruimte beveiligd?
  • Is het gebouw beveiligd?
  • Is het terrein beveiligd?

Wat wordt hier bedoeld? OBE? Of alleen E? Geen idee. Bovendien: op welk niveau beveiligd? Nergens, maar dan ook nergens in de checklist (een lijst met ongeveer 20 vraagtekens) is iets te lezen over de indeling in risicoklassen. De lijst begint wel met het kopje Maak een risicoanalyse, maar geeft nergens enige richting naar risicoklassen en – dat verbaast helemaal – bestaande Nederlandse (NEN) en Europese (EN) normen op het gebied van inbraakwerendheid van gevelelementenramen, deuren, rolluiken – of inbraakwerendheid (de lijst heeft het over ‘braakwerend’) van glas. Gehannes met, en onduidelijkheid over terminologie bemoeilijkt het lezen. Gaat het steeds over beveiliging, aan het eind van de lijst is het ineens: “Doe geen uitspraken over de veiligheid”. Veiligheid? Beveiliging? Kiest u maar.

Die normen geven niet alleen de verschillende niveaus van inbraakwerendheid, -vertraging aan, maar ook de gereedschapsets en de beproevingsmethoden.

Musea kunnen niets met “Zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”, wanneer niet wordt aangegeven hoe dat niveau van inbraakwerendheid vastgesteld wordt. Kijk, dat komt ervan wanneer je je Post HTO Security Management aan de Haagse Hogeschool niet afrondt, waardoor je niet van de hoed EN de rand weet als het gaat over INCI/DETAR en PIVA/ALRE. Daar zijn die normen en classificaties van hang- en sluitwerk etc. het uitgangspunt bij.

Bij de risicoanalyse is het volgens RCE Veilig Erfgoed: “De dief zal niet geïnteresseerd zijn in de cultuurhistorische waarde, alleen in de financiële waarde. Welke objecten zijn goed verhandelbaar, welke bevatten waardevolle materialen zoals goud, zilver, koper, edelstenen? Welke objecten zijn interessant voor ‘art-jacking’ (losgeld)?”

Dat eerste is waar: dieven, met uitzondering van een man als Stephane Breitwieser, zijn niet geïnteresseerd in cultuurhistorische waarde. Dat ze zich richten op objecten die goed verhandelbaar zijn, is zeer de vraag, want zo goed verhandelbaar – zie het geklungel van de Roemenen die inbraken in De Kunsthal – zijn kostbare objecten niet.

Het is, met uitzondering van edelmetalen objecten en edelstenen, sowieso moeilijk in te schatten welke objecten voor dieven interessant zijn om te stelen. Van Goghs, Vermeers, Rembrandts, Picassos (de meest gestolen kunstenaar) zijn volgens ‘ingewijden’ niet verhandelbaar. Toch gaan die diefstallen maar door en is de grootste roof buiten oorlogstijd, 1990 in Boston, nog steeds niet opgelost. “Welke objecten zijn interessant voor ‘art jacking’ en losgeld”.

Hoe bepaal je dat? Daar had ik graag iets meer over gehoord. Geldt dat ook voor schilderijen van Jan Schoonhoven?  Als mij dat een maand geleden was gevraagd, dan had ik ontkennend geantwoord, maar sinds die inbraak in Bommel van Dam (b)lijkt het anders te liggen.

“Tralies zijn makkelijk door te zagen” aldus de RCE. Ja, zo lust ik er nog wel een paar.

In de beveiliging wordt het begrip redundancy gehanteerd. Letterlijk vertaald ‘overtolligheid’. RCE die pleit voor het aanleggen van barrieres schrijft hier dat de barriere tralies gemakkelijk te nemen is. Wel, iedere barriere is meer of minder gemakkelijk te nemen; het gaat echter om de opeenvolging van barrieres en tralies kunnen daar zeker een belangrijke rol bij vervullen. Het gaat toch om tijd winnen, want “zet het niveau van de weerbaarheid af tegen de duur van de alarmopvolging, en tegen de aanrijtijd van de politie of particuliere alarmcentrale”. Weerbaarheid? Oh ja: inbraakwerendheid natuurlijk.

Een particuliere alarmcentrale die aan komt rijden? Ik zie het al voor mij. Waarschijnlijk wordt hier bedoeld de particuliere alarmopvolger.

“Is het terrein goed omsloten? Struiken met stekels kunnen een goede afwering zijn”. Dat kan wel zo zijn, maar het merendeel van de musea hebben helemaal geen terrein om het gebouw. Tralies zijn gemakkelijk door te zagen, maar struiken met stekels zijn ‘een goede afwering’…?

“Hoe eerder de dief gedetecteerd wordt, des te meer tijd heeft u om hem af te schrikken”. Doordenkertje? Afschrikken?

“Ook barrières op de vluchtweg zorgen voor vertraging. Vertraging op de sturing van nooddeuren is onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar bij de brandweer.”.

Onder bepaalde omstandigheden bespreekbaar? Waarschijnlijk wordt hier bedoeld: “Indien aan bepaalde condities voldaan wordt, dan gaat de brandweer akkoord”. Ik kan mij niet voorstellen dat de brandweer alleen onder bepaalde omstandigheden in gesprek wil gaan.

Welke zijn die condities:

Om te beginnen is dit alleen relevant tijdens openingsuren en is vertraging op nooddeuren alleen toegestaan wanneer er tijdens die openingsuren een permanent bemenste post is (niet veel musea kunnen zich dat veroorloven). De brandweer wenst: permanente observatie van de betreffende deuren bv via cameratoezicht, indicatie dat de deur vertraagt opent (meestal niet meer dan 30 seconden; criminelen kunnen tijdens hun verkenning die informatie zien), dat vanaf die permanent bemenste post de deur zonder vertraging geopend kan worden (of geblokkeerd indien gewenst), en dat die deur wanneer niet ingegrepen wordt na 30 seconden opent. Buiten openingstijden van het museum heeft die vertraging geen zin. Bovendien: het hele systeem werkt alleen bij een brandalarm en om dat te veroorzaken moet je al binnen zijn. De beste oplossing: bij sluiten van het museum ook alle nooddeuren afsluiten met een slot conform de gewenste risicoklasse. Ik hoor vaak zeggen dat dat niet zou mogen omdat ook een inbreker veilig moet kunnen vluchten. Er is geen enkele regel die dat voorschrijft. Sterker nog: bij het PKVW wordt zelfs gesproken over beveiliging tegen uitbreken (door insluipers).
Op organisatorisch/technisch niveau kan een maatregel getroffen worden om er voor te zorgen dat aan het begin van de dag werkelijk alle nooddeuren weer van het slot gaan. Er is in Nederland een praktijkvoorbeeld in een museum – misschien zijn er meer – waar bij het afsluiten van de nooddeuren bij de kaartverkoopbalie een zoemer af gaat. Die zoemer blijft gaan totdat alle nooddeuren weer ontsloten zijn.

“De kans is groot dat een inbraak voorbereid wordt tijdens een of meerdere bezoeken. Let daarom op het gedrag van uw bezoekers. Als u afwijkend gedrag constateert, bespreek dit binnen uw organisatie.” Een nadere omschrijving van ‘afwijkend gedrag’, momenteel een commercieel heel goed aangestuurde hype in museumland, ware welkom. Vaagheden helpen niet.

“Kijk of er eventuele voorbereidingen voor een inbraak gemaakt zijn. Een voorbeeld zijn streepjes die met stift op de vensterbank gezet zijn om aan te geven op welke hoogte het rolluik doorgezaagd moest worden”… Op de vensterbank aan de binnen- of aan de buitenzijde? Als het goed is zijn rolluiken aan de binnenzijde aangebracht – dat weet de eerste de beste detailhandel op de hoek van de straat al – en om die rolluiken door te zagen zal je eerst door het raam met inbraaksignalering moeten. Heeft hier de RCE de klok horen luiden, maar…?

“Wees alert op interne diefstal”. In de hele checklist, is dit de enige opmerking over wat misschien wel de grootste dreiging is voor collecties. Misschien, want precies weten we het niet.

Interessant is dat Hanna Pennock van Veilig Erfgoed van RCE, tijdens een Erfgoedarena over verduistering op 16 maart 2011 als panellid verklaarde dat 82% van diefstallen uit musea interne betrokkenheid heeft.

Dat moet gecorrigeerd worden: het gaat om gegevens uit de USA en betreft diefstallen uit musea die opgelost zijn.

Misschien is interne diefstal gemakkelijker op te lossen omdat het dader potentieel beperkt is. Statistieken zijn een prachtig hulpmiddel om argumenten kracht bij te zetten, maar ook om te mystificeren. We horen steeds weer dat er sprake zou zijn van ruim 80% verduistering bij diefstallen uit musea die opgelost zijn, maar kennen geen absolute cijfers, dus dat percentage is onbruikbaar. Het maakt namelijk uit of het gaat over 4 van 5 of 80 van 100.

Zo kan ik ook een imponerende statistiek maken. Tussen oktober 2012 en februari 2013 – in vijf maanden tijd – werd in een aantal Nederlandse musea ingebroken. Veertig (!) procent van die musea betrof verzelfstandigde Rijksmusea die onder toezicht staan, ook voor wat betreft hun veiligheidszorg, door de Erfgoedinspectie (=OCW) en dat terwijl het Kenniscentrum Veiligheidszorg Cultureel Erfgoed (KVCE, gefinancierd door OCW) al zeven jaar bestaat/bestond en die verzelfstandigde Rijksmusea aan de bron staan van informatie over veiligheidszorg. Cijfers en feiten….

Laten we er van uit gaan dat verduistering een ‘substantieel’ probleem is. Hoe komt het dan dat dit substantiële beveiligingsprobleem in deze checklist niet verder aan bod komt dan “Wees alert op interne diefstal” en helemaal niet mogelijke maatregelen ‘gecheckt’ worden?

Te denken valt aan: steekproefsgewijze visitatie van personeel, screenen van personeel, CCTV, toegangcontrolesysteem depots, ad random controle volgens registratie aanwezige objecten, beperking ‘killen’ objecten uit digitale registratie, autorisatie toegang tot collectieregistratie, verplicht gebruik van dienstingang, deontologische code.

Niets van dat al in de “Diefstal voorkomen: een checklist”. Wel gezeur over gemakkelijk door te zagen tralies, maar slechts een zijdelingse, niet nader uitgewerkte opmerking over wat gezien wordt als een wezenlijk beveiligingsprobleem.

Komt dat misschien omdat we in het museumwereldje allemaal verduistering wel zien als een wezenlijk probleem, maar het niet aan durven dit probleem op te lossen? Dat bleek niet alleen tijdens die Erfgoedarena, waar men een beveiligingsprobleem alleen maar via integriteit trajecten wilde aanpakken, maar later ook tijdens discussies over dit onderwerp op een Liber conferentie in de Koninklijke Bibliotheek.

De RCE checklist schiet op het onderdeel verduistering (interne diefstal) pijnlijk tekort.

“Dit houdt in dat ook alle collega’s inclusief de directeur van de Plaats Delict weg blijven tot de politie klaar is met het onderzoek”.

Inclusief de directeur? Gossie, het is me wat. Is dit gebaseerd op problemen uit het verleden, of is het slechts bladvulling?

  • Doe meteen aangifte bij de politie.
  • Als het een bruikleen betreft: breng bruikleengevers onmiddellijk op de hoogte.
  • Als de objecten verzekerd zijn: breng de verzekeraar onmiddellijk op de hoogte.

Meteen, onmiddellijk, onmiddellijk…..daadkrachtig!

“Bereid u goed voor op de woordvoering: wijs één woordvoerder aan en formuleer de boodschap in overleg met de politie.” Helemaal mee eens; ik zal de neiging onderdrukken grapjes te maken over geavanceerde en state-of-the-art beveiliging en in de publiciteit liegende en falende directeuren. Mijn advies: die directeuren niet alleen weghouden bij het Plaats Delict (waarom moet dat met hoofdletters) maar ook bij microfoons en camera’s.

Mankeert er dan niets aan die RCE / Veilig Erfgoed checklist? Natuurlijk wel. Petje af zelfs, maar helaas op enkele onderdelen ook snel weer op gezet. Je vraagt je af hoe zo’n lijst tot stand gekomen is – wie werkten hier aan mee – omdat vaagheden vermeden hadden kunnen worden door bestaande normen op het gebied van beveiliging en inbraakwerendheid als uitgangspunt te nemen. De checklist was dan heel wat concreter geweest.

Hoe het komt dat interne diefstal – zijn we het Legermuseum Delft en het Stadsarchief Amsterdam zo snel vergeten – er zo bekaaid vanaf komt is een raadsel.

Blijkbaar wordt er alleen uitgegaan van dreigingen van buitenaf en wordt de kop in het zand gestoken voor de ‘enemy from within’…

++wordt vervolgd++

 

Ton Cremers

toncremers@museum-security.org

+316 242246 20

 

 

April 12th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Op enkele LinkedIn groepen maakte ik begin april bekend dat er een nieuwe publicatie het daglicht zag over de veiligheid van cultureel erfgoed en brand.

Een zogenaamde ‘kennispublicatie’. Dat die publicatie voornamelijk ‘oude’ kennis en niets nieuws bevat, zal onderwerp zijn van een volgende column. Het is een koffietafel babbelstuk gemaakt door belastingruifwerknemers die elkaar van de straat houden en draagt niets bij aan wat sinds 2000 al op vele plaatsen verkondigd werd.

In het betreffende babbelstuk staat vermeld dat het Waterschadewiel (1999) en het Brandschadewiel (2011) tot stand kwamen ‘onder leiding van’ de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE). Dit klopt niet. Het waterschadewiel werd geproduceerd toen RCE nog niet bestond en is feitelijk niets anders dan een vertaling van een Canadees product.

Het Brandschadewiel kwam niet tot stand onder leiding van RCE, maar op initiatief en onder leiding van het Landelijk Contact Museumconsulenten. Ere wie ere toekomt.

Maar goed: fouten kunnen gemaakt worden. Echter RCE, Hanna Pennock, is medeauteur van die ‘kennispublicatie’. Voor een formulering als ‘onder leiding van’ wordt natuurlijk bewust gekozen. Dit is geen fout meer, maar een verkeerde weergave van de feiten en schurkt aan tegen liegen. Foei toch.

Op de LinkedIn groepen Dutch Museum Security en Veilig Erfgoed beperkte ik mij tot een ‘zakelijke’ rectificatie.

Daar kwam een reactie op door Darnal Vanheste, een ‘bewakingsagent’ uit Gent.

Zo ver, zo goed…

Totdat er ook een reactie kwam door Theo Vermeulen, Coördinator Security & Collections Koninklijke Bibliotheek Den Haag. Theo is niet alleen Hanna Pennock’s voorganger bij het Kenniscentrum Veiligheidszorg Cultureel Erfgoed (KVCE), maar ook een van de auteurs van het kennispublicatietje.

‘Kennispublicatie’, ‘Kenniscentrum’…het regent (gebrek aan) ‘kennis’. Ook daar kom ik op terug in een blog over de door RCE/KVCE met trots gepubliceerde Checklist beveiliging…..over kennis gesproken…

Die reactie van Theo Vermeulen was niet bepaald gespeend van arrogantie. Hij gaf zijn mening, ook Theo mag dat, maar ging helaas slechts zeer gedeeltelijk inhoudelijk op mijn rectificatie in, en stampvoette slechts dat ik ongelijk had en dat wat hem betreft de discussie beëindigd was. Een variant op boos iets roepen en je omdraaien en wegbenen, of iets schreeuwen door de telefoon en de verbinding verbreken omdat je het weerwoord niet horen wilt.

Vermeulen vond de discussie sowieso een discussie om niks. Waarom er dan aan deelnemen?

Vermeulen is niet de eigenaar/moderator van de bewuste LinkedIn groepen en niet degene die de competentie heeft discussies te beëindigen. Hij kan slechts afzien van zijn deelname aan discussies, maar wanneer hij zich geroepen voelt dat wel te doen, dan ware het redelijk dat te doen op basis van argumenten. Deelnemen aan een discussie creëert automatisch het recht van anderen, net als van Theo, te kiezen voor reactie.

Aangesproken op zijn vreemde handelwijze komt meneer Vermeulen slechts met een nog vreemdere en bovendien niet onderbouwde – een specialiteit van Vermeulen? – en zelfs onterechte aantijging. Mijn verzoek zijn aantijging met een voorbeeld te staven bleef, hoe voorspelbaar, onbeantwoord.

Ik heb er in de loop der jaren regelmatig voor gekozen in mijn blogs de confrontatie aan te gaan en man-en-paard te noemen – altijd op basis van argumenten – en zal nooit verdere discussie weigeren.

Hierboven is daar een voorbeeld van te vinden. Het verwijtende geblaat van Vermeulen mist enige argumentatie of onderbouwing.

Zo zijn blijkbaar de manieren…

Het archief groeit……

April 11th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, Dienst Cultureel Erfgoed, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Uncategorized

Tags: , , ,

De Onderdoorrit,
of: Hollandse kneuterigheid en onvermogen in ons land iets van internationale allure te realiseren

 In de jaren zestig werd Amsterdam bij herhaling onveilig gemaakt door agressieve anti-metro demonstranten en onervaren mobiele eenheden die niet wisten hoe om te gaan met deze demonstranten. Die metro zou en moest er niet komen volgens de demonstranten. Nu maken ze allemaal, jaren ouder geworden, gebruik van dit snelle een gerieflijk systeem.

De overheid in Amsterdam heeft in de loop der jaren geleerd om te gaan met demonstraties. De demonstranten werden ouder en kiezen nu voor andere methoden. De herinrichting van het Museumplein verliep niet zonder verzet. Handen af van de kortste snelweg van Nederland, leek het devies.
Protestgroepen en bezwaarschriften waren aan de orde van de dag. Tenslotte, een Amsterdammer laat zich niet door autoriteiten voorschrijven hoe de stad er uit ziet en hoe van de publieke ruimte gebruik gemaakt wordt. Nu, enkele jaren na de opening van het nieuwe Museumplein liggen ze met z’n allen te zonnen op de helling boven parkeergarage en Albert Heijn. Honden spartelen in dezelfde vijver waar ouders hun kinderen laten pootje baden en het plein kan als vanouds weer, en zelfs beter dan voorheen, gebruikt worden voor de zwanenzang van de vakbonden en protesten tegen het bezoek van Bush aan Nederland.
Amsterdammers: een heel conservatief volkje. Welke verandering er ook wordt voorgesteld, men is principieel tegen. Het Rijksmuseum aanpassen aan de eisen van de tijd en voorzien van een publieksvriendelijke, monumentale ingang? Prima, maar kom niet aan ons fietspad door de onderdoorrit.
Blijkbaar zijn die opstandige Amsterdammers niet alleen conservatief, maar ook nog te lui om een blokje om te fietsen. Dat die onderdoorrit al jaren levensgevaarlijk is voor nietsvermoedende, want niet aan fietsen in het straatbeeld gewende, bezoekers speelt geen rol.
Zelf was ik meerdere keren getuige van de Amsterdamse folklore waarin argeloze toeristen – laten we niet vergeten: een heel belangrijke bron van inkomsten voor de stad – werden weggebeld en weggescholden door onverdraagzame, haastige fietsers. En dan nog niet te spreken van de bromfietskoerieranarchie.
Het museum heeft groot gelijk met de nieuwe plannen voor een ruime ingang. Het museum heeft groot gelijk met het herstel van Cuypersglorie en daglicht in de onderdoorrit. De concessie aan de onvermijdelijke Amsterdamse grote mond en daarom ruimte scheppen voor het onverdraagzame fietsvolkje zal blijken een fout te zijn.
De drommen toeristen – men hoopt op 1,4 miljoen per jaar, gemiddeld 4.000 per dag – zullen nu allemaal het museum op een en dezelfde plaats binnen gaan en weer verlaten: de onderdoorrit. Er zullen niet meer zoals voorheen drie afzonderlijke ingangen zijn: Oost, West en Zuid (de Philipsvleugel). Nee, al die bezoekers gaan via de onderdoorrit het museum in en uit; 8.000 wandelaars per dag.
Wandelende toeristen en fietsende Amsterdammers bleken in het verleden al onverenigbaar te zijn. Dat wordt straks nog erger. De grotere bezoekerstroom zal geheel geconcentreerd zijn op die nieuwe ingang in de onderdoorrit en de bellende en schreeuwende fietsers zullen een voortdurende dreiging zijn voor deze bezoekers.

Is het nu werkelijk nodig deze honderden miljoenen kostende verbouwing van het museum te realiseren en willens en wetens een logistieke blunder te maken omdat men bang is een keer NEE te zeggen de tirannie van de conservatieve fietser?

Mijn advies aan toekomstige bezoekers die schade oplopen doordat een fiets of brommer hen van de sokken rijdt: dien een schadeclaim in bij de laffe (deel)gemeente!

Ton Cremers
Mei 2005

 

April 4th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers

De Kunsthal, het Catharijne Convent, Huis Doorn, het Stedelijk Museum Zutphen, Museum Bommel van Dam…vijf geslachtofferde Nederlandse musea binnen vijf maanden en het einde zal ongetwijfeld nog niet in zicht zijn. Criminelen zien onze musea blijkbaar als ‘soft targets’ en erger nog: ze bewijzen hun gelijk te vaak. Dit kan niet langer zo door gaan.

Het zal toch niet zo zijn dat inbrekers na het ‘makkie’ in De Kunsthal zich realiseren dat ‘state of the art’ beveiliging bij musea synoniem is aan gemakkelijke binnendringen. Zal hier sprake zijn van ‘copy cat’ criminaliteit? Het gaat er op lijken.

Het wordt nu echt tijd dat alle, maar dan ook alle musea zich zorgen maken over en aandacht besteden aan de inbraakwerendheid van de gebouwen (en de vitrines in die gebouwen) en niet langer vertrouwen op bewegingsmelders binnen het gebouw, maar zorgen voor detectie op de buitenschil van de gebouwen.

Niet alle inbraken zullen voorkomen kunnen worden. Was het maar waar, maar de inbraak en diefstal in De Kunsthal – er zijn nog geen details bekend over de inbraken in Zutphen en Venlo – had zonder meer voorkomen kunnen worden.

Als het al lukt een buitendeur te forceren, inbrekers deinzen er niet voor terug zelfs explosieven te gebruiken (Museum Gouda 2012), dan nog moet het inbrekers grote moeite en tijd kosten verder door te dringen. Dat kan via inbraakvertragende compartimenten en inbraakvertragende vitrines. Het gaat om ontmoedigen en tijd winnen zodat de alarmopvolgers adequaat kunnen reageren.

Er zijn naast compartimenteringsmaatregelen nog andere middelen om na binnendringen in het gebouw diefstal te verijdelen. Heel effectief is de Inferno Sound Barrier. Bij testen is gebleken dat niemand langer dan 30 seconden in een ruimte kan blijven waar Inferno klinkt. Proefpersonen werden onwel en moesten overgeven na die 30 seconden.

Er bestaat geen enkele beveiligingsmaatregelen die op zichzelf afdoende is. In de beveiliging wordt het begrip ‘redundancy’ gehanteerd. Die sound barrier kan immers omzeild worden via oorbeschermers (dan moeten inbrekers die wel bij zich hebben). Naast geluid kan stroboscopisch licht een belangrijke rol vervullen. Helaas bestaat er weerstand tegen het gebruik van mistgeneratoren die razendsnel een ruimte ondoordringbaar maken.

Waarom geen rolluiken achter ramen en deuren? Er zijn gecertificeerde rolluiken die zeer afdoende zijn tegen inbraak. In enkele Nederlandse musea zijn de afgelopen tien jaar inbraakwerende vitrines geplaatst die volgens testen 15 tot zelfs 20 minuten bestand zijn tegen aanvallen met koevoeten, (voor)hamers en ander handgereedschap.

Het kan allemaal. Het is mogelijk om inbraken als in Rotterdam, Doorn, Zutphen en Venlo te voorkomen, of een diefstal tijdens openingstijd zoals in het Catharijne Convent (via inbraakwerende vitrines).

Al die voorzieningen zullen heel afdoende blijken, maar ze kosten geld. Er moet een relatie zijn tussen investeringen in beveiligingen en de waarde van te beschermen objecten.

Klagen over gebrek aan budgetten om afdoende te beveiligen is feitelijk een schuldbekentenis: het betekent namelijk dat er voor gekozen wordt objecten bewust te kwetsbaar te tonen. Als het niet mogelijk is objecten op een veilige wijze te tonen, dan moeten ze maar – tijdelijk – niet getoond worden.

Dat soms helemaal geen geld nodig is om maatregelen te treffen, maar het door nalatigheid toch fout gaat betoogde ik al in een bizarre discussie met de directeur van het Natuurhistorisch (museum) in Rotterdam.

Ton Cremers

 

 

March 22nd, 2013

Posted In: Catharijneconvent, Columns Ton Cremers, commentaar, De Kunsthal, diefstal, diefstal uit museum, Kunsthal, Uncategorized

De Kunsthal: buurman Jelle Reumer gaat uit zijn dak

http://www.museumbeveiliging.com/2012/12/13/de-kunsthal-buurman-jelle-reumer-gaat-uit-zijn-dak/

December 13, 2012
13/12/2012 – 17:45

In mijn vorige column ‘Museumbeveiliging, publiciteit en vertrouwelijkheid‘ trachtte ik uit te leggen wat de drijfveer is achter mijn publieke optreden na ernstige incidenten in de museumwereld. Ik schetste hoe ik over het algemeen reageer op vragen door de pers en waarom ik in drie gevallen, eigenlijke twee, op basis van argumenten ernstige kritiek had op het falend beveiligingsbeleid.

Het fenomeen dat de zo geprezen vrijheid van meningsuiting ineens geen absoluut recht meer is wanneer je een mening hebt die niet in dank wordt afgenomen, is mij al lang bekend. Vandaag werd dat weer eens duidelijk gemaakt door de onderstaande mail die ik kreeg van Jelle Reumer, directeur van Het Natuurhistorisch te Rotterdam:

-citaat openen-

Dag Ton,

Zojuist je column op de website van Museumbeveiliging gelezen. Ik ben geschokt door je onfatsoen.

Ik denk niet dat er sinds de afschaffing van de Inquisitie zoveel vunzig gif over één persoon is heen gegooid. Het is een meer dan walgelijke karaktermoord, en en passant wordt ook Ruud Spruit weer even onderuit geschopt.

In een periode dat het de musea van overheidswege volstrekt onmogelijk wordt gemaakt om ook maar één suppoost te betalen, laat staan gekwalificeerde beveiligingsmedewerkers, kun je je gifspuit beter in de richting van de overheid wenden.

Heb je uit mijn LinkedIn lijst van contacten verwijderd, met mensen van jouw allooi wens ik niet te worden geassocieerd.

 Jelle Reumer, directeur

Het Natuurhistorisch

-citaat sluiten-

Zo, dat liegt er niet om. Waar zijn de argumenten, vraag ik mij dan af. Jelle verwijt mij op hysterische wijze dat ik gif zou strooien over (voormalige) museumdirecteuren en nodigt mij tegelijk uit met gif te gaan spuiten. Ik mag dus van Jelle wel gif spuiten, maar hij moet bepalen welke kant dat gif uit gaat. Beetje aanmatigend en een wat vreemde ‘argumentatie’.

Het is in ieder geval duidelijk: dat het Westfries Museum werd beroofd van 22 schilderijen en dat op kinderlijk eenvoudige wijze 7 schilderijen in twee minuten werden gestolen uit De Kunsthal is de directeuren van die beide musea niet te verwijten, maar het is die kwade overheid die het volstrekt onmogelijk maakt gekwalificeerde beveiligingsmedewerkers aan te trekken. Wel, onze Jelle durft nog al. Volgens hem zijn de beveiligers bij zijn buurvouw, Emily Ansenk van De Kunsthal, dus niet gekwalificeerd. Weet Jelle wel waar hij het over heeft? Die beveiligers in De Kunsthal zijn conform de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus wel degelijk gekwalificeerd. Mocht dat niet zo zijn, dan handelt De Kunsthal – je kan zo langzamerhand alles verwachten – in strijd met de wet. Niet fris van Jelle Reumer dat hij op deze wijze de beveiligers van De Kunsthal als niet gekwalificeerd onderuit schoffelt. In mijn ogen niets anders dan een trap onder de gordel. Jelle draagt voor zijn buurvrouw een smoes aan waar ze volgens mij echt niet blij mee kan zijn. Hoe was het ook alweer: met een vriend als Jelle heb je geen vijanden nodig?

Zou Reumer het werkelijk menen dat die inbraak en diefstal uit De Kunsthal te wijten is aan de bezuinigende overheid? Stel dat hij gelijk heeft dat de beveiliging van De Kunsthal door gemeentelijke bezuinigingen onder de maat was, was het dan desondanks verantwoord deze tentoonstelling met kostbare bruiklenen te organiseren? Met andere woorden – ik volg de hysterische redenatie (ja, een oxymoron, ik weet het) van Reumer: de overheid knijpt budgetten, de beveiliging (beveiligers) is daardoor niet gekwalificeerd, maar de directie besluit doodleuk kostbare objecten die een bruikleengever aan de zorg van De Kunsthal toevertrouwt te tonen. Het wordt mij ineens duidelijk dat Jelle, hij weet dat zelf nog niet maar hopelijk leest hij ook deze column, het helemaal met mij eens is. De directrice van De Kunsthal wist dat de beveiliging niet in orde was doordat de gemeente op budgetten kortte, maar ging, tegen beter weten in, met deze tentoonstelling door. Foei Ansenk! Cremers en Reumer vinden dat je dat niet had moeten doen.

Met een vijand als Reumer heb ik helemaal geen vrienden nodig!

Noemde ik Ruud Spruit ‘en passant’? Wat een slechte lezer is onze Jelle. Ik noemde raaskallende Ruud helemaal niet ‘en passant’, maar als het meest duidelijke voorbeeld van een directeur die de beveiliging van zijn museum jarenlang stelselmatig verwaarloosde. Lag het toen ook aan de wegens crisis bezuinigende overheid? Welnee: het was juichende hoogconjunctuur toen het Westfries Museum leeggeroofd werd. Er was geld genoeg. Wat bij Spruit ontbrak was een visie, het ontbrak hem aan interesse voor de beveiliging. In de jaren voorafgaand aan de roof uit zijn museum diende Spruit nooit enig voorstel in bij de gemeente om de beveiliging van zijn museum te verbeteren; ondanks dat de installateur hem keer op keer attent maakte op de noodzaak de beveiliging op te waarderen.

Jelle Reumer heeft, net als ik, recht op zijn mening. Jammer dat hij zich beperkt tot opgewonden schelden en geen enkel houdbaar argument aandraagt. Wat zal ik Jelle missen op LinkedIn. Ik ga een zwaar weekend tegemoet.

Ton Cremers

Museumbeveiliging, Ton Cremers » Blog Archive » De Kunsthal: buurman Jelle Reumer gaat uit zijn dak.

March 18th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, Kunsthal, Museum thefts

Verdriet bij bisdom om gestolen monstrans

http://www.at5.nl/artikelen/95374/verdriet-bij-bisdom-om-gestolen-monstrans

 

Het bisdom Haarlem-Amsterdam heeft met ontzetting gereageerd op de diefstal van een peperdure monstrans, gisteren in Utrecht.

Twee nog onbekende personen hebben daar dinsdagmiddag een zogenaamde monstrans, een houder voor de  geconsacreerde hostie, geroofd uit vitrines van museum Catharijneconvent in Utrecht. 

 

(………………………………………………………..

 

Vorig jaar maart werd uit het Museum Gouda ook een zilveren monstrans gestolen die tot op de dag van vandaag onvindbaar is. Museumdirecteur Marieke van Schijndel noemde het object na de roof al ‘onverkoopbaar’ en ook het bisdom denkt niet dat het voorwerp zomaar te verkopen is.”

 

 

Een object met diamanten onverkoopbaar? Hoe naïef kan je zijn. Natuurlijk is dat object verkoopbaar. Er is een markt voor. Die markt is voor het hele object beperkt, maar voor de kostbare onderdelen van de monstrans is zeker een markt.

 De discussie over het al of niet bestaan van een markt is overigens een non-discussie. Al vele tientallen jaren, na honderden diefstallen – al of niet buitenopeningstijd bij een inbraak of tijdens openingstijd sneaky of met geweld – is aangetoond dat onverkoopbaarheid niet leidt tot vermindering van het aantal incidenten.

 Bekende, kostbare, veelvuldig gedocumenteerde kunst beschermt niet zichzelf omdat dieven er toch niets mee kunnen. Daar zijn maatregelen voor nodig. Maatregelen die soms wel en soms geen investeringen eisen.

 

Bij die maatregelen horen inbraakwerende gebouwen, inbraakwerende vitrines, inpandige inbraakvertragende compartimenteringen (eventueel met rolluiken), meeneembeperkende maatregelen zoals ophang- en bevestigingssystemen, elektronische signalering, cameraobservatie, en organisatorische maatregelen zoals opleiding en training van het personeel en adequate alarmopvolging.

 

De afgelopen jaren wordt door slimme en vasthoudende marketing veel te veel de nadruk gelegd op de training van personeel om afwijkend gedrag te herkennen. Die training is een marginaal onderdeel van het hele pakket aan preventieve maatregelen. Het is zeer de vraag – eigenlijk weet ik het antwoord wel – of een dergelijke training de diefstal van een monstrans uit het Catharijneconvent had kunnen voorkomen. De dief of dieven zijn zonder enige twijfel eerder in het museum geweest om de boel te verkennen. Stel dat een van de suppoosten de indruk had gehad dat de objecten en de beveiliging op een ‘deviante’ wijze door de criminelen worden geobserveerd, wat kan die suppoost dan doen? De bezoekers aanspreken en vragen of ze informatie willen? Dat kan en de verkennende crimineel zou dan weten dat hij in de gaten gehouden wordt. Voldoende reden een volgende dag niet terug te keren met een bivakmuts op? Misschien, heel misschien. Kan die bezoeker het museum uitgezet worden omdat hij deviant kijkt? Nee. Kan de politie gebeld worden met het verzoek die rare bezoeker op te pakken? Nee. Kan de politie verzocht worden te posten voor het museum totdat die rare man terug komt? Allemaal vragen die helaas ontkennend beantwoord moeten worden. Bovendien is het heel goed mogelijk dat de verkenner niet de feitelijke dader zal worden.

 

Hoe had deze hit-and-run diefstal van een monstrans wel voorkomen kunnen worden?

 

Er zijn bij enkele collectiebeheerders in Nederland vitrines van een hoogwaardige inbraakwerendheid. Deze vitrines zijn door professionals getest en het is niet gelukt met gebruik van (voor)hamers, bijlen en andere gereedschappen binnen twintig minuten die vitrines te openen.

 

Ja, maar dat kost toch geld. Ja, dat kost geld! Er moet een relatie zijn tussen de investering en wat je beschermt. Als het erom gaat een object ter waarde van

€ 250.000,00 te beschermen dan kosten dergelijke vitrines een fractie.

 

Geen budget voor het treffen van maatregelen, dat hoor je vaak, is feitelijk een schuldbekentenis: een  museumverantwoordelijke die zegt geen middelen te hebben om objecten adequaat te beveiligen bekent feitelijk dat bewust gekozen wordt voor te kwetsbare presentaties. Geen geld voor beveiliging – let wel: beveiliging is een museale kerntaak – betekent dat het museum niet in staat is een kerntaak naar behoren uit te voeren. Dat mag ‘onze’ objecten niet aangedaan worden.

 

Ton Cremers

 

 ++++++++++

Ton Cremers
+31624224620
http://www.linkedin.com/in/toncremers
https://groups.google.com/group/museum_security_network
http://www.museum-security.org 

Stolen Egyptian Ka Nefer Nefer Mask in Saint Louis Art Museum
++++++++++++++++++++++++++++

 

January 30th, 2013

Posted In: Catharijneconvent, Columns Ton Cremers, diefstal uit museum, Museum thefts, religieuze voorwerpen

Verdriet bij bisdom om gestolen monstrans

http://www.at5.nl/artikelen/95374/verdriet-bij-bisdom-om-gestolen-monstrans

 

Het bisdom Haarlem-Amsterdam heeft met ontzetting gereageerd op de diefstal van een peperdure monstrans, gisteren in Utrecht.

Twee nog onbekende personen hebben daar dinsdagmiddag een zogenaamde monstrans, een houder voor de  geconsacreerde hostie, geroofd uit vitrines van museum Catharijneconvent in Utrecht. 

 

(………………………………………………………..

 

Vorig jaar maart werd uit het Museum Gouda ook een zilveren monstrans gestolen die tot op de dag van vandaag onvindbaar is. Museumdirecteur Marieke van Schijndel noemde het object na de roof al ‘onverkoopbaar’ en ook het bisdom denkt niet dat het voorwerp zomaar te verkopen is.”

 

 

Een object met diamanten onverkoopbaar? Hoe naïef kan je zijn. Natuurlijk is dat object verkoopbaar. Er is een markt voor. Die markt is voor het hele object beperkt, maar voor de kostbare onderdelen van de monstrans is zeker een markt.

 De discussie over het al of niet bestaan van een markt is overigens een non-discussie. Al vele tientallen jaren, na honderden diefstallen – al of niet buitenopeningstijd bij een inbraak of tijdens openingstijd sneaky of met geweld – is aangetoond dat onverkoopbaarheid niet leidt tot vermindering van het aantal incidenten.

 Bekende, kostbare, veelvuldig gedocumenteerde kunst beschermt niet zichzelf omdat dieven er toch niets mee kunnen. Daar zijn maatregelen voor nodig. Maatregelen die soms wel en soms geen investeringen eisen.

 

Bij die maatregelen horen inbraakwerende gebouwen, inbraakwerende vitrines, inpandige inbraakvertragende compartimenteringen (eventueel met rolluiken), meeneembeperkende maatregelen zoals ophang- en bevestigingssystemen, elektronische signalering, cameraobservatie, en organisatorische maatregelen zoals opleiding en training van het personeel en adequate alarmopvolging.

 

De afgelopen jaren wordt door slimme en vasthoudende marketing veel te veel de nadruk gelegd op de training van personeel om afwijkend gedrag te herkennen. Die training is een marginaal onderdeel van het hele pakket aan preventieve maatregelen. Het is zeer de vraag – eigenlijk weet ik het antwoord wel – of een dergelijke training de diefstal van een monstrans uit het Catharijneconvent had kunnen voorkomen. De dief of dieven zijn zonder enige twijfel eerder in het museum geweest om de boel te verkennen. Stel dat een van de suppoosten de indruk had gehad dat de objecten en de beveiliging op een ‘deviante’ wijze door de criminelen worden geobserveerd, wat kan die suppoost dan doen? De bezoekers aanspreken en vragen of ze informatie willen? Dat kan en de verkennende crimineel zou dan weten dat hij in de gaten gehouden wordt. Voldoende reden een volgende dag niet terug te keren met een bivakmuts op? Misschien, heel misschien. Kan die bezoeker het museum uitgezet worden omdat hij deviant kijkt? Nee. Kan de politie gebeld worden met het verzoek die rare bezoeker op te pakken? Nee. Kan de politie verzocht worden te posten voor het museum totdat die rare man terug komt? Allemaal vragen die helaas ontkennend beantwoord moeten worden. Bovendien is het heel goed mogelijk dat de verkenner niet de feitelijke dader zal worden.

 

Hoe had deze hit-and-run diefstal van een monstrans wel voorkomen kunnen worden?

 

Er zijn bij enkele collectiebeheerders in Nederland vitrines van een hoogwaardige inbraakwerendheid. Deze vitrines zijn door professionals getest en het is niet gelukt met gebruik van (voor)hamers, bijlen en andere gereedschappen binnen twintig minuten die vitrines te openen.

 

Ja, maar dat kost toch geld. Ja, dat kost geld! Er moet een relatie zijn tussen de investering en wat je beschermt. Als het erom gaat een object ter waarde van

€ 250.000,00 te beschermen dan kosten dergelijke vitrines een fractie.

 

Geen budget voor het treffen van maatregelen, dat hoor je vaak, is feitelijk een schuldbekentenis: een  museumverantwoordelijke die zegt geen middelen te hebben om objecten adequaat te beveiligen bekent feitelijk dat bewust gekozen wordt voor te kwetsbare presentaties. Geen geld voor beveiliging – let wel: beveiliging is een museale kerntaak – betekent dat het museum niet in staat is een kerntaak naar behoren uit te voeren. Dat mag ‘onze’ objecten niet aangedaan worden.

 

Ton Cremers

 

 ++++++++++

Ton Cremers
+31624224620
http://www.linkedin.com/in/toncremers
https://groups.google.com/group/museum_security_network
http://www.museum-security.org 

Stolen Egyptian Ka Nefer Nefer Mask in Saint Louis Art Museum
++++++++++++++++++++++++++++

 

January 30th, 2013

Posted In: Catharijneconvent, Columns Ton Cremers, diefstal uit museum, Museum thefts, religieuze voorwerpen

Gisteren was in een Nederlandse krant te lezen dat achter de inbraak en diefstal uit de Kunsthal zo goed als zeker een Ierse bende schuil ging, althans volgens Charles Hill, voormalig Scotland Yard rechercheur:

door Jolande van der Graaf 
 
ROTTERDAM, maandag 
 
Achter de megakraak in de Rotterdamse Kunsthal waarbij in oktober vorig jaar voor honderd miljoen aan schilderijen is buit gemaakt, zit volgens de internationaal vermaarde politie-inspecteur Charley Hill vrijwel zeker een beruchte Ierse roversbende.

De gepensioneerde Engelse topagent, die jaren aan het hoofd stond van Scotland Yard’s Art Squad, benadrukt dat de twee inbrekers zeer professioneel toesloegen. De binnen tweeënhalve minuut gepleegde inbraak werd bovendien tot in detail voorbereid. Die werkwijze doet in alles denken aan de Rathkeale Rovers, die momenteel in heel Europa toeslaan , aldus Hill. De Britse speurder wist in het verleden met undercoveroperaties over de hele wereld tal van beruchte kunstroven als de diefstal van De Schreeuw (Munch) en van Schrijvende vrouw met dienstbode (Vermeer) op te lossen.

De voorspellende gave van Charles Hill, die zich in bovengenoemd artikel op schaamteloze wijze aanbiedt als bemiddelaar in de Kunsthalzaak en de Rotterdamse politie onderuit schoffelt, wordt zo langzamerhand genant.

Toen een aantal jaren geleden de door Benvenuto Cellini gemaakte Saliera (zoutvat), waarde meer dan 20 miljoen euro, kinderlijk eenvoudig gestolen werd uit het Kunsthistorisches Museum in Wenen verklaarde Hill met grote stelligheid dat een Servische bende verantwoordelijk was en dat deze diefstal snel zou worden opgehelderd. In dat laatste had hij gelijk: kort na zijn duimzuigerij werd een inwoner van Wenen gearresteerd die geheel onvoorbereid in een dronken bui steigers voor het museum op klom, een raam en een vitrine in sloeg en er met de saliera vandoor ging. Inbraak en diefstal duurden 58 seconden, maar volgens Hill was het het werk van Servische professionals.

Nu weet hij het weer zeker: een Ierse bende zit achter de inbraak in de Kunsthal. Het klopt dat een Ierse bende op pad is, was, door Europa om in te breken in musea. Echter: alleen in natuurhistorische musea om hoorns van neushoorns te stelen.

Opnieuw lijkt het er sterk op dat gepensioneerde Hill beter kan gaan golven in plaats van zich te wagen aan voorspellingen die keer op keer niet uit komen.

Ierse bende? Dan wel met banden in Roemenië waar vandaag drie vermoedelijke daders werden gearresteerd.

Ton Cremers 

January 23rd, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, diefstal uit kerken, Kunsthal

In dit rapport presenteerde de Erfgoedinspectie augustus 2012 de geanonimiseerde resultaten van een onderzoek uit 2011 naar integrale veiligheidszorg bij rijksgesubsidieerde collectiebeherende instellingen.

De inspectie werd uitgevoerd op verzoek van de Directie Cultureel Erfgoed (DCE) van het ministerie OCW. Voor alle duidelijkheid, de Erfgoedinspectie is ook een afdeling van OCW. Op basis van prestatieafspraken met DCE moeten de verzelfstandigde rijksmusea per 1 januari 2011 de beschikking hebben over een integraal veiligheidsplan.

De resultaten van de inspectie zijn in september 2011 gedeeld met DCE.

Daarna heeft de Erfgoedinspectie een jaar (!) nodig gehad de resultaten in een summier rapport naar buiten te brengen.
Als daartoe aanleiding was heeft DCE contact opgenomen met de betreffende instelling.

De Erfgoedinspectie heeft in april 2011 38 instellingen per e-mail uitgenodigd de vragenlijst in te vullen. Bij het sluiten van de inzendtermijn hadden 35 instellingen de vragenlijst ingevuld. Twee instellingen bleken onder één organisatie te vallen en hebben daarom één vragenlijst ingevuld.

De instellingen werden bevraagd op een aantal gebieden: het integraal veiligheidsplan, collectiehulpverlening, calamiteitenoefeningen, risicoanalyse, maatregelen naar aanleiding van de risicoanalyse, incidentenregister en de veiligheidsregio.

Definitie Integraal veiligheidsplan door DCE / Erfgoedinspectie: “Het geheel van plannen voor de integrale veiligheidszorg zoals bedrijfhulpverlening, collectiehulpverlening, informatiehulpverlening, bewaking en beveiliging”.

Je mist in deze definitie brandveiligheid.Wel BHV en collectiehulpverlening, wat te doen als het fout gaat, maar niet preventie en dat terwijl beveiliging en bewaking wel vermeld worden.

Ondanks de prestatieafspraak blijken 11 van de 35 instellingen die de vragenlijst invulden niet in het bezit te zijn van een integraal veiligheidsplan, 32% dus. Een zorgwekkende constatering 11 jaar nadat de Erfgoedinspectie een rapport publiceerde onder de titel: “Het risicobeheer in twintig verzelfstandigde musea: een inventarisatie”; negen jaar (2002) nadat de Haagse Pilot werd opgezet waarbij 18 collectiebeherende instellingen, inclusief enkele rijksgesubsidieerde, werkten aan het ontwikkelen van een integraal veiligheidszorgplan, en ruim 6 jaar nadat toenmalig staatssecretaris Medy van der Laan financiën beschikbaar stelde opdat collectiebeheerders in heel
Nederland via regionale projecten konden werken aan hun veiligheidszorg.

Het is schrikken dat 30% van de verzelfstandigde rijksmusea na al die incidentele financiële injecties, plus de niet geringe vaste ondersteuning die deze grootste subsidieslurpers uit belastingopbrengsten krijgen, na meer dan 20 jaar – laten we niet vergeten dat al die musea verzelfstandigden in de jaren negentig van de vorige eeuw – hun veiligheidszorgzaken niet op orde hebben. En dat terwijl op deze musea door de Erfgoedinspectie – een kostbare
overheidsdienst – constant toezicht wordt gehouden.

Het is echter nog erger: de helft van deze collectiebeheerders heeft geen compleet integraal plan. De instellingen die niet over een integraal veiligheidsplan of over een onvolledig plan beschikken, geven daarvoor als voornaamste redenen: gebrek aan personele middelen, gebrek aan tijd, gebrek aan financiële middelen en gebrek aan kennis.

Gebrek aan kennis? Hoe is dat mogelijk? In de inleiding van het rapport staat te lezen dat de overheid al sinds 2005 een Kenniscentrum Veiligheid Voor Cultureel Erfgoed heeft. De kennis lijkt dus voor het grijpen te liggen.Gebrek aan tijd, personeel en geld? Zal het misschien zo zijn dat het eerder een kwestie is van gebrek aan prioriteit en motivatie? Ook al kan je je dat niet voorstellen want in de periode sinds de publicatie door de Erfgoedinspectie van het rapport “Het risicobeheer in twintigverzelfstandigde musea: een inventarisatie” deden zich inbraken met diefstal voor in het Museon Den Haag (zes miljoen aan diamantensieraden, onder andere Portugese kroonjuwelen, werd gestolen, niets teruggevonden), het VanGoghmuseum (twee schilderijen, nog steeds zoek), het Frans Halsmuseum(gestolen schilderijen zijn terug), het Westfries Museum te Hoorn (meer dan 20 schilderijen plus een aantal zilveren voorwerpen, niets teruggevonden); het Armando Museum brandde af en de gehele collectie ging verloren, hetSchutterijmuseum in Steijl brandde af en er was een gewapende overval op het Scheringa Museum (niet opgelost). Deze opsomming is verre van compleet, want er deden zich meer inbraken, diefstallen, waterschades en branden voor.

Ook kan je je niet voorstellen dat de overheid de verzelfstandigde musea qua middelen in de kou laat staan, want het zijn slechts de organisaties die in een tijd toen dat een politieke hype was verzelfstandigden. De collecties en gebouwen zijn nog steeds eigendom van de overheid. Mocht het waar zijn dat de verzelfstandigde organisaties te weinig middelen krijgen van die overheid, dan wordt het werkelijk interessant, want de Erfgoedinspectie (overheid) doet op verzoek van de Dienst Cultureel Erfgoed (overheid) een onderzoek naar het beheer door private organisaties van overheidscollecties in overheidsgebouwen en daar komt o.a. uit dat de overheid onvoldoende middelen beschikbaar stelt… Wanneer het beheer onder de maat is, de cijfers geven dat aan, doordat de verzelfstandigde organisaties onvoldoende middelen krijgen, dan geeft de overheid zichzelf hier een draai om de oren.

Dat 66% van de zelfstandige organisaties nooit oefent roept vragen op over het toezicht door de overheid (= Erfgoedinspectie).Veertien procent van de organisaties analyseerde nooit de risico’s en dat terwijl een risicoanalyse uitgangspunt en basis is van het veiligheidszorgbeleid. Van de organisaties die wel een risicoanalyse uitvoerden nam 60% geen maatregelen n.a.v. die risicoanalyse omdat dat ‘niet hoefde’. Met andere woorden: de zorg voor de veiligheid is volgens die organisaties perfect geregeld. Goed nieuws? Misschien, maar in het licht van alle andere cijfers twijfelachtig. Risicoanalyses waarbij geen verbeterpunten worden geconstateerd zijn een witte raaf, maar blijkbaar vond de Erfgoedinspectie bij het onderzoek een hele vlucht witte raven.

Vijftien procent van de organisaties houdt incidenten niet bij. Dat cijfer verbaast niet, want komt bijna exact overeen met het aantal organisaties dat nooit een risicoanalyse maakte. Helaas geeft het rapport van de Erfgoedinspectie niet aan of dit dezelfde organisaties zijn. Een gemiste kans, of gebrek aan openheid?

Sinds 2005, ook betaald uit belastingopbrengsten, beheert het KVCE de Database Incidenten Cultureel Erfgoed (DICE). Hier kunnen musea geanonimiseerd hun incidenten melden opdat het KVCE gericht kan adviseren aan de collectiebeherende sector. Helaas meldt 58% van de verzelfstandigde musea nooit iets in DICE (en DICE heeft andersom na al die jaren nog nooit iets geadviseerd aan de collectiebeherende sector als geheel op basis van in DICE gemelde incidenten).

Niet duidelijk is of de 42% die wel iets gemeld heeft in DICE structureel meldt. Dat kom je ook niet te weten wanneer in een onderzoek daar niet expliciet naar gevraagd wordt.

Overigens: 29% van de beheerders van rijkscollecties meldt incidenten ook niet aan de eigen inspectie.

Nog een paar cijfers: 14% van de organisaties is niet bekend met de veiligheidsregio en de helft heeft geen afspraken met die veiligheidsregio over bestrijding van rampen en crisisbeheersing.

De conclusie dat het beheer van ‘onze’ nationale collecties kwalitatief onvoldoende is, is gerechtvaardigd. Dat is niet alleen de zelfstandige organisaties aan te rekenen, maar ook het lakse, want sanctieloze, toezicht door de Erfgoedinspectie. Of zal het zo zijn dat die inspectie, en het KVCE, de deskundigheid ontberen om professioneel
voor te lichten en te controleren?

Nogmaals: in de inleiding van het rapport door de Erfgoedinspectie wordt de prestatieafspraak vermeld die DCE heeft met de verzelfstandigde Rijksmusea: per 1 januari 2011 hebben van een integraal veiligheidszorgplan. Meer dan de helft van die musea heeft geen, of geen volledig plan en dat terwijl de overheid hier jaarlijks tientallen miljoenen in pompt. Er is dus een afspraak en die wordt niet nagekomen. Wat nu? Over tien jaar weer een rapport met ongeveer dezelfde conclusies als in 2000 en 2011?

Heeft Joop Daalmeijer, voorzitter van de Raad voor Cultuur, dan toch gelijk dat musea zich zakelijker moeten manifesteren?

Zou dit wanpresteren in een profitsector waar voor miljoenen aan kostbaarheden moeten worden beschermd worden geaccepteerd? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Als het gaat om Rijkseigendom en belastinggeld worden blijkbaar softere eisen gesteld, en als ze al gesteld worden is er geen sanctie – verminderen subsidie of personele gevolgen op managementniveau – op niet nakomen.

Let wel: we hebben het hier over de KERNTAAK veiligheidszorg en niet over een marginale verantwoordelijkheid.

Rapport is te downloaden op:
http://www.erfgoedinspectie.nl/uploads/publications/rapport_inspectie_integrale_veiligheidszorg.pdf

Ton Cremers

 

January 20th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, DICE Database Incidenten Cultureel Erfgoed, Dienst Cultureel Erfgoed, Erfgoedinspectie

In 1987 werd een schilderij van Matisse, “Le Jardin”, gestolen uit het Stockholmse museum voor moderne kunst. Na ruim 25 jaar dook het schilderij weer op bij een Engelse kunsthandelaar die het in opdracht van een Pool moest verkopen. De Poolse aanbieder zou het schilderij al sinds 1990 in zijn bezit hebben. De handelaar liet het schilderij ‘onderzoeken’ door het Art Loss Register waar bleek dat het om een gestolen stuk ging.

Zo ver zo goed: het schilderij zal na wat juridische formaliteiten terugkeren naar het Moderne Museet in Stockholm. Met deze uitkomst moeten wij met ons allen, ook ik, tevreden zijn.

Er is een kanttekening..

Na diefstallen van beroemde meesters uit musea hoor je altijd weer museumdirecteuren verklaren dat de dieven er geen kant mee uit kunnen. Dat ben ik met ze eens, ook al weten we het niet zeker, want  die diefstallen vinden steeds weer plaats.

In het verlengde van dat ‘ze kunnen er niets mee’ hoor je: ‘uiteindelijk keren gestolen schilderijen weer terug’. Dat is helaas slechts af en toe waar. Mij bekruipt bij ze-komen-uiteindelijk-allemaal-weer-terug verklaringen een zorglijk gevoel. Het klinkt als een excuus geen extra aandacht te besteden aan de beveiliging. Wanneer je dan ook nog mag horen dat we ‘van onze musea geen forten kunnen maken’ lijkt de motivatie preventieve actie te nemen helemaal zoek.

Van gestolen schilderijen komt slechts een beperkt aantal terug. Ik kan niet in de toekomst kijken, maar op de terugkeer van alle schilderijen ben ik niet gerust. Berichten over teruggevonden schilderijen zijn een witte raaf tussen alle berichten over diefstallen. Er is geen gelijke tred.

Musea als forten? Ik ken ze niet.

Al die relativerende verklaringen getuigen van een amateuristisch risicobesef en daarmee risicobeheer. Veel van de diefstallen uit musea, in Nederland en elders, hadden voorkomen kunnen worden. Daar is een andere houding bij nodig dan die van sitting duck.

Ton Cremers

January 10th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, diefstal uit museum, Uncategorized

INTERVIEW | NIELS MARKUS − 04/01/13, 00:00

http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/archief/article/detail/3372000/2013/01/04/Museumdirecteuren-beetje-bang-maken-dat-is-mijn-taak.dhtml

Veiligheidsadviseur Ton Cremers, dé specialist voor alle musea, wereldwijd

Op 16 oktober, vanaf zijn eerste interview met EenVandaag, leek het bijna of Nederland maar één beveiligingsexpert had. Nadat zeven topstukken uit de Rotterdamse Kunsthal waren gestolen, verscheen Ton Cremers in bijna alle kranten en actualiteitenprogramma’s, tot in de Russische pers. Het vroegere hoofd beveiliging van het Rijksmuseum bleek mediageniek. En niet bang zijn mening te geven.

De media kwamen naar hem toe en niet andersom, benadrukt Cremers. “Dat komt denk ik omdat ik als enige Nederlander volledig zelfstandig dit beroep uitoefen, wereldwijd. En ik adviseer alleen musea, geen benzinestations.”

Zijn werk en mediaoptredens doet Cremers uit idealisme, zo zegt hij. “Het delen van die informatie kost mij hooguit klanten, maar ik kies er heel bewust voor. Ik ben bijna 65, mijn kerntaak is dat museumdirecteuren een beetje bang worden van die Cremers. Dat ze hun beveiliging in de gaten houden, omdat het fout kan gaan.”

Zoals in de Kunsthal. Aanvankelijk was de Rotterdammer mild over dat museum, maar zijn toon werd al snel kritischer. “Over het algemeen bescherm ik musea. Ik eet ook uit die ruif. Maar Kunsthaldirecteur Emily Ansenk begon ineens te blaten over ‘state of the art beveiliging’. Terwijl de beveiliging een bende was, anders neem je in twee minuten geen zeven schilderijen mee. Als ik had volgehouden dat het in orde was, had ik mezelf volslagen belachelijk gemaakt in het beveiligingswereldje.”

Cremers noemt Ansenk een ‘blufmanager’. “Wat is dat überhaupt, state of the art? Een uur nadat ze in Nederland arriveerde voor de persconferentie zei ze dat de inbraak in de museumwereld was ingeslagen als een bom. Knap hoor, zo’n onderzoek binnen een uur.”

Later bracht de Kunsthal zelf naar buiten dat de deuren zich ontsloten door het alarmsysteem. Een systeemfout: de deuren horen open te gaan bij het brandalarm, niet bij inbraak. Het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam trok volgens Cremers in 2009 al aan de bel toen een ingenieursbureau vaststelde dat de buitendeuren niet in orde waren. “Die aanbevelingen lijken onvoldoende te zijn opgevolgd.” Na de roof nam één museum contact met Cremers op. Voor inbraakwerende compartimenten, zodat inbrekers niet door het hele museum kunnen lopen, wat in de Kunsthal gebeurde. De Kunsthal kwam niet naar hem toe, maar hij zou adviseren rolluiken aan te schaffen. “Ik ken geen enkel museum waar je vanaf de straat schilderijen van tientallen miljoenen euro’s ziet hangen. De eerste de beste juwelier heeft rolluiken. Om de etalage te zien kun je daar wel doorheen kijken. Het ziet er niet gek uit, iedereen zal begrijpen dat je het doet. Het Rijksmuseum heeft ook rolluiken.”

Hoe staat de beveiliging er daar eigenlijk voor; bij zijn oude werkgever, die in april heropent? “De Nachtwacht zal nooit gestolen worden.” Lachend: “Alleen al omdat die niet te versjouwen is.” Volgens Cremers is het onverstandig überhaupt te proberen in te breken in het Rijks: “In mijn tijd was het al een vesting. De beveiliging is bouwkundig heel solide, met de meest recente elektronische middelen.”

Cremers kan alleen maar hopen dat de familie Cordia, die de zeven werken aan de Kunsthal uitleende, de buit ooit terugkrijgt. “Slechts vijf tot tien procent van de kunstroven wordt opgelost.” Eind oktober kreeg Cremers een tip van een buitenlands politiekorps dat de roof mogelijk verband houdt met een cocaïnevangst in de Antwerpse haven, waarna hij verhoord werd door de Nederlandse politie. Dat veel kunstroven niet worden opgelost, wijt hij aan de politie zelf: “Er is geen overleg tussen die politiekorpsen. Ze willen allemaal met de eer strijken.”

Toch vindt hij de verhalen over drugshandel ongeloofwaardig. “Wat moet een Colombiaanse drugsbaron met onverkoopbare schilderijen?” Toen laatst zilverwerk werd gestolen uit Huis Doorn dacht Cremers nog dat dat misschien opnieuw de Kunsthaldieven waren. “Ik hoor nu veel over bendes uit Servië, maar voor hetzelfde geld zit een dronken idioot uit dezelfde stad erachter.”

++++++++++
Ton Cremers
+31624224620
http://www.linkedin.com/in/toncremers
https://groups.google.com/group/museum_security_network
http://www.museum-security.orgStolen Egyptian Ka Nefer Nefer Mask in Saint Louis Art Museum<http://tinyurl.com/7r6kosa>
++++++++++++++++++++++++++++

January 5th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, diefstal uit museum

INTERVIEW | NIELS MARKUS − 04/01/13, 00:00

http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/archief/article/detail/3372000/2013/01/04/Museumdirecteuren-beetje-bang-maken-dat-is-mijn-taak.dhtml

Veiligheidsadviseur Ton Cremers, dé specialist voor alle musea, wereldwijd

Op 16 oktober, vanaf zijn eerste interview met EenVandaag, leek het bijna of Nederland maar één beveiligingsexpert had. Nadat zeven topstukken uit de Rotterdamse Kunsthal waren gestolen, verscheen Ton Cremers in bijna alle kranten en actualiteitenprogramma’s, tot in de Russische pers. Het vroegere hoofd beveiliging van het Rijksmuseum bleek mediageniek. En niet bang zijn mening te geven.

De media kwamen naar hem toe en niet andersom, benadrukt Cremers. “Dat komt denk ik omdat ik als enige Nederlander volledig zelfstandig dit beroep uitoefen, wereldwijd. En ik adviseer alleen musea, geen benzinestations.”

Zijn werk en mediaoptredens doet Cremers uit idealisme, zo zegt hij. “Het delen van die informatie kost mij hooguit klanten, maar ik kies er heel bewust voor. Ik ben bijna 65, mijn kerntaak is dat museumdirecteuren een beetje bang worden van die Cremers. Dat ze hun beveiliging in de gaten houden, omdat het fout kan gaan.”

Zoals in de Kunsthal. Aanvankelijk was de Rotterdammer mild over dat museum, maar zijn toon werd al snel kritischer. “Over het algemeen bescherm ik musea. Ik eet ook uit die ruif. Maar Kunsthaldirecteur Emily Ansenk begon ineens te blaten over ‘state of the art beveiliging’. Terwijl de beveiliging een bende was, anders neem je in twee minuten geen zeven schilderijen mee. Als ik had volgehouden dat het in orde was, had ik mezelf volslagen belachelijk gemaakt in het beveiligingswereldje.”

Cremers noemt Ansenk een ‘blufmanager’. “Wat is dat überhaupt, state of the art? Een uur nadat ze in Nederland arriveerde voor de persconferentie zei ze dat de inbraak in de museumwereld was ingeslagen als een bom. Knap hoor, zo’n onderzoek binnen een uur.”

Later bracht de Kunsthal zelf naar buiten dat de deuren zich ontsloten door het alarmsysteem. Een systeemfout: de deuren horen open te gaan bij het brandalarm, niet bij inbraak. Het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam trok volgens Cremers in 2009 al aan de bel toen een ingenieursbureau vaststelde dat de buitendeuren niet in orde waren. “Die aanbevelingen lijken onvoldoende te zijn opgevolgd.” Na de roof nam één museum contact met Cremers op. Voor inbraakwerende compartimenten, zodat inbrekers niet door het hele museum kunnen lopen, wat in de Kunsthal gebeurde. De Kunsthal kwam niet naar hem toe, maar hij zou adviseren rolluiken aan te schaffen. “Ik ken geen enkel museum waar je vanaf de straat schilderijen van tientallen miljoenen euro’s ziet hangen. De eerste de beste juwelier heeft rolluiken. Om de etalage te zien kun je daar wel doorheen kijken. Het ziet er niet gek uit, iedereen zal begrijpen dat je het doet. Het Rijksmuseum heeft ook rolluiken.”

Hoe staat de beveiliging er daar eigenlijk voor; bij zijn oude werkgever, die in april heropent? “De Nachtwacht zal nooit gestolen worden.” Lachend: “Alleen al omdat die niet te versjouwen is.” Volgens Cremers is het onverstandig überhaupt te proberen in te breken in het Rijks: “In mijn tijd was het al een vesting. De beveiliging is bouwkundig heel solide, met de meest recente elektronische middelen.”

Cremers kan alleen maar hopen dat de familie Cordia, die de zeven werken aan de Kunsthal uitleende, de buit ooit terugkrijgt. “Slechts vijf tot tien procent van de kunstroven wordt opgelost.” Eind oktober kreeg Cremers een tip van een buitenlands politiekorps dat de roof mogelijk verband houdt met een cocaïnevangst in de Antwerpse haven, waarna hij verhoord werd door de Nederlandse politie. Dat veel kunstroven niet worden opgelost, wijt hij aan de politie zelf: “Er is geen overleg tussen die politiekorpsen. Ze willen allemaal met de eer strijken.”

Toch vindt hij de verhalen over drugshandel ongeloofwaardig. “Wat moet een Colombiaanse drugsbaron met onverkoopbare schilderijen?” Toen laatst zilverwerk werd gestolen uit Huis Doorn dacht Cremers nog dat dat misschien opnieuw de Kunsthaldieven waren. “Ik hoor nu veel over bendes uit Servië, maar voor hetzelfde geld zit een dronken idioot uit dezelfde stad erachter.”

++++++++++
Ton Cremers
+31624224620
http://www.linkedin.com/in/toncremers
https://groups.google.com/group/museum_security_network
http://www.museum-security.orgStolen Egyptian Ka Nefer Nefer Mask in Saint Louis Art Museum<http://tinyurl.com/7r6kosa>
++++++++++++++++++++++++++++

January 5th, 2013

Posted In: Columns Ton Cremers, diefstal uit museum

This content is password protected. To view it please enter your password below:

December 12th, 2012

Posted In: AON Artscope, Columns Ton Cremers, diefstal uit museum, Ruud Spruit en Westfries Museum

Ongeveer een week nadat ik schreef over de kneuterigheid van Stadsdeel Zuid viel het definitieve besluit dat de ingang in de onderdoorrit van het Rijksmuseum niet door gaat. De geplande ingang in de onderdoorrit zou te weinig ruimte laten voor fietsers en voetgangers en bij calamiteiten zou een gevaarlijke situatie ontstaan. Dit is de wereld op zijn kop.
De aanwezigheid van die fietsers laat juist veel te weinig ruimte voor een bezoekersvriendelijke, monumentale ingang voor dit internationaal toonaangevend museum. Een logische besluit zou zijn geweest de onderdoorrit definitief voor fietsers te sluiten. De ‘doorrit’ over het Museumplein werd voor over de keitjes razende auto’s afgesloten omdat deze snelweg niet meer thuishoorde in de laat 20ste eeuwse stadslogistiek. Waarom dan wel de 19de eeuwse doorgang voor fietsers onder het museum koste wat kost handhaven?
(more…)

May 17th, 2005

Posted In: algemeen, Columns Ton Cremers, commentaar