This content is password protected. To view it please enter your password below:

September 17th, 2015

Posted In: algemeen, Uncategorized

Tags: ,

Na de zelfmoordduikvlucht door een Duitse copiloot werd gesuggereerd te verplichten dat altijd twee personen in de cockpit van een vliegtuig aanwezig zijn.

Dus, zodra een van de twee piloten voor toiletbezoek de cockpit verlaat, moet zijn plaats worden ingenomen door een van de cabinepersoneelsleden om te voorkomen dat de achterblijvende piloot de cockpitdeur blokkeert en terugkeer van zijn collega belemmert.

Is dat De oplossing om suïcidale piloten te weerhouden van een moordsuïcide? Nee, want DE oplossing bestaat niet bij beveiligingsproblemen.

Na de suggestie voortaan altijd met twee personen in de cockpit te zijn, haalden Duitse piloten dit alleszins redelijke voorstel onderuit met commentaar als: “Wanneer een piloot de fout in wil, kan dat altijd en kan hij het toestel zo snel laten dalen dat tijdelijk in de cockpit aanwezig cabinepersoneel tegen het plafond gedrukt wordt (De Volkskrant 30 maart 2015).

De piloten die het voorstel over de tijdelijke bezetting van de cockpit van tafel veegden, kwamen naar mijn weten niet met voorstellen hoe een herhaling van een zelfmoordvlucht zoals met de Airbus 320 te voorkomen.

Ondanks maatregelen ter verhoging van de beveiliging en veiligheid kan het altijd nog fout gaan. Het gaat er echter om of deze maatregelen, vaak een opeenstapeling van maatregelen, de kans dat het fout gaat verminderen.

Tijdens mijn ruim 30-jarige carrière als museumbeveiliger werd ik maar al te vaak geconfronteerd met dergelijke “ja, maar…” discussies. Het is verbijsterend hoe groot de creativiteit van dwarsliggers kan zijn wanneer je beveiligingsvoorstellen doet. Die creativiteit wordt vrijwel nooit gebruikt om proactief beveiligingsproblemen te benaderen en met voorstellen te komen.

Ik herinner mij nog helder de bizarre discussie waarin ik verzeild raakte tijdens een themabijeenkomst op de Reinwardt Academie (onderdeel van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten, waar onder andere toekomstige museumwerkers worden opgeleid) naar aanleiding van een interne diefstal in het Amsterdams Stadsarchief.

Binnen de museumwereld is interne diefstal een wezenlijk probleem. Statistieken over de Nederlandse situatie zijn mij niet bekend. In de USA blijkt bij circa 50% van alle diefstallen uit musea die opgelost worden sprake te zijn van interne betrokkenheid. Een statistiek om van te schrikken. Er is geen reden aan te nemen dat de Nederlandse situatie rooskleuriger is. Er deden zich de afgelopen decennia ernstige incidenten voor waar sprake was van interne betrokkenheid bij diefstal. Vandaar die themabijeenkomst in de Reinwardt Academie.

Mijn suggestie dat maatregelen mogelijk zijn om de kans op verduistering – de juridische term voor interne diefstal – tegen te gaan werd botweg weggehoond. Ik noemde onder andere steekproefsgewijze controle van medewerkers die het gebouw verlaten – in diverse Europese landen en de USA gebruikelijk – installatie van camera’s,  toegangscontrolesystemen voor de depots, verplicht gebruik van de dienstingang en screening van medewerkers.  Een naast mij gezeten discussiedeelnemer riep luidkeels uit: “Dan stop ik desnoods een archiefstuk in mijn schoen en loop ermee naar buiten”. Pijnlijk was dat deze kreet bijval kreeg van de toenmalige directrice van de Erfgoedinspectie, een afdeling van het Ministerie van OCW die onder andere tot taak heeft toe te zien op de beveiliging van rijkscollecties.

Mocht het zo zijn dat mijn voorstellen tot resultaat hebben dat het voor museum- en archiefmedewerkers alleen nog mogelijk is collectie te stelen in de schoenen, dan is veel bereikt.

Helaas is het zo dat de mogelijkheid die resteert om in je schoenen gestolen spullen mee te nemen er toe geleid heeft dat bij geen van de geslachtofferde organisaties personeel bij vertrek gecontroleerd wordt of de verplichting alleen gebruik te maken van dienstingangen gehandhaafd wordt.

Ik kan de reactie bij een volgende verduistering en beveiligingsvoorstellen voorspellen: “ja, maar…”

Ton Cremers

 

 

March 31st, 2015

Posted In: algemeen, Columns Ton Cremers, database gestolen kunst, diefstal uit museum, Erfgoedinspectie, interne diefstal, Rijksdienst Cultureel Erfgoed

Tags: , , , , , , , , , , , ,

Wat gebeurt er met gestolen kunst? – Radio 1

http://www.radio1.nl/contents/41185-wat-gebeurt-er-met-gestolen-kunst

November 10, 2011
NCRV

10 november 2011

kunst.jpgVandaag dient voor het gerechtshof in Den Bosch het hoger beroep in de zaak van de Frans Hals-diefstal. In 2002 werden in het Frans Hals Museum in Haarlem vijf schilderijen gestolen. De politie wist de doeken na zes jaar weer terug te vinden, door de inzet van een infiltrant. Die liet weten geïnteresseerd te zijn om de kunstwerken te kopen van de dieven. Daar zit nou net het probleem voor kunstrovers. Een schilderij stelen is één, maar wat kun je er als kunstdief verder mee?

Een gesprek daarover met Ton Cremers, voormalig hoofd beveiliging van het Rijksmuseum en hij heeft nu een museum-beveiligingsbedrijf.


Wat gebeurt er met gestolen kunst? – Radio 1.

November 10th, 2011

Posted In: algemeen, diefstal particulier, diefstal uit museum

‘De Tefaf is de grootste wasserette van zwart geld’ ‘De opdracht was ze te verbranden’

 

Op The European Fine Art Fair (Tefaf) in Maastricht wordt BenZuidema tegenwoordig met de nek aangekeken. Vroeger werd de privédetective op de belangrijkste kunstbeurs ter wereld met alle egards ontvangen. “Maar ik heb de oprichter van de beurs van zijn voetstuk gehaald. Handelaren willen me nu niet meer kennen.”

Zuidema begrijpt het wel. Het schandaal dat hij heeft blootgelegd is even onthutsend als tragisch. Tefaf-oprichter Robert Noortman, ooit de grootste kunsthandelaar ter wereld, blijkt na zijn dood een ordinaire oplichter te zijn geweest. “Dit is geen lijk dat uit de kast komt vallen,” zegt Zuidema, “dit is een compleet kerkhof.”

Niet dat het voor de privédetective als een verrassing komt. De kunsthandel heeft veel te verbergen, weet hij al jaren. “De Tefaf is de grootste wasserette van zwart geld in Nederland. Handelaren zijn in feite allemaal offsetdrukkerijen. Ze laten de kunst in Nederland zien, maar de echte zaken worden gedaan op de Kaaimaneilanden of in een ander fiscaal paradijs.”

Criminelen verleggen hun werkterrein vaker naar kunst, zegtZuidema. De miljoenendiefstal van de Frans Hals uit een museum in Leerdam vorige week is er het zoveelste voorbeeld van. “Wie z’n misdaadgeld vooral in onroerend goed heeft geïnvesteerd, kan het niet meenemen als het begint te stinken. Met kunst heb je dat probleem niet.”

Zuidema weet waarover hij praat. De afgelopen dertig jaar wist hij in samenwerking met politiediensten in binnen- en buitenland tientallen kunstroven op te lossen. Zijn naam als meesterspeurder vestigde hij in 1976 toen hij 118 Picasso’s terugbezorgde die gestolen waren uit het Pauselijk Paleis in Avignon. Daarna wist hij onder meer vermiste werken van Rubens en Breughel op te sporen en werd met zijn hulp een roversbende opgerold die op het punt stond valse schilderijen van de negentiende-eeuwse Engelse schilder William Turner te verkopen.

In 1987 verwenen uit de Maastrichtse galerie van Robert Noortman meesterwerken van zeventiende-eeuwse schilders als Jan Brueghel de Jonge, David Teniers, Auguste Renoir, Camille Pisarro, Meindert Hobbema en twee schilderijen van Willem van de Velde. Jaren bleven ze onvindbaar, tot de kunstwerken twee jaar geleden, op het paneel van Hobbema na, dankzij speurwerk van Zuidema en een speciale Amsterdamse eenheid van de Nationale Recherche boven water kwamen. Drie verdachten werden gearresteerd. Noortman had indertijd, zo verklaarden zij, zelf opdracht tot de diefstal gegeven. De kunsthandelaar, die van de verzekering vijf miljoen kreeg uitgekeerd, zou het paneel van Hobbema zelfs in de kachel hebben gegooid.

Robert Noortman, die in januari 2007 op zestigjarige leeftijd overleed, genoot internationaal veel aanzien. Hij wist zich op te werken van tapijtenhandelaar tot hofleverancier van internationale musea en rijke verzamelaars. In 1969 opende hij zijn eerste galerie in Hulsberg, later volgden vestigingen in New York, Londen en Maastricht. Hij was de oprichter van de Pictura, de voorloper van de grote internationale kunstbeurs Tefaf, waarvan hij tien jaar lang voorzitter was, en gold als één van de grootste experts op het gebied van zeventiende-eeuwse Hollandse Meesters. Hij werd onderscheiden met de Franse Chevalier de l’Ordre des Arts et des Lettres en Honorary Liveryman of the City of London en bezat de Zilveren Eremedaille van de stad Maastricht.

Maar Noortman had twee gezichten, zegt Zuidema, die hem in de jaren tachtig in Maastricht leerde kennen. “Noortman was een nobody, hij was kelner en had daarnaast een tapijtenhandel. Op een gegeven moment begon hij een rommelmarkt voor kunst en antiek in Valkenburg, waaruit later uiteindelijk de Pictura is voortgekomen.”

Noortman had een indrukwekkend strafblad, zegt Zuidema. Hij werkte nauw samen met een bende brandkastkrakers die later in amfetaminepillen ging handelen. De organisatie was in 2001 nog het onderwerp van een doctoraalscriptie Nederlands recht van een voormalig politie-inspecteur uit de regio. Noortman figureert hierin onder de codenaam ‘Viking’.

De razendsnelle opmars van Noortman in de kunstwereld wekte volgens Zuidema veel afgunst bij sommige collega’s. “Een Amsterdamse handelaar wilde hem een lesje leren en liet doorschemeren dat hij in New York een topstuk van Meindert Hobbema te koop wist. Op zijn advies schafte Noortman in New York voor 200.000 dollar het doek aan, maar toen het eenmaal was schoongemaakt, bleek het om een werk van zeer matige kwaliteit te gaan. Noortman zat daar geweldig mee in zijn maag, want hij had aan de vooravond van de Pictura aangekondigd dat hij daar een topstuk van een Hollandse Meester ging presenteren. Zo is het plan ontstaan om de diefstal van de negen werken in scène te zetten.”

Noortman incasseerde zijn verzekeringsgeld, vijf miljoen gulden. Meer dan twintig jaar werd er niets meer van de schilderijen vernomen. TotZuidema in december 2008 werd benaderd door een Duitser die beweerde dat hij de kunstwerken kon terugbezorgen. Dat de man serieus genomen moest worden, was voor Zuidema meteen duidelijk. Hij bleek alles te weten over duistere zaken waarbij Noortman in het verleden betrokken was geweest. “Hij wilde dat ik contact opnam met de familie. Als die vijf miljoen betaalde, zouden zij de misdrijven van Noortman niet bekend maken en de schilderijen teruggeven.”

Zuidema heeft niets dan lof voor het Amsterdamse politieteam van de Nationale Recherche, waarmee de zaak uiteindelijk werd opgelost. “Dat team, onder leiding van Edwin de Vos, heeft geweldig werk geleverd. Drie maanden hebben we keihard aan deze zaak gewerkt, van Hamburg tot Brussel en Valkenburg aan de Geul.”

Met ’s werelds grootste databank van gestolen kunst, het Art Loss Register (ALR), bedong Zuidema een forse beloning. Voor zijn speurwerk ontvangt hij dertig procent van de huidige waarde van de schilderijen, een miljoenenbedrag dat hij moet delen met het ALR. Maar het geld nog steeds op zich wachten. De schilderijen staan opgeslagen in een magazijn van het Rijksmuseum in Amsterdam.

De reden waarom het zo lang te duurt, is te bizar voor woorden, vindtZuidema. Kunstdiefstal verjaart in Nederland al na twintig jaar. De voormalige handlanger van Noortman, die de schilderijen jaren in zijn bezit had, claimt daarom nu de rechtmatige eigenaar te zijn. Een civiele procedure verloor hij inmiddels, maar tegen het vonnis ging de man, hoewel zijn strafzaak nog steeds loopt, in cassatie. Deskundigen verwachten dat getouwtrek om de schilderijen nog jaren kan duren.

Zuidema heeft er geen goed woord voor over. “Al bijna 25 jaar ben ik met deze zaak bezig. Ik heb mijn burgerplicht gedaan en misschien wel meer. Een loepzuivere zaak hebben we gedraaid. Daar hoef ik geen schouderklopje voor te hebben, maar ik wil nu wel eindelijk eens betaald worden.”

Er staan grote belangen op het spel. Noortman stierf begin 2007. Zijn galerie Noortman Master Paintings, tegenwoordig gevestigd in de Van Eeghenstraat in Amsterdam, was twee jaar eerder al overgenomen door Sotheby’s. Het veilinghuis staat nu een claim van vele miljoenen te wachten.

Wat de zaak er niet eenvoudiger op maakt, is dat Sotheby’s voor tien procent aandeelhouder is van het Art Loss Register, dat optreedt namens de verzekeraars. Geprocedeerd wordt er nog niet. “Het Art Loss Register hoopt de zaak met Sotheby’s in goed overleg te kunnen schikken en is daarom gebaat bij zo weinig mogelijk publiciteit. De voorzitter, Julian Radcliffe, heeft gevraagd of ik me rustig wil houden. Maar er is een misdrijf gepleegd. Dat hebben we opgelost. Mijn geduld is nu op.”

Het dossier dat hij de afgelopen kwarteeuw over de verdwenen schilderijen van Robert Noortman heeft opgebouwd, is inmiddels meer dan een meter hoog. Stapels belastende informatie over Noortman. “De

Daily Mirror en de Washington Post hangen hier voortdurend aan de lijn, dus als ik dit allemaal naar buiten breng, zal Sotheby’s daar niet erg blij mee zijn.”

Momenteel houdt Zuidema zich bezig met de inbraak in het Westfries Museum en een grote schilderijenroof in Almelo. Hopeloze zaken zijn nu eenmaal z’n hobby, zegt hij. “Langzaam komen we erachter dat in de illegale kunsthandel miljarden omgaan. En de dieven hebben vrij spel, want de pakkans is nihil. Bij de politie ontbreekt de kennis van zaken en bij justitie heeft de opsporing van kunstcriminelen geen prioriteit. Dat maakt dit tot zo’n lucratieve business. Er zijn nu eenmaal voldoende mensen die niet bereid zijn Tefaf-prijzen te betalen.”

Zuidema beschikt over tientallen handgeschreven A4’tjes, vol spelfouten, waarin één van de verdachten opbiecht welke misdrijven hij samen met Noortman heeft gepleegd. ‘Vrijdag 13 februari voor het sluiten van de galerie, alarm staat niet aan, snijdt Robbie (zoals hij toentertijd bekend is in de Heerlense onderwereld) Noortman 1 schilderij uit de lijst, de andere 8 schilderijen worden door Robbie uit de ramen gehaald en in twee vuilniszakken gedaan, 2 schilderijen op doek zijn opgevouwen door Robbie beschadigd in vuilniszak 1 gedaan. Schilderij houten paneel door Robbie in stukken gebroken ook in vuilniszak 1 gedaan, de andere 6 schilderijen de kleinere zitten onbeschadigd in vuilniszak 2. De opdracht van Robbie was de schilderijen meteen te verbranden. Robbie zet het alarm aan, gaat naar buiten geeft meteen bij de deur de twee vuilniszakken aan handlanger 1 Robbie gaat meteen naar café-restaurant om de hoek.’

’s Avonds komt Noortman terug om te kijken of de drie handlangers zijn opdracht hebben uitgevoerd, blijkt uit de aantekeningen: ‘In de veronderstelling dat de andere schilderijen verbrand waren, verbrandt Robbie zelf in de kachel in het bijzijn van 3 getuigen het schilderij van Hobbema Meindert (1638 1709) Oud Hollandse watermolen Schilderij op houten paneel door Robbie in 10 stukken gebroken.’

Kort na de verdwijning van de schilderijen in 1987 werd Zuidema door Noortman ingeschakeld om een onderzoek in stellen. Maar de detective kende de reputatie van zijn opdrachtgever en vond al snel de ene na de andere aanwijzing dat die zelf achter de vermissing zat. Tijdens een gesprek daarover eiste Noortman dat Zuidema zijn onderzoek meteen zou stopzetten. “Hij versteende toen ik hem vertelde wat ik ontdekte. ‘Blijf achter mij, uit. Ik heb je betaald.’ En toen ging hij dreigen. Hij begon over mijn zoon die vaak van Heerlen naar Klimmen naar zijn oma fietste. ‘Als ze willen, kunnen ze hem zo van de fiets afschieten,’ zei hij. Ik kende die brandkastkrakers, die jongens waren tot alles in staat. Dus ik stond voor de keus.”

Zuidema brengt zijn duim en wijsvinger dicht bij elkaar: “Zó dicht ben ik er toen bij geweest. Anders had Noortman in 1987 al in de bak gezeten en was hij daarna nooit zo groot geworden.”

Twee jaar geleden bezorgde privédetective Ben Zuidema negen meesterwerken terug die in 1987 verdwenen uit de kunsthandel van wijlen Robert Noortman. Zijn beloning laat nog steeds op zich wachten omdat de crimineel die de schilderijen in zijn bezit had tot de diefstal was verjaard, zich nu opwerpt als rechtmatige eigenaar.

HENK SCHUTTEN

 

June 6th, 2011

Posted In: algemeen, algemeen, diefstal

This content is password protected. To view it please enter your password below:

December 4th, 2009

Posted In: algemeen

This content is password protected. To view it please enter your password below:

May 22nd, 2009

Posted In: algemeen

This content is password protected. To view it please enter your password below:

May 22nd, 2009

Posted In: algemeen

,,Dit is wat ik al jaren zeg: je kunt tonnen uitgeven aan beveiliging, maar op een mooie dag lopen ze zo met een pistool naar binnen en plukken van de wand wat ze willen hebben” (Ruud Spruit, ex-directeur van het Westfries Museum in het Noordhollands Dagblad naar aanleiding van de gewapende overval op het Scheringa Museum: http://snipurl.com/hgllr)

 Bovenstaande opmerking door Spruit, je moet maar durven nadat overduidelijk is gebleken dat je als museumdirecteur gefaald hebt in je beveiligingsbeleid, schreeuwt om enkele kritische kanttekeningen. 

Dat Spruit in al die jaren als museumdirecteur nooit tonnen uitgaf aan de beveiliging van zijn museum en daar zelfs geen enkel voorstel toe indiende bij de gemeente Hoorn maakt zijn opmerking in de pers behoorlijk pijnlijk. 

Spruit beweert al jaren te zeggen dat een gewapende overval een reële dreiging vormt voor musea. Niet bepaald een helderziende opmerking want de westerse musea zijn sinds 1975 gemiddeld eens per jaar geconfronteerd met een gewapende overval. De afgelopen jaren is het aantal gewapende overvallen toegenomen maar musea zijn nog lang niet een hoofddoel van gewapende overvallers. 

Wanneer je al jaren vindt dat een bepaalde dreiging heel reëel is, dan is de vraag natuurlijk wat je tegen die dreiging doet. Spruits jarenlange geroep heeft bij hem blijkbaar niet geleid tot enige suggesties hoe deze dreiging te verminderen. In tegenstelling, hij benadrukt nog eens hoe makkelijk een overval is en nodigt bijna de criminelen uit zich op musea te richten nu er niets meer te halen valt in supermarkten en bij banken. Dit is de slechtste houding, die van sitting duck, die je tegenover risico’s in kan nemen. Natuurlijk is er iets te doen om de kans op gewapende overvallen te minimaliseren. Bij musea hoort nu eenmaal een zekere acceptatie van risico’s. Geheel uitsluiten van risico’s, ook die van een gewapende overval, leidt tot een soort musea waar we geen van allen op zitten te wachten. 

Om de kans op gewapende overvallen te verminderen dienen een aantal maatregelen genomen te worden en zullen de musea bereid moeten zijn concessies te doen aan de inrichting en logistiek. Dat kan, ook zonder dat het karakter van de musea hierdoor storend geschaad wordt. De maatregelen die nodig zijn om de kans op gewapende overvallen aanzienlijk te verminderen zijn niet alleen het privilege van de grote musea. Ook voor kleinere musea liggen hier kansen. 

Het slechtste dat gedaan kan worden is met wanhopig opgeheven armen in de publiciteit treden en uitkramen dat we met z’n allen machteloos staan tegen deze dreiging. We zijn niet machteloos. 

Zo langzamerhand word ik bijna nieuwsgierig naar het door Spruit al meerdere keren aangekondigde boek over kunstcriminaliteit. Ik vrees het ergste.. 

Ton Cremers

 

 

 

 

May 6th, 2009

Posted In: algemeen

Gepubliceerd op 04 mei 2009, 19:16

 

spanbroek – 

De kunstroof uit het Scheringa Museum voor Realisme in Spanbroek is de eerste gewapende overval op een Nederlands museum. 

,,Dit is wat ik al jaren zeg: je kunt tonnen uitgeven aan beveiliging, maar op een mooie dag lopen ze zo met een pistool naar binnen en plukken van de wand wat ze willen hebben”, zegt Ruud Spruit, ex-directeur van het Westfries Museum in Hoorn. Binnenkort verschijnt van zijn hand de Nederlandse bewerking van een internationale studie naar kunstdiefstal in de twintigste eeuw. 

Spruit vreest dat de overval op het Scheringa Museum geen unicum zal blijven. ,,Een overval is tegenwoordig snel gepleegd, de samenleving is zoveel harder. Bij supermarkten is niets meer te halen, bij banken niet, dus dan komen de musea aan de beurt.” 

De politie Noord-Holland-Noord heeft gisteren een rechercheteam gevormd. Er zijn videobeelden van de drie gemaskerde overvallers, ook is hun auto teruggevonden. De twee gestolen werken staan internationaal gesignaleerd. De politie en het museum doen geen mededelingen over de stand van het onderzoek.

 

Commentaar: 

Je moet maar durven als ex-directeur van een leeggeroofd museum. Dat museum, het Westfriesmuseum in Hoorn, kon worden leeggeroofd door wanbeleid van Ruud Spruit die stelselmatig verzaakte structurele aandacht te geven aan de beveiliging van zijn museum en daar zeker geen “tonnen” voor uit gaf. Had hij dat wel gedaan dan was die nachtelijke inbraak in zijn museum niet zo succesvol geweest ten koste van bruiklenen uit collega musea. Hier is zonder meer sprake geweest van nalatigheid. Nalatigheid die Spruit na de inbraak probeerde te verdoezelen door glashard te liegen over het niveau van de beveiliging van het Westfries Museum – dat niveau was zonder meer veel te laag – en bovendien de criminelen complimentjes te geven met hun ‘professionaliteit’. 

De overval op het Scheringamuseum gebruikt Spruit op schaamteloze wijze om zijn bewerking van een Amerikaans boek te promoten. 

Ton Cremers

 

 

May 5th, 2009

Posted In: algemeen

8 april 2009: Symposium veiligheidszorg Gelders erfgoed,  Huis der Provincie Gelderland

Resultaten van de projecten Netwerkaanpak Veiligheidszorg voor Gelderse collectiebeheerders

Door Ellie Bruggeman. Globale weergave gesproken woord.

We zijn hier vandaag bijeen om verschillende belangrijke mijlpalen te vieren en onze blik te richten op de uitdagingen van de toekomst. De reeds gerealiseerde mijlpalen omvatten:

  • De Gelderse beheerders van cultureel erfgoed hebben een plekje gekregen op de risicokaart en (waarschijnlijk) binnenkort  op het veiligheidsnet.nl
  • De zorg voor het Gelderse culturele erfgoed in geval van nood is verwerkt in vele calamiteitenplannen en verschillende gemeentelijke crisisbeheersingsplannen en rampenbestrijdingsplannen.
  • Er zijn acht Culturele Preventienetwerken actief in Gelderland om elkaar alert te houden, om effectief contact te onderhouden met hulpverleningsdiensten en gemeenten en om een vangnetwerk te hebben in geval van nood.

Deze acht Preventienetwerken omvatten bijna honderd beheerders van cultureel erfgoed, variërend van musea, archieven en vakbibliotheken tot kerken en een historische tuin. De beheerders van cultureel erfgoed die nog niet in één van deze Preventienetwerken vertegenwoordigd zijn, een beperkt aantal, krijgen begin 2010 nog een allerlaatste kans om deel te nemen aan deze projecten en zich aan te sluiten bij het Culturele Preventienetwerk dat actief is in hun regio.

Circa drie jaar geleden werd begonnen met het traject richting deze mijlpalen. Bij alle deelnemende instellingen was er reeds aandacht voor de evacuatie van mensen in geval van nood en beschikte men al minimaal over een lijst met alarmnummers. Aan de bescherming van de collectie in geval van nood was echter slechts bij enkele organisaties aandacht besteed in het calamiteitenplan. Dit week overigens niet af van de situatie in de rest van Nederland en was ook de reden voor het ontwikkelen van de zogenaamde Netwerkaanpak. Ook erfgoedbeheerders met een volledig calamiteitenplan, inclusief hoofdstuk collectiehulpverlening, meldden zich aan vanwege de op te bouwen preventienetwerken voor wederzijdse steun.

Er bleek bij veel organisaties echter een onnodig hoge drempel te liggen voor wat betreft het werken aan het calamiteitenplan. Sommige organisaties waren al jaren bezig met de afronding. Anderen hadden het opstellen van hun calamiteitenplan (keer op keer) uitgesteld vanwege op komst zijnde veranderingen, zoals verbouwingen en verhuizingen, waardoor het plan weer verouderd zou raken. Een calamiteitenplan is echter per definitie geen statisch document. Bij elke verandering in de omstandigheden, zoals een nieuwe tentoonstelling of nieuwe activiteiten, dient bekeken te worden of de huidige maatregelen en procedures aangepast moeten worden. Veiligheidszorg is een verhaal zonder eind. Maar met een goede basis kunnen aanpassingen gemakkelijk verwerkt worden en fungeert het calamiteitenplan tevens als kwaliteitsinstrument om te controleren of er aan alles gedacht is.

Een deadline zoals voor de opening van een nieuwe tentoonstelling, waarvoor alles opzij gezet wordt, is er niet voor veiligheidszorg. Veel van u zullen zich het postbus 51 spotje kunnen herinneren met de titel:

‘Denk Vooruit: Rampen vallen niet te plannen. Voorbereidingen wel’.

In dit spotje werden spandoeken opgehangen met de datum waarop een ramp op die locatie zou plaatsvinden, en wanneer dus alles tot in de puntjes geregeld moest zijn. Met de projecten Netwerkaanpak veiligheidzorg werd ook een symbolische deadline gesteld voor het afronden van het calamiteitenplan. De ‘lege’ preventiemappen die de start van de projecten symboliseerden moesten aan het einde gevuld worden met herziene calamiteitenplannen. De meerderheid van de deelnemende organisaties heeft deze deadline gehaald. In sommige gevallen waren er nog wel enkele onderdelen van het calamiteitenplan cursief gedrukt, omdat daar nog nadere aandacht aan besteed moest worden. Daarnaast wachten we ook nog op de afronding van verschillende calamiteitenplannen.

Ondanks de grote diversiteit tussen de deelnemende instellingen, hun huisvesting, de collecties die zij beheren, hun risico’s, en derhalve hun calamiteitenplannen, zijn er ook veel overeenkomsten. Een opvallende gemene deler is het grote aantal vrijwilligers binnen de deelnemende instellingen. Ruim een kwart draait zelfs voor 100% op vrijwilligers. Nu wordt er wel eens gesproken over professionele krachten en vrijwilligers, maar het verschil ligt zeer zeker niet in de professionaliteit, het verschil is betaalde of onbetaalde krachten. Een naar mijn mening beperkende factor van vrijwilligers is dat zij soms slechts periodiek, bijvoorbeeld één keer in de twee of vier weken, een middag, aanwezig zijn. Elke steun is uiteraard zeer welkom, maar dit maakt het lastig om iedereen goed bekend te maken met het handelen in geval van nood. Dit heeft ook consequenties voor het calamiteitenplan. Een calamiteitenplan moet werken in de minimale bezetting, zowel voor wat betreft aantallen als kwalificaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de bezetting op zondagmiddag om 3 uur.
In alle regio’s hebben we ook kunnen genieten van de positieve sfeer tijdens de locatiebezoeken en projectbijeenkomsten. Tevens werden alle bijeenkomsten gekenmerkt door een grote openheid. Iedereen sprak vrij over zorgen en valkuilen waarin zij verzeild geraakt waren, zodat anderen hiervan konden leren.

Deze projecten hadden ook nooit zo positief kunnen verlopen als er niet in elke regio zo’n goede steun was geweest van de netwerkpartners: de hulpverleningsdiensten, gemeenten, de bureaus van de veiligheidsregio’s en de provincie Gelderland. In elke regio kwam een vertegenwoordiger van de lokale of regionale brandweer om met de deelnemende instellingen te spreken over de uitdagingen en knelpunten rondom brandveiligheid en brandbestrijding in combinatie met cultureel erfgoed. Hierdoor is er veel meer helderheid over wat je als erfgoedbeheerder van hulpverleningsdiensten kunt verwachten en wat zij nodig hebben om hun taken, inclusief schadebeperkende maatregelen, zo goed mogelijk uit te voeren. Ook is men hierdoor minder sceptisch geworden over de mogelijkheden om, ook in geval van brand, nog collectieobjecten te redden. Voorheen was iedereen er van overtuigd dat als de brandweer komt deze geen oog of oren heeft voor de collecties. Nu realiseren velen zich dat er, uiteraard afhankelijk van de omstandigheden, ruimte kan zijn voor evacuatie van de allerbelangrijkste objecten of voor een aangepaste brandbestrijdingsstrategie om zoveel mogelijk schade te voorkomen. Hiervoor gelden uiteraard voorwaarden. Een dergelijk verzoek moet je duidelijk aangeven bij de brandweer en bovendien moet je zelf alles goed op orde hebben. Je moet er bijvoorbeeld voor gezorgd hebben dat alle aanwezige mensen snel en veilig het gebouw kunnen verlaten, dat je zelf snel ter plaatse kunt zijn, ook buiten openingsuren, om de brandweer te voorzien van locatiespecifieke informatie en dat je duidelijke informatie kunt verschaffen over de locatie van de allerbelangrijkste collectieobjecten. Bovendien zul je er ook zelf voor gezorgd moeten hebben dat geëvacueerde objecten vervolgens op een veilige plek ondergebracht kunnen worden, inclusief transport. ZELFREDZAAMHEID is en blijft het sleutelwoord.

In de afgelopen weken zijn we tweemaal opgeschrikt door calamiteiten waarbij ook de eerste zorg niet uitging naar het culturele erfgoed dat hierbij betrokken was, maar naar de slachtoffers en het creëren van veilige werkomstandigheden voor de hulpverleningsdiensten. Ik denk hierbij aan de instorting van het Stadarchief van Keulen op 3 maart en de aardbeving van afgelopen maandag in Centraal Italië. In de krant las ik dat het nationaal museum van de Abruzzen, ondanks het instortingsgevaar overal, al wel een deel van haar collectie heeft kunnen veilig stellen in een wijnkelder. Of hierover vooraf afspraken waren gemaakt is mij niet bekend. Zoals de Commissaris van de Koningin, de heer Clemens Cornielje, ook illustreerde met de ad hoc evacuatie in 1995 van het depot van het Openluchtmuseum in Tiel, kan er ook bij toeval doeltreffend gehandeld worden. Maar de kans om letsel en schade tot een minimum te beperken is groter als er van te voren is nagedacht over de bedreigingen en er in hoofdlijnen is bepaald hoe daar het beste mee omgegaan kan worden en de hiervoor benodigde mensen en middelen standaard inzetbaar gemaakt zijn.

Gelukkig is er geen groot gevaar voor aardbevingen in Gelderland. Ook ben ik niet bekend met bouwplannen voor ondergrondse metrolijnen. Maar op de risicokaart is te zien dat er in verschillende regio’s wel rekening gehouden moet worden met regionale rampen door overstromingen en bosbranden. Ook staat de vuurwerkramp te Enschede bij vele nog op het netvlies.
In dergelijke omstandigheden hebben hulpdiensten en gemeenten hun handen vol, maar indien het zonder gevaar voor mensen kan, kunnen zij wel toestemming geven en ruimte creëren zodat je zelf als erfgoedbeheerder de vooraf voorbereidde maatregelen ter bescherming en bereddering van de collectie kunt uitvoeren. En indien de situatie alle vooraf getroffen maatregelen, de eigen menskracht en middelen en die van collega-organisaties overstijgt, kan er mogelijk een beroep gedaan worden op aanvullende steun via hulpverleningsdiensten, gemeenten of veiligheidsregio.
Hierom is ook de vermelding van het Gelderse culturele erfgoed op de risicokaart zo belangrijk. Hoewel er in geval van nood veel te beschermen belangen zijn, en het beschermen van cultureel erfgoed zeker niet op de hoogste plaats staat, wordt zo de zichtbaarheid ervan verhoogd en kan de bescherming in de algehele besluitvorming meegewogen worden.

Buiten de bedreigingen die op de risicokaart vermeld staan dienen uiteraard ook de bedreigingen van binnenshuis niet vergeten te worden, zoals lekkages, branden en andere noodsituaties als gevolg van technisch of menselijk falen of zelfs opzettelijk handelen.

Met de projecten Netwerkaanpak Veiligheidszorg is een extra stimulans gegeven voor het herzien en actueel houden van de individuele calamiteitenplannen en is er een basisstructuur opgebouwd om ervaringen uit te wisselen en collegiale ondersteuning in geval van nood te organiseren. Maar hier is het zeker niet bij gebleven. In elke regio werd unaniem besloten om na de eerste projectfase de samenwerking rondom veiligheidszorg voort te zetten en stapten er netwerkcoördinatoren naar voren om als kartrekker en centraal aanspreekpunt op te treden, telkens voor een periode van twee jaar.
In de meeste regio’s ligt op dit moment de nadruk op de uitdaging na de herziening van calamiteitenplannen: hoe alle medewerkers en vrijwilligers bekend te maken en houden met de (gewijzigde) procedures in geval van nood. In veel netwerken staat de implementatie van de calamiteitenplannen hoog op de agenda’s voor de periodieke netwerkvergaderingen en wordt er druk geoefend. Bij de oefeningen worden soms ook netwerkleden ingezet als waarnemers, zodat zij mee kunnen denken en leerpunten mee kunnen nemen naar de eigen organisatie.

In twee regio’s trad zelfs het vangnetwerk-principe van de Culturele Preventienetwerken al in werking. Tijdens de stroomstoring in de Bommelerwaard eind 2007 probeerde de oud-netwerkcoördinator, Dick van der Stelt van Slot Loevestein, vanaf huis buiten het getroffen gebied, dus met elektriciteit, de netwerkleden te benaderen om te vragen of zij steun nodig hadden. Hoewel hij thuis over stroom beschikte had hij daar echter niet het calamiteitenplan en de lijst met contactgegevens van het netwerk beschikbaar. Een belangrijk leerpunt. Uiteindelijk heeft hij iedereen wel kunnen bereiken en bleken alle organisaties de situatie met eigen middelen aan te kunnen. Tijdens de navolgende netwerkvergadering werd de stroomstoring gezamenlijk geëvalueerd en werden knelpunten, zoals de beperkte duur van de backup-stroomvoorzieningen van vitale systemen, en de mogelijkheden om hiervoor op individueel niveau dan wel netwerkniveau actie op te ondernemen, besproken.
Het Noordveluwse vangnetwerk trad in werking na de brand bij het Nunspeetse Natuurhistorisch Museum ‘Veluws Diorama’ in 2008. Hoewel dit particuliere museum geen lid is van het netwerk, namen zowel Rinus Loopik, van de nabijgelegen Oudheidskamer Nunspeet, als de Netwerkcoördinator, Paul van Brakel van het Nederlands Artillerie Museum, contact op met het museum om hulp aan te bieden.

De systematiek werkt dus. Bovendien is er een stevige basis en veel enthousiasme om de samenwerking op het terrein van veiligheidszorg rondom het Gelderse culturele erfgoed voort te zetten en verder te optimaliseren. Aan die vervolgstappen zullen we vandaag nader aandacht besteden. Daarnaast blijft uiteraard de uitdaging om de verscherpte aandacht voor veiligheidszorg in stand te houden en de hieraan gerelateerde informatie en contacten actueel, zowel op individueel- als netwerkniveau. Graag wens ik iedereen hier veel succes bij!

http://www.gelderserfgoed.nl/cms_media/Resultaten%20van%20het%20project%20in%20Gelderland,%20Ellie%20Bruggeman.pdf

Overige presentaties en verslagen van dit symposium zijn te vinden op de website van Gelders Erfgoed, www.gelderserfgoed.nl, onder: Documenten, kopje Veiligheidszorg. Ook kunt u daar kosteloos een exemplaar van de film over Netwerkaanpak Veiligheidszorg in Gelderland opvragen.

April 29th, 2009

Posted In: algemeen

This content is password protected. To view it please enter your password below:

April 8th, 2009

Posted In: algemeen

Op 2 april publiceerde de Erfgoedinspectie de uitkomst van een onderzoek naar de aanwezigheid van mogelijk Cypriotische iconen in de collectie van het Ikonenmuseum in Kampen: “Mijn (Erfgoedinspectie) conclusie is dat er, op grond van de beschikbare gegevens, geen aanwijzingen zijn dat het museum beschikt of heeft beschikt over onrechtmatig uit Cyprus uitgevoerde iconen”.

Het plaatselijke sufferdje, De Stentor, maakt er meteen van dat die iconen er nooit zijn geweest. Het museum zal blij zijn met die ondersteuning door een lokale verslaggever, maar dat is niet wat in de rapportage van de Erfgoedinspectie staat. “Op grond van de beschikbare gegevens zijn geen aanwijzingen gevonden” is heel wat anders.

Beschikbare gegevens

De Erfgoedinspectie somt in zijn rapport de beschikbare gegevens op:

1. gesprek met het bestuur van het Ikonenmuseum op 17 december 2008.
2. onderzoek van de door het museum beschikbaar gestelde basisregistratie en foto’s van alle iconen met een mogelijk Griekse of Cypriotische herkomst;
3. onderzoek naar de door het museum overlegde informatie over de aankoop van de betreffende Cypriotische iconen;
4. verzoek aan de politie in Cyprus deze iconen nader te onderzoeken.

Er is echter nog een gegeven beschikbaar dat door de Erfgoedinspectie niet vermeld wordt, namelijk de zeer duidelijke statements van de heer Helmich Heutink, verzamelaar die het museum oprichtte en voorzitter van het bestuur. Deze statements van Heutink uitte hij mei 2007 tegenover twee personen en houden letterlijk het volgende in:

1. “Wanneer ik iconen aankoop en de handelaar vertelt mij dat het okay is, dan ben ik gedekt”;
2. “Ik kocht van een Duitse handelaar twee Cypriotische iconen en die handelaar heeft mij geadviseerd ze niet in het museum tentoon te stellen omdat ik dan problemen kan krijgen met de Cypriotische autoriteiten”
3. Ondergetekende vroeg Heutink wie die handelaar was waarop Heutink antwoordde: “Dat ga ik u niet vertellen”.

Blijkbaar voelt Heutink zich niet alleen gedekt door handelaren, maar is hij ook van harte bereid die handelaren een wederdienst te bewijzen wanneer hem gevraagd wordt van wie hij dubieuze iconen gekocht heeft.

Deze korte weergave van het gesprek met Heutink moest door de Erfgoedinspectie gezien worden als een objectief gegeven en niet als een subjectieve weergave van een gesprek door ondergetekende. Ik voerde dat gesprek met Heutink niet alleen. Er was nog een andere gesprekspartner aanwezig. Ondanks een herhaald aanbod aan de Erfgoedinspectie heeft de Erfgoedinspectie nooit met deze persoon gesproken. In een brief van 12 maart 2009 deelde de Erfgoedinspectie mij mede: “U geeft aan dat de Erfgoedinspectie geen gebruik heeft gemaakt van uw aanbod de tweede persoon te horen die ons nader kan informeren over deze kwestie. Wij hebben daar destijds en ook nu van afgezien dit te doen, omdat we er van uitgaan dat u ons alle relevante informatie verstrekt”.

Wel, als het zo is dat de Erfgoedinspectie er vanuit gaat dat ik alle relevante informatie verstrekte waarom is die informatie dan niet in het rijtje van beschikbare gegevens opgenomen?

In dat rijtje van de Erfgoedinspectie staat als nummer twee opgenomen het onderzoek naar de basisregistratie. Blijkbaar zet de Erfgoedinspectie vraagtekens bij deze registratie want de Erfgoedinspectie onderschrijft dat een onafhankelijke expert de gehele collectie nu gaat beschrijven.

De Erfgoedinspectie sluit zijn rapportage af met de mededeling: “Zoals al eerder met u besproken, is een zorgvuldig acquisitiebeleid belangrijk. Iconen vormen een lastig verzamelgebied”. Waarom zou je zoiets mededelen aan een museum dat geen onrechtmatige iconen bezit en waar aanwijzingen ontbreken dat die er ooit geweest zijn?

Zal het, dat hoop ik van harte, misschien zo zijn dat de Erfgoedinspectie met mij van mening is dat er wel degelijk aanwijzingen zijn van onrechtmatigheid en neemt de Erfgoedinspectie net als ik de opmerkingen van Helmich Heutink heel serieus?

Ik heb er overigens alle begrip voor dat overheidsinstanties als de Erfgoedinspectie en de KLPD nu eenmaal niet alleen kunnen varen op de bekentenis van een verdachte.

Het Ikonenmuseum is een parel op de culturele kroon van Kampen en zonder meer een bezoek waard. Ik ben echter van mening dat dit museum niet tot de rangen van geregistreerde musea kan toetreden zo lang Helmich Heutink, in welke functie dan ook, deel uitmaakt van het bestuur.

Ton Cremers

April 7th, 2009

Posted In: algemeen

AMSTERDAM – De politie stelt samen met de dienst Erfgoedinspectie een onderzoek naar het Iconenmuseum in Kampen. Mogelijk zijn sommige iconen uit de collectie geroofd uit Cyprus.

De dienst Erfgoedinspectie werd twee jaar geleden al getipt over de mogelijke dubieuze herkomst van iconen in het Kampense museum. De melding was afkomstig van beveiligingsexpert Ton Cremers, die in mei
2007 een lang onderhoud had met voorzitter Helmich Heutink van de Alexanderstichting, die het Iconenmuseum beheert.
Tijdens dat gesprek vroeg Cremers, voormalig hoofd beveiliging van het Rijksmuseum, aan Heutink of hij ook uit Cyprus afkomstige iconen bezat, aangezien de Grieks-Cypriotische kerken de afgelopen decennia veel te lijden hadden van plunderingen.
“Tot mijn verbijstering vertelde Heutink dat hij twee Cypriotische iconen van een Duitse handelaar had gekocht,” zegt Cremers. “De Duitse handelaar zou Heutink hebben geadviseerd twee iconen niet in zijn museum tentoon te stellen, omdat hij dan problemen zou kunnen krijgen met de Cypriotische autoriteiten.”
Cremers lichtte meteen de dienst Erfgoedinspectie in, maar daar zag men geen noodzaak actie tegen het museum te ondernemen. Mails die Cremers aan Erfgoedinspectie stuurde, bleven daarna onbeantwoord.
Wel bleek uit correspondentie met het museum dat Erfgoedinspectie kort na de tip van Cremers contact had gezocht met Heutink.
Onlangs vond op verzoek van Cremers een onderhoud plaats met Erfgoedinspectie, waarin hem werd meegedeeld dat de politie alsnog een onderzoek instelt naar de herkomst van de iconen.
Alle stukken uit de collectie van het Kampense museum zijn de afgelopen maanden gefotografeerd. Een politiedeskundige heeft de afbeeldingen vorige week overhandigd aan de Grieks-Cypriotische autoriteiten.
Cremers is woedend over de gang van zaken: “Dit is verspild belastinggeld. De uitkomst van dit onderzoek is honderd procent voorspelbaar.”

Bij het Iconenmuseum en de Erfgoedinspectie was niemand bereikbaar voor commentaar.

HENK SCHUTTEN,

Het Parool

March 28th, 2009

Posted In: algemeen

Vrijdag 3 april zal de Erfgoedinspectie op zijn site het resultaat bekend maken van het onderzoek naar de collectie iconen uit het Ikonen Museum en de particuliere verzameling van Helmich Heutink, oprichter van het museum en voorzitter van de Alexanderstichting. Over deze kwestie rapporteerde ik al eerder enkele maanden geleden en onlangs nog.

Wat gaat de Erfgoedinspectie volgende week op de site over dit onderzoek publiceren? Dat alle iconen zowel uit de collectie van het museum als die van Heutink particulier gefotografeerd zijn en dat die foto’s aan de Cypriotische autoriteiten zijn getoond en – dat zal iedereen zeer verbazen – dat geen enkele uit Cyprus geroofde icoon in die collecties is gevonden.

Een uitkomst die ik al eerder voorspelde. Zo gaat dat wanneer je twee jaar wacht met het verrichten van een onderzoek en dan ook nog eens lang van tevoren aankondigt dat je de collectie komt fotograferen. Natuurlijk zijn de Cypriotische iconen die Helmich Heutink van een Duitse handelaar kocht niet meer in de collecties te Kampen te vinden. Die handelaar adviseerde Heutink destijds die iconen niet in zijn museum tentoon te stellen omdat hij anders problemen zou krijgen met de Cypriotische autoriteiten. Hadden de Erfgoedinspectie en de KLPD nu echt verwacht dat Heutink die iconen netjes beschikbaar zou stellen om te fotograferen?

Ton Cremers

(wordt vervolgd)

March 28th, 2009

Posted In: algemeen

Voorgeschiedenis (zie ook: http://www.museumbeveiliging.com/2008/12/19/ikonenmuseum-kampen-uit-cyprus-geroofde-ikonen-in-collectie-heutink/)

Mei 2007 had ik een zeer lang onderhoud in het Ikonen Museum te Kampen met de voorzitter van het bestuur van de Alexanderstichting, Helmich Heutink. De Alexanderstichting beheert het Ikonen Museum te Kampen. Heutink is de oprichter van die stichting en van het museum. De collectie van het museum is verzameld door Helmich Heutink. Heutink, volgens eigen zeggen, kwam voor het eerst met iconen in aanraking toen hij begin jaren tachtig als hulpverlener naar Polen ging. Dat bij het verzamelen van cultuurgoed door een hulpverlener vraagtekens kunnen worden geplaatst betoogde ik al eerder op mijn site en in mijn nieuwsbrief.

Tijdens dat onderhoud mei 2007 vroeg ik Heutink heel expliciet, en natuurlijk niet zonder reden, of hij ook uit Cyprus afkomstige iconen bezat. Die vraag stelde ik omdat ik al jaren de problematiek rondom de roof van Grieks-cypriotisch religieus erfgoed volg. De Grieks-cypriotische kerken hebben veel te lijden gehad van de onder Turkse ogen plaatsvindende omvangrijke roof.

Tot mijn verbijstering vertelde Heutink dat hij twee Cypriotische iconen van een Duitse handelaar kocht. Veel van het geroofde Grieks-cypriotisch religieus erfgoed werd via ‘de Duitse route’ verhandeld. Iedere serieuze verzamelaar van Iconen weet dat. In een eerder bericht vermeldde ik dat het misschien vier iconen betrof, maar in mijn aantekeningen heb ik terug gevonden dat Heutink het over twee iconen had.
De Duitse handelaar adviseerde Heutink, wederom aldus Heutink, die twee iconen niet in zijn museum tentoon te stellen omdat hij dan “problemen zou kunnen krijgen met de Cypriotische autoriteiten”. Het had niet duidelijker kunnen zijn dat aan die iconen een luchtje zit en dat Heutink hiervan op de hoogte is.

De inhoud van ons onderhoud heb ik vrijwel onmiddellijk gemeld bij de Erfgoedinspectie en wel bij inspecteur Marja van Heese. Mevrouw van Heese liet mij weten dit geen zaak te vinden voor de Erfgoedinspectie en verzocht mij “Heutink op andere gedachten te brengen”. Hoewel ik mevrouw Van Heese duidelijk liet weten het met deze opstelling niet eens te zijn nam ik, tevergeefs, met Heutink contact op en liet de kwestie verder rusten. Ik deelde Van Heese mede deze zaak wat mij betreft verder als afgedaan te beschouwen.

Anderhalf jaar later was in de kranten te lezen dat het Ikonen Museum, mede gesponsord door de gemeente Kampen, een nieuwe vleugel opende. Voor mij was dat aanleiding de kwestie van de Cypriotische iconen alsnog en voor het eerst aandacht te geven op http://www.museumbeveiliging.com en de Museum Security Network mailing list.

Deze publiciteit bracht de Erfgoedinspectie in actie. Nu was het ineens wel een zaak voor de Erfgoedinspectie. Uit mailwisselingen tussen het Ikonen Museum en mij, Marja van Heese heeft geen van de negen mails die ik sinds november 2008 stuurde beantwoord, bleek dat Van Heese naar aanleiding van mijn melding bijna twee jaar geleden een brief heeft geschreven aan het Ikonen Museum. Het ware redelijk en fatsoenlijk geweest indien de Erfgoedinspectie, in casu Marja van Heese, mij had geïnformeerd dat men wel, weliswaar minimale, actie ondernam op grond van mijn melding medio 2007. Nu kreeg ik te horen dat geen actie genomen zou worden terwijl er wel schriftelijk contact met het museum werd opgenomen.

Enkele maanden geleden vond op mijn verzoek een onderhoud plaats met de Erfgoedinspectie. Op dat onderhoud kom ik in een later bericht terug. Nu beperk ik me tot de mededeling van de inspectie dat er naar het Ikonen Museum onderzoek wordt gedaan. Waarom al mijn mails aan Marja van Heese onbeantwoord bleven heb ik niet mogen vernemen.

Wat dat onderzoek in zou houden wilde Van Heese mij niet vertellen. Wel dat het onderzoek in maart 2009 (deze week dus) afgerond zou worden. Dat onderzoek, zo vernam ik onlangs, vindt plaats in samenwerking met de KLPD.

Het Ikonen Museum heeft laten weten dat alle iconen uit de collectie van het museum en de collectie Helmich Heutink gefotografeerd worden door de Erfgoedinspectie / KLPD. Mochten er Cypriotische iconen met een twijfelachtige herkomst ‘gevonden’ worden dan is teruggave bespreekbaar.

Worden die iconen ‘gevonden’? Natuurlijk niet. De uitkomst van het onderzoek, verspild belastinggeld, is voor 100% voorspelbaar.

Stel dat de fietsenhandelaar bij mij in de buurt mij vertelt dat hij gestolen fietsen inkoopt. Stel dat ik dit als goed burger meld bij de politie. Stel dat die politie mij vraagt met die handelaar te bespreken dat hij die fietsen terug moet geven. Stel dat diezelfde politie na anderhalf jaar bij die fietsenhandelaar langs gaat en hem vertelt wat ik gemeld heb. Stel dat de politie dan die fietsenhandelaar vertelt dat men over enkele maanden terug komt om alle fietsen te fotograferen…… Moet ik verder gaan?

En Helmich Heutink? Heutink zegt nu dat hij nooit Cypriotische iconen gekocht heeft en dat Cremers zijn verhaal helemaal verkeerd begrepen heeft. Cremers voerde echter dat gesprek mei 2007 niet alleen met Heutink. De erfgoedinspectie heeft tot op vandaag met de derde aanwezige niet willen spreken.

Een zwarte bladzijde in het Nederlandse erfgoeddorp. Het Ikonen Museum is druk doende een officieel geregistreerd museum te worden. Mocht die registratie door gaan terwijl de onbetrouwbare, want liegende, en dubieuze verzamelaar Helmich Heutink nog in het bestuur zit van de Alexanderstichting dan zou dat een afgang zijn voor het systeem van museumregistratie.

Ton Cremers

Museum Security Network / Museum Security Consultancy
toncremers@museum-security.org
http://www.museum-security.org
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl/
http:///www.toncremers.nl
http://groups.google.com/group/museum-security-network
http://groups.google.com/group/library-security-and-safety

March 24th, 2009

Posted In: algemeen

Op 3 november 2008 heeft het Haags Preventie Netwerk samen met de brandweer Haaglanden een oefening gehouden, waarbij de brandweer schilderijen evacueerde uit een onder de rook staande ruimte. Hier vindt u verslagen van de oefening, foto’s en een filmverslag met onder andere infrarood-opnamen van de brandweer tijdens de oefening.

Zie: http://www.kvce.nl/rubrieken/rubriek/netwerken/uitvoering/haagspreventienetwerk/ontruimingsoefening/

March 4th, 2009

Posted In: algemeen, Brand algemeen

Op 3 november 2008 heeft het Haags Preventie Netwerk samen met de brandweer Haaglanden een oefening gehouden, waarbij de brandweer schilderijen evacueerde uit een onder de rook staande ruimte. Hier vindt u verslagen van de oefening, foto’s en een filmverslag met onder andere infrarood-opnamen van de brandweer tijdens de oefening.

Zie: http://www.kvce.nl/rubrieken/rubriek/netwerken/uitvoering/haagspreventienetwerk/ontruimingsoefening/

March 4th, 2009

Posted In: algemeen, Brand algemeen

Sehr geehrte Damen und Herren,
Begleitet vom Beifall der Medien feierte kürzlich das neue 7 Sterne Hotel Atlantis auf dem Inselkomplex “The Palm Jumeirah” in Dubai seine spektakuläre Eröffnung.
Hinter den Kulissen ist die erprobte und vielseitige L-Serie von TRAKA im Einsatz und sorgt für die effektive Sicherung und Verwaltung sämtlicher Zugangs- und Zugriffsmedien, wie z.B. Schlüssel, Transponder, Magnetkarten und USB-Sticks. Das System überwacht und kontrolliert den Zutritt zum inneren Gebäudekomplex, von Vermögenswerten jeglicher Art und sämtlichen Betriebsanlagen überall in diesem beeindruckenden Hotelkomplex.
Weitergehende Informationen erhalten Sie im Anhang oder ONLINE unter www.TRAKA.de
Mit freundlichen Grüssen

Friedel Hacker (GF)

TRAKA – intelligent access management
www.TRAKA.de
+49/2633/200360

February 12th, 2009

Posted In: algemeen

Goedemiddag collega’s, vrienden. Ik voel me gevleid dat jullie allemaal de moeite hebben genomen om mij te komen uitzwaaien. Dank daarvoor. Het is wel een samenzijn, dat ik zelf met gemengde gevoelens beleef. Want de schaduwzijde van een nieuwe, interessante baan is dat je een andere organisatie verlaat. En in deze organisatie werk ik nu al bijna 7 bepaald niet kalme jaren. In zo’n periode groeit je verbondenheid met de collecties, met de plek en vooral met de mensen die er werken. Mensen die het mij en elkaar lang misschien niet altijd even makkelijk gemaakt hebben, maar waarmee we uiteindelijk een museum gemaakt hebben dat ik met een gerust hart achter durf te laten. Natuurlijk is er nog veel te doen, maar dat zal altijd zo blijven. Voor mij is het nu een natuurlijk moment om verder te gaan.

Had u me 7 jaar geleden gevraagd waar ik mijn afscheidsspeech, dit verhaal dus, over zou houden, ik had niet kunnen voorspellen waar het over zou gaan. Onderwerpen als ethiek en wetenschap had ik waarschijnlijk niet op mijn lijstje gezet. En ik had al helemaal niet durven voorspellen dat dat in een Tempelzaal zou zijn die gevuld is met Irakese en Nederlandse moderne kunst. Dat laat zien dat ikzelf én het RMO sterk veranderd zijn in de afgelopen jaren.
Toen ik met Wim Weijland sprak over hoe dit afscheid eruit zou moeten zien, zei hij meteen dat het a) inhoudelijk moest zijn, b) dat ik er zelf een serieus verhaal moest houden en c) dat dat in ieder geval ook over wetenschappelijke samenwerking en ethiek moest gaan. Mocht u alleen gerekend op de inname van geestversterkende middelen en klachten hebben over de inhoud van het programma en had u kunt u uw beklag doen bij de directeur van deze instelling .

In de afgelopen periode had ik sporadisch even tijd om na te denken over verleden en toekomst. Er waren een paar onderwerpen die ik van belang vind om aan de orde te stellen: bijvoorbeeld de samenwerking met de universiteit Leiden, de verantwoordelijkheid die internationale archeologische projecten met zich meebrengen en de ethiek van de internationale handel in kunst en oudheden. Maar ik zocht een gemeenschappelijke invalshoek voor deze op het oog verschillende onderwerpen.
Toen ik tot mijn teleurstelling hoorde dat de Eerste Kamer in december besloten had om het wetsvoorstel voor de invoering van de Unesco conventie 1970 aan te houden en dat dit wetsontwerp mogelijk van tafel gaat, vond ik mijn gemeenschappelijke noemer voor dit verhaal: FAIR TRADE, eerlijke ruil . Voor alle zekerheid: deze nieuwe wet beoogt om onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen te voorkomen en te bestrijden.

Ik begin dan toch maar even met het perspectief verschuivende beeld dat ik mij in de afgelopen jaren geregeld voor de geest heb gehaald: een archeologische opgraving van de grafheuvels op de Hilversumse hei door een groep archeologen uit –laten we zeggen- China, maar het mag van mij ook Zambia of El Salvador zijn, die, met hulp van lokaal ingehuurde arbeid , kennis over het verleden aan onze bodem proberen te ontfutselen. Die hun bevindingen en misschien wel sommige vondsten vervolgens meenemen naar hun thuisland en daar –al dan niet na zeer lange tijd- in het Chinees of Russisch over publiceren in meer of minder obscure tijdschriften of in kostbare boeken waar een bibliotheek als bijvoorbeeld die van het RMO alleen maar van kan dromen…… Zouden wij dat een eerlijke ruil vinden? Ik denk van niet en toch is dat lang de praktijk van de internationale archeologie geweest en is dat in sommige gevallen nog. En dat we het eigenlijk vaak niet raar vinden, als wij –en dan bedoel ik wij Westerlingen- zo handelen, zegt iets over ons wereldbeeld. Ik vind overigens dat het RMO het als opgravende instantie behoorlijk goed doet: we gaan goed om met de lokale erfgoedinstanties, we pompen geld in de economie, we publiceren relatief veel en snel en we zorgen goed voor onze sites. Met name de site in Sakkara is in de afgelopen jaren uitstekend geconserveerd . Maar dat neemt niet weg dat we het ook raar zouden vinden als buitenlanders netjes bij ons zouden opgraven.

Ik had een tijdje geleden nog zo’n ‘aha-erlebnis’ toen ik een aantal stukken van de Ghanese intellectueel Kwame Opuku op de Museum Security List, de e-mail nieuwsdienst van Ton Cremers , las. Opuku stelt vragen bij de spelregels die vooral Westerse landen hebben opgesteld ten aanzien van legaliteit en illegaliteit van archeologische objecten buiten hun land van herkomst. Het Unescoverdrag uit 1970 dat ik al eerder noemde, wordt steeds vaker gehanteerd als een soort waterscheiding: erfgoed dat voor die datum uit zijn context verdwenen is legaal, daarna is het verboden. Opuku betoogt dat het toch eigenlijk bizar is dat degenen die het meeste erfgoed gestolen hebben, de regels aangaande rechtmatigheid daarvan opstellen. Hij gebruikt vaak het voorbeeld van de zgn. Benin bronzes, bronzen beelden uit Benin , die een eeuw geleden door Engelse koloniale strafexpedities met veel geweld van de bevolking van Benin gestolen zijn, en wel in zo’n omvang dat deze beeldbepalende elementen van hun cultuur in belangrijke mate verdwenen zijn uit hun eigen land. Verliezen de Beninezen, Beniners? het recht op deze voorwerpen omdat degenen die ze gejat hebben regels hebben opgesteld die het bezit legaliseren? Is dat een eerlijke ruil?
Het gaat mij er niet om of ik het wel of niet met Opuku eens ben, maar ik vind zijn vragen wel valide. Is het eigenlijk niet een beetje of een beetje boel arrogant om eenzijdig te verklaren dat je van het “universal heritage” bent, zoals ons eigen Rijksmuseum samen met b.v. het British Museum, het Louvre, The Metropolitan en nog zo’n clubje “haves” gedaan heeft om daar vervolgens de conclusie uit te trekken dat je er “for the benefit of mankind’ bent en je dus eigenlijk nooit iets hoeft terug te geven aan wie dan ook? En hoewel ik eigenlijk ook vindt dat de geschiedenis de geschiedenis is en dat je die niet kunt of moeten willen terugdraaien, vraag ik me af en toe af of ik dat ook zou vinden als ik een “have not” zou zijn. We wachten immers nog altijd op het eerste “Universal museum” in Togo, Tibet of Peru.
Het lijkt me principieel juist dat op zijn minst degenen waar het over gaat aan de tafels zouden moeten zitten waar besloten wordt over hun verleden. Ik kan me in ieder geval niet voorstellen dat wij het in Nederland een goed idee zouden vinden als Duitsers of Chinezen zouden bepalen op welke archeologische schatten wij recht zouden hebben. Ik vind in ieder geval wel dat een zichzelf respecterend land internationale regels over bescherming van erfgoed behoort in te voeren, ook al zijn de regels misschien niet helemaal perfect. Ik vind zelfs dat we ons in Nederland ervoor moeten schamen dat we er sinds 1970 nog niet geslaagd zijn te doen wat inmiddels 116 landen in de wereld wel hebben gedaan: het ratificeren en invoeren van het UNESCO-verdrag. Dat lijkt me wel het meest basale niveau van Fair Trade dat we zouden moeten willen nastreven. Alle prachtige juridische betogen van de Eerste Kamer ten spijt: ik kan me niet voorstellen dat ons Nederlandse rechtssysteem zo wezenlijk anders is als dat van al die 116 andere landen die er wel in geslaagd om dit verdrag in hun nationale wetgeving in te voeren.
Ik probeer me ook wel eens voor te stellen dat de wereld perfect zou zijn en vraag me dan vervolgens af hoe het in die wereld zou zitten met erfgoed? Los van het onderdrukken van een geeuw die voortkomt uit de saaiheid die ik met een perfecte wereld associeer, denk ik dat de beelden van een perfecte erfgoedwereld sterk afhankelijk zijn van je perspectief. Er zijn ongetwijfeld mensen die geloven dat in een ideale wereld alles van belang bewaard blijft en dan liefst ook nog in zijn oorspronkelijke context, zodat je eigenlijk precies kunt weten hoe het verleden, hoe onze voorgangers in elkaar zaten. Ik hoor niet tot die mensen: in de eerste plaats wil ik me niet voorstellen hoeveel spullen we dan als mensheid achter ons aan zouden slepen, maar mijn gut feeling zegt me dat we waarschijnlijk onder de last zouden bezwijken. En hoe aardig is het eigenlijk niet dat ik hier, in het hart van een Hollandse stad aan een 17e eeuwse gracht, voor een echte Egyptische tempel sta te praten? Daarbij vind ik het helemaal niet leuk om alles met zekerheid te weten. Eén van de aspecten die ik altijd spannend heb gevonden aan historische wetenschappen is dat je op basis van onvolledige informatie een beeld mag creëren van het verleden. Een beeld dat overigens vaak minstens zoveel zegt over de beeldvormer als over de werkelijkheid van dat verleden en waarover je met elkaar gepassioneerd van mening mag verschillen. Bovendien zorgt die onzekerheid ervoor dat we wetenschappers nodig hebben die kennis genereren en die als intermediair op kunnen treden tussen heden en verleden. En wetenschap is leuk –zeg ik als niet-wetenschapper- omdat het je dwingt om goed na te denken, om gedisciplineerd onderzoek te doen en tot kritische zelfreflectie: namelijk wat zegt mijn beeld van het verleden over mij en klopt dat beeld dus wel? Een gelijkwaardige ruil dus tussen ideeën en standpunten.

Ik vind het altijd fascinerend om goede wetenschappers te horen vertellen over hun bevindingen, over de manier waarop ze omgaan met de fair trade tussen feit en theorie. Zo zal de ene wetenschapper –wel correct, maar ook wel saai- zeggen dat we bijvoorbeeld niets weten over het al dan niet collectieve plasgedrag van vrouwen in de prehistorie, terwijl andere –ik noem geen namen – er geen enkele moeite mee hebben om daar in nationale media een beeld van te schetsen. Dirk van Delft, directeur van museum Boerhaave , vertelde bij zijn recente inauguratie als prof aan de universiteit alhier het verhaal van een uitvinding waaruit geconcludeerd mocht worden dat niets menselijks wetenschappers vreemd is. IJdelheid, brille, domheid, onbaatzuchtigheid: het komt allemaal voor. Behalve dat het een mooi verhaal was, illustreerde het ook hoe een andere invalshoek, in dit geval die van de verwerving en verwijdering van een voorwerp uit de vaste opstelling van museum Boerhaave, een heel nieuw soort verhaal op kan leveren over de geschiedenis van de wetenschap. En dat is precies één van die dingen die de samenwerking tussen wetenschappelijk wereld en musea zo veelbelovend maken. Wetenschappers maken de verhalen die musea beleefbaar kunnen maken, door er een veel groter en breder publiek voor te vinden dan een wetenschappelijk artikel ooit zal kunnen hebben. Musea –en zeker de Leidse musea- kunnen een etalage zijn voor de wetenschap.
Dan moeten wetenschappers overigens wel willen accepteren dat niet elke voetnoot en nuance zichtbaar kan worden in presentaties voor een niet-wetenschappelijk publiek en moeten tentoonstellingsmakers willen accepteren dat “het publiek” niet zo dom is als ze soms lijken aan te nemen en dat het misschien ook niet zo erg is als niet iedereen alles snapt. Een eerlijk ruil dus tussen inhoud en communicatie.

Eén van de interessantste dingen aan mijn 7 jaar in dit museum is dat er door de omstandigheden een grote diversiteit aan strategieën, visies en ideeën over het optimale functioneren van musea en van het RMO in het bijzonder, de revue zijn gepasseerd. Die hebben mij geholpen om mijn ideeën over musea te ontwikkelen. Toen ik in 2002 bij het RMO kwam, kreeg ik soms het idee dat wetenschap eigenlijk een niet gewenste museale activiteit gevonden werd of sterker nog, dat wetenschap een hinderpaal was bij het bereiken van een groot publiek. Deze strategie was een behoorlijk succes: in aantallen bezoekers en bijvoorbeeld ook de nominatie voor Museum of the Year in 2003 . Maar financieel bleek deze strategie voor het RMO onhaalbaar en geld is helaas een noodzakelijk kwaad.
Daarna volgde een periode waarin we om financiële redenen heel weinig konden veroorloven. Dat had ook positieve kanten omdat er veel tijd en aandacht besteed kon worden aan het werk achter de schermen, maar het had ook weer zo zijn beperkingen: je moet als 21ste eeuws museum nu eenmaal geregeld nieuwe dingen bieden, communicatiemomenten creëren die ervoor zorgen dat je als museum goed in het hoofd van je potentiële bezoekers zit. En bovendien moet je het instrumentarium –de marketing en PR- om in het hoofd van je publiek te komen goed gebruiken, waarin het RMO overigens steeds opnieuw goed in lijkt te slagen.
In de meer recente jaren hebben we creatief gebruik gemaakt van de beperking dat we ons financieel geen grote risico’s konden veroorloven, maar toch wel de ergste crisis te boven waren gekomen. Onder Wim’s leiding is een waar spervuur aan activiteiten ontwikkeld: en ook dat werkt en het levert vergelijkbare bezoekersaantallen op als in de eerste periode. Waarschijnlijk is voor het RMO een fysiek publieksbereik van 100 à 125.000 bezoekers dan ook een reëel bereik. Het is ook het gemiddelde van de afgelopen 20 jaar, ongeacht de strategie die gevolgd werd. En natuurlijk kun je op je hoofd gaan staan en er proberen er 150.000 van te maken. Maar ik vraag me oprecht af wat daarvan de werkelijke betekenis is. Ik vraag me bijvoorbeeld af hoeveel bezoek het Drents Museum gehad heeft sinds de terracotta Chinezen daar vertrokken zijn. Ik weet het oprecht niet en- begrijp me goed: ik gun onze collega’s het succes zeer, fantastisch gedaan- maar ik ben bang dat ze hun bezoek voor de komende twee jaar gekannibaliseerd hebben. Ik weet niet of ik dat een verstandige ruil tussen de korte en de langere termijn vind.

Ik denk daarbij sowieso dat het verstandig is om een optimum te zoeken tussen inspanning, qua geld en qua organisatiebelasting, en publieksbereik. Musea gaan immers over veel meer dan alleen aantallen bezoekers die fysiek over de drempel van het museumgebouw komen. Je kunt je bijvoorbeeld afvragen of je met iets minder activiteiten, die je nog wat beter uit probeert te nutten, niet tijd en energie over kunt houden om nieuwe wegen te bewandelen om publiek aan je te binden.

Volgens mij is het voor musea interessanter om te proberen om alternatieve communicatie met je bezoekers, vooral via je digitale of multimediale kant te ontwikkelen. In dat opzicht hebben we in het RMO wel wat stappen gezet in de afgelopen jaren. Hoogtepuntje was bijvoorbeeld dat onze nieuwe website vorige week bekroond werd door het Historisch Nieuwsblad, als beste historische website! Maar we zijn nog niet veel verder gekomen in de ontwikkeling van digitale toepassingen die op een werkelijk betekenisvol niveau communicatie met publieksgroepen mogelijk maken. Dat komt m.i. ook doordat publieksactiviteiten als tentoonstellingen zoveel energie en aandacht vragen dat er als vanzelf minder overblijft voor het ontwikkelen van nieuwe strategieën die ook op de langere termijn het bestaansrecht van musea bewijzen. Een verstandige uitruil tussen traditionele en nieuwe middelen van publiekbenadering lijkt me van belang.
Ook op andere museale taakgebieden is er steeds een eerlijk en verstandig evenwicht nodig. Toen ik hier in 2002 begon, was het RMO nog betrekkelijk voorzichtig bezig met de professionalisering van de fysieke en administratieve zorg voor de collectie. Nu vorige maand eindelijk ook ons nieuwe depot in de Raamsteeg is opgeleverd , hebben we eindelijk de beschikking over een geheel aan deugdelijke depotvoorzieningen. Ook is het cluster collectiezorg, zoals ik dat ben gaan noemen, sinds 1 januari op een sterkte die beter past bij de omvang en het belang van de collecties en het activiteitenpakket. En we zijn bijna zover dat we de inhoudelijke informatierijkdom van ons collectieregistratiesysteem via internet ook met de wereld gaan delen. Er valt natuurlijk nog veel te doen, nog lang niet alles is af, maar ik ben er trots op wat we met en klein clubje gemotiveerde collectiezorgers bereikt hebben.

Dan de ethiek. Toen ik begon had ik me volstrekt niet gerealiseerd dat we in de dagelijkse praktijk zo vaak tegen issues zouden aanlopen: oorlogskunstcollecties , omstreden tentoonstellingen, metaaldetectie, al dan niet illegaal verhandelde kurassen, gestolen en valse voorwerpen, restauratie-ethiek, zorgvuldige omgang met menselijke resten, enzovoort, enzovoort.
In tegenstelling tot wat sommige denken, zijn deze onderwerpen niet mijn hobby en heb ik weinig natuurlijke neiging tot moraalridderij. Maar het zijn eenvoudigweg onderwerpen waarmee je te maken krijgt en waarmee je moet dealen. Je kunt wel de andere kant op willen kijken, maar dan word je vanzelf ingehaald door anderen die voor jou de agenda gaan bepalen. En als je er dan toch mee aan de slag moet kun je net zo goed het initiatief bij jezelf houden, zoals we in het project Verboden te verzamelen? hebben gedaan en met de recente launch van de website museumethiek.nl . Deze projecten zijn voor mij het bewijs dat je niet alleen ingewikkelde of controversiële dingen gewoon op moet pakken, maar ook dat je er inhoudelijk en voor je publiek spannende dingen mee kan doen.

Ik ben daarnaast enorm blij dat we in Leiden, met de musea en de universiteit, een mooie vorm gevonden lijken te hebben om het academische onderwijs en debat op dit gebied serieus op te pakken: met de nieuwe masteropleiding Museums Collections and Cultural Politics. Een echte samenwerking en een eerlijke ruil. Ik wil hier mijn Leidse collega’s, in de musea en bij universiteit van harte bedanken voor de warme en stimulerende samenwerking.

Als ik dit allemaal zo loop te vertellen, vraag ik me af waarom ik eigenlijk wegga. Dit zijn tenslotte allemaal zaken die ik bij het RMO heb kunnen en mogen ontwikkelen. En dat is ook wel iets waar ik dankbaar voor ben. Tegelijkertijd heb ik, hebben we er verdomd hard voor gewerkt en is er dus misschien ook hier sprake van een eerlijke ruil tussen inzet en opbrengst.

Zal het in Amsterdam bij de Universiteit leuker voor me zijn dan in Leiden? Ja en nee. Soms wel en soms vast ook niet. Het is een geweldige kans voor mij om op een fantastische plek met een nieuwe erfgoedorganisatie met prachtige collecties en met een enorme potentie aan de slag te gaan. En ook daar zie ik dat er enorm gedreven mensen werken met liefde voor erfgoed en een passie voor hun vak. Ik heb er erg veel zin in om volgende week te beginnen. En af en toe zal het vast ook gewoon op werk lijken. Of het voor mij een eerlijke ruil zal blijken? Ik zal het jullie laten weten!

Tot slot. Wat wij hier samen hebben opgebouwd kan niemand ons meer afnemen. Ik hou mezelf nog een beetje voor de gek door te denken dat ik nog eigenlijk niet echt weg ben. Morgen kom ik nog opruimen en daarna mag ik mijn opvolger nog inwerken en daarna doen we vast nog allerlei projecten samen en ik kom natuurlijk op alle feestjes en en en..
Ja, mijn opvolger. Ik ben blij dat het RMO zo’n goede, ervaren en verstandige museumman als Pieter ter Keurs heeft kunnen vinden voor mijn plek. Dat maakt dat ik met een nog geruster hart in Amsterdam zal beginnen. Ik zie er naar uit om Pieter wegwijs te maken en gun de afdeling Collecties zo’n nieuwe baas.

Ik wil tot slot alle collega’s van de afdeling Collecties en van het RMO enorm bedanken voor de afgelopen jaren . Jullie zijn een deel van mijn leven geworden. Het ga jullie goed en we zien elkaar hopelijk nog vaak terug!

Met vriendelijke groet,

drs. S(teph) C. Scholten
hoofd Collecties/head of Collections dpt.
Rijksmuseum van Oudheden/National Museum of Antiquities

Postbus/P.O. Box 11114
2301 EC Leiden
The Netherlands
+31-(0)71-5163130
+31-(0)6-54321367
www.rmo.nl

aanvullend:

Steph Scholten nieuwe directeur Divisie Erfgoed
Gepubliceerd op 18 november 2008

Per 1 februari 2009 wordt drs. Steph Scholten (1961), momenteel nog hoofd Collecties en plaatsvervangend directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, directeur van de Divisie Erfgoed van de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Scholten volgt Judith Belinfante op, die eind 2008 haar functie neerlegde wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

De Divisie Erfgoed is eerder dit jaar gevormd door samenvoeging van de afdelingen Bijzondere Collecties UB, Universiteitsmuseum en Allard Pierson Museum. Al deze eenheden maakten al deel uit van de UB, waarin ook de nieuwe divisie blijft ressorteren. De divisie is direct of indirect verantwoordelijk voor alle materialen en collecties die als deel van het universitaire erfgoed kunnen worden beschouwd. Die lopen uiteen van de oude drukken van de UB en de archeologische collecties van het APM tot de archieven van Amsterdamse Studentendisputen, het Computermuseum en de decentrale collecties.

Steph Scholten is al zo’n 20 jaar werkzaam in de culturele sector. Begin jaren ‘90 was hij betrokken bij het befaamde Deltaplan voor Cultuurbehoud, waarbij de Nederlandse Overheid maar liefst 40 miljoen gulden beschikbaar stelde voor conservering van ons nationale erfgoed. Dit resulteerde onder meer in Scholtens lidmaatschap van de projectorganisatie Metamorfoze. Ook stond hij aan de wieg van het rapport Om het Academisch Erfgoed en daarmee van de Stichting Academisch Erfgoed, waarvan de UvA een van de oprichters is.

Later werkte Scholten bij Instituut Collectie Nederland, eerst als beleidsadviseur, later als hoofd van de afdeling Conserveringsonderzoek.

De UvA is bijzonder verheugd dat zij Steph Scholten voor deze uitdagende functie kan benoemen. De nieuwe huisvesting van de Bibliotheek Bijzondere Collecties aan de Oude Turfmarkt en de integratie van alle erfgoedcollecties binnen één organisatie maken een nieuwe oriëntatie mogelijk en noodzakelijk. Scholtens kennis en ervaring sluiten uitstekend aan bij de diverse aspecten van de divisie. Hij zal zeker in staat zijn de vele mogelijkheden die er zijn om het UvA erfgoed ‘aan de man’ te brengen, te benutten.

January 30th, 2009

Posted In: algemeen

volledige tekst: http://www.museum-security.org/?p=1178

January 24th, 2009

Posted In: algemeen

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl/2009/01/18/watermist-sprinklers/

January 19th, 2009

Posted In: algemeen

lees de hele tekst van Percy Flage op:

http://www.museum-security.org/?p=1050

January 13th, 2009

Posted In: algemeen

Boeiende, emotionele en soms humoristische tekst van Steve Keller over David Liston te lezen op:

http://www.museum-security.org/?p=1020

Boeiende, semorionele en soms humoristische tekst van Steve Keller over David Liston te lezen op:

http://www.museum-security.org/?p=1020

Boeiende, semorionele en soms humoristische tekst van Steve Keller over David Liston te lezen op:

http://www.museum-security.org/?p=1020

January 10th, 2009

Posted In: algemeen

Zie het artikel op www.museum-security.org

January 7th, 2009

Posted In: algemeen

At http://www.artinfo.com/news/story/29907/2008-in-review-art-crimes-of-the-year/?page=1 mr. Charney repeats platitudes about the scope of art crime. Nothing new to report, just a repetition: “Most people assume that art crime consists of only a handful of museum heists each year; in actuality, it has become the third-highest–grossing world criminal trade over the past 40 years, regularly perpetrated by or on behalf of organized crime syndicates and used to fund other illicit activities, such as drugs or arms trades”. Most people? One wonders how Mr. Charney knows what ‘most people’ think. Too bad Charney restricts himself in his 2008 review to only a handful heists – yes, exactly 5 heists – without any factual information to support his opinion about what most people think.

Referring to map thief Farhad Hakimzadeh who was arrested November 2008 for having stolen circa 150 rare maps and manuscripts from the British and Bodleian Libraries mr. Charney really mixes up fact and fiction and gets trapped in his own excitement:
“Hakimzadeh is a perfect exception to the rule stated zealously by many art police — that in real life, there are no Thomas Crowns or Doctor Nos. Authorities try to extinguish the fictional concept of art crime, because it distracts from the true severity of the act and stands in the way of their investigations, but every now and then, a Thomas Crown creeps out of the celluloid and into real life — reminding us that, like it or not, there is sometimes a certain romance attached to art crime.”

Daring statements by Charney, but Farhad Hakimzadeh by no means is a perfect exception to this non-existing rule. There are many, too many, examples of thieves who steal without intention to sell stolen objects. There is no ‘rule zealously stated by many art police’ that stealing for the mere desire to possess items is exceptional. There is another rule stated zealously and most rightfully by police and scientists: there are no examples of theft to order by collectors who want – like Dr. No – enjoy stolen objects secretly on a deserted island (or in the basement). THAT is a celluloid fantasy and not real life.

Charney’s statements that “art thefts may certainly be sexy to read about” and “there is sometimes a certain romance attached to art crime” tells a lot about himself and nothing about art theft as a criminal activity. One wonders if Charney still regards artcrime sexy and romantic when thieves come and visit his home and steal his books and paintings.

Charney loves hyperbolic descriptions to authorize his fantasies “thousands of objects worth tens of millions of dollars are stolen from archives each year in the United States alone”. He even knows how this is possible “rare book archives and libraries are dismayingly under-protected, and archive theft is perhaps the simplest of art crimes”. Rare book archives? Is this a mixture of archives and rare book collections? Archive theft an ART crime? Wake up Noah, try and be a bit more precise in your texts and stop embarrassing your (London) university professor.

Archive theft the simplest of art crimes? This seems an invitation on behalf of Charney for all potential thieves. Let them be aware. It is not as easy as Charney states. The arrest of several map and document thieves – both outsider and insider thieves – the past years shows that it is not that easy and that theft of maps, documents and books can be quite tricky.

Those who want to become real experts in the field of art crime can attend a course organized by Charney. For just $ 20,000.00 – Charney’s tariff too is quite hyperbolic – Charney will supply you with a certificate.

Ton Cremers

Museum Security Network / Museum Security Consultancy
toncremers@museum-security.org
http://www.museum-security.org
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl/
http:///www.toncremers.nl
http://groups.google.com/group/museum-security-network
http://groups.google.com/group/library-security-and-safety

January 2nd, 2009

Posted In: algemeen

Dear Museum Security Network subscribers,

We started this list December 1996, so this month we ‘celebrate’ our 12th anniversary. For those of you interested in going back to the beginning we invite you to visit the December 1996 – April 2003 archives at:
http://www.museum-security.org/artcrime.html

April 2003 I forwarded a Pravda, Moscow, report about the war in Iraq with which quite a few of our American subscribers were not pleased at all. This evoked too many unpleasant e-mails as if I were the author of this report. A worrying experience since the almost unlimited freedom of speech in my view is one of the great advantages of the Internet. Nowadays even in the USA it has become every day practice to question this war (as all wars ought to be questioned). Anyway: April 2003 I decided to change the list in a non-moderated list and step somewhat to the background as moderator of the list. Very soon this appeared to be a wrong decision for some of those who fiercely disagreed with the Pravda report started to spam the list. For a little over a week war really hit the list.

The April 2003 – May 2008 archives are available at:
http://te.verweg.com/pipermail/msn-list/

The mailing list used to be hosted for free at a server at my son’s work. As he changed jobs May this year we needed to find a new solution:

so, since May 2008 the list-archives are located at:
http://groups.google.com/group/museum-security-network

All together these three archives contain thousands of messages.

HAPPY 2009 to all of you,

Ton Cremers

Museum Security Network / Museum Security Consultancy
toncremers@museum-security.org
http://www.museum-security.org
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl/
http:///www.toncremers.nl
http://groups.google.com/group/museum-security-network
http://groups.google.com/group/library-security-and-safety

December 28th, 2008

Posted In: algemeen

This content is password protected. To view it please enter your password below:

December 19th, 2008

Posted In: algemeen

Lees de volledige tekst op de Museum Security Network Google Group

December 3rd, 2008

Posted In: algemeen

http://groups.google.com/group/museumbeveiliging/browse_thread/thread/9c76aff176654d7c?hl=en

November 27th, 2008

Posted In: algemeen

GPS werkt namelijk alleen wanneer er een constant gegarandeerde elektrische voeding is. Deze voeding wordt normaal gesproken gerealiseerd via een batterij die dan afhankelijk van de polling frequentie binnen enkele dagen of maximaal een week geladen/vervangen moet worden of via een constante voeding, zoals via de accu van een (vracht)wagen. Een andere mogelijkheid is de voeding constant te houden via zonnecellen. De polling frequentie mag dan niet te hoog zijn omdat er anders te veel zonnecellen nodig zijn. Nadeel van die GPS, ongeacht hoe hij gevoed wordt, is dat de omvang zodanig is dat dieven hem makkelijk kunnen vinden en verwijderen. In de pers mededelen dat GPS overwogen wordt is niet de slimste zet die gemaakt kan worden tenzij hier slechts sprake is van bluf. Het verzekeren van de beelden beschermt ze niet. Wanneer de kans op diefstal zeer groot is, dan zal de premie er ook wel naar zijn.

Ton Cremers

November 16th, 2008

Posted In: algemeen

Interview met Ton Cremers in Beveiligingstechniek (uitgave SDU) over musea en beveiligingstechniek:

http://groups.google.com/group/museum-security-network/browse_thread/thread/fa8e2163bfa9d789#

November 15th, 2008

Posted In: algemeen

Het is in strijd met het normenprincipe om te proberen normen te formuleren voor afwijkende situaties. De grote variatie aan collecties leidt al heel snel tot afwijkende eisen. Het maakt namelijk heel veel uit of er sprake is van de voor streekmusea en oudheidkamers kenmerkende collecties of van collecties op het niveau van het Mauritshuis. Voor wat betreft de gebouwen, de elektronica en elektriciteit, de brand- en omroepinstallaties, de vluchtdeuren en de noodverlichting zijn de reeds bestaande normen toereikend. Wanneer het gaat om de bescherming van de collectie zal op basis van maatwerk en prestatie-eisen het juiste niveau moeten worden bepaald. Het heeft nu eenmaal geen zin voor unieke situaties normen te formuleren.

lees volledige tekst

November 11th, 2008

Posted In: algemeen

De Waarde van normen

Inhoud

MUSAVE
Normen: het wiel opnieuw uitvinden
Wat willen we voor de beveiliging van musea genormeerd hebben?
Zijn de musea zo specifiek dat er afzonderlijke normen voor vastgesteld moeten worden?
Museumnormen voor de beveiliging van de musea onmogelijk?

MUSAVE

Na de geruchtmakende inbraken eind jaren 80, begin jaren 90 in het Kröller Müller Museum, het Van Goghmuseum en het Stedelijk Museum Amsterdam verstrekte het ministerie van justitie een opdracht tot onderzoek naar de veiligheidszorg van Nederlandse musea. Over dat onderzoek werd in 1992 gerapporteerd. Uit dat rapport kwam o.a. naar voren dat de beveiliging van musea zich voornamelijk beperkte tot elektronica maar dat de organisatorische kant van de beveiliging daar ver bij achterbleef. Aan de bouwkundige kant van de beveiliging werd in het rapport uit 1992 beperkte aandacht besteed.

Naar aanleiding van de rapportage over de veiligheidszorg in de musea zette de toenmalige directeur van de Nederlandse Museumvereniging (NMV) Manus Brinkman een commissie Veiligheidszorg op onder leiding van Rik van Koetsveld, destijds nog zakelijk directeur van het Mauritshuis. In die commissie namen onder andere ook Gerard de Baay (hoofd publiek Openluchtmuseum Arnhem), Ton Cremers (hoofd beveiliging Rijksmuseum), Adri Voermans (Ministerie Binnenlandse Zaken) en Mart van der Sterre (Museumconsulent Zuid-Holland) plaats.

Uit die commissie kwam een werkgroep voort die zich ging buigen over de mogelijkheid de veiligheidszorg van individuele musea te auditen. Ter ondersteuning van die werkgroep stelde de NMV Carla van Buren aan als projectmedewerker. De werkzaamheden van de projectgroep resulteerde na enkele jaren in het softwareprogramma MUSAVE (Museum Standaard Audit Veiligheidszorg) aan de hand waarvan de musea zelfstandig hun veiligheidszorg konden doorlichten. De totstandkoming van dit softwareprogramma werd technisch ondersteund door KPMG.

Die eerste versie van MUSAVE verscheen destijds op drie floppies samen met een Handboek veiligheidszorg voor musea. Deze versie bestond uit een vragenlijst van ongeveer 1200 vragen. Helaas bleek slechts een zeer beperkt aantal musea te beschikken over de hardware om dit – voor die dagen – zware programma te gebruiken. Enkele jaren later maakte ondergetekende op verzoek van de nieuwe directeur van de NMV, Annemarie Vels Heijn, een update van MUSAVE. Deze tweede versie verscheen op CD en de vragenlijst werd gestroomlijnd en ingekort tot circa 600 vragen.

MUSAVE was gebaseerd op het zogenaamde preventiewiel waarbij de veiligheidzorg wordt gezien als de integratie tussen Visie en Beleid, Organisatie, Voorzieningen (bouwkundig en elektronisch) en Bedrijfscultuur (o.a. opleidingen en trainingen). MUSAVE had daarmee een standaard (= norm) voor de Nederlandse en Belgische museumwereld kunnen worden. Echter, slechts een zeer klein aantal musea maakte gebruik van het programma. Mogelijk werd dit veroorzaakt doordat kleine musea het gevoel hadden dat MUSAVE een te zwaar gereedschap was en omdat grote musea meenden het programma niet nodig te hebben. Zonde van een investering door meerdere ministeries destijds van meer dan 150.000 guldens.
Nu, in 2007/2008, promoveert de verzekeringsmaatschappij AXA onder de naam GRASP een audit programma met 1200 vragen dat qua systematiek veel op MUSAVE lijkt. Er is echter een belangrijk verschil: AXA maakt gebruik van auditors die met de vragenlijst op pad gaan en musea en commerciële depots/transporteurs auditen. Media jaren 90 was dat ook het plan met MUSAVE, maar daar was geen geld voor. Hier ligt ook een van de mogelijke oorzaken voor het beperkte succes van MUSAVE: de musea hadden niet het programma moeten hebben, maar hadden bezocht moeten worden door met MUSAVE vertrouwde auditors.

Volgens de huidige directie van de Museumvereniging is MUSAVE ‘achterhaald’ (mail aan mij anderhalf jaar geleden). Teleurstellende constatering wanneer nu blijkt dat AXA dezelfde systematiek hanteert bij het auditen van klanten uit de erfgoedsector. De systematiek van MUSAVE – de vragenlijst moet op enkele onderdelen geactualiseerd worden – kan ook nu nog als norm gelden voor de veiligheidszorg van musea. MUSAVE was niet alleen een eerste poging tot normering van de beveiliging van musea, maar zonder enige twijfel ook een zeer verdienstelijke poging.

Normen: het wiel opnieuw uitvinden

De museumwereld werkt als het gaat om duurzaam behoud en beheer al jaren met ‘normen’ die internationaal geaccepteerd en gehanteerd worden, maar die niet werkelijk in officiële nationale en internationale normen vastliggen. Denk hierbij aan standaard temperatuur, relatieve vochtigheid en lichtwaarden. Voor wat betreft de klimaatbeheersing zijn recent ontwikkelingen gaande die meer uit gaan van een maatwerkbenadering op basis van gebouwspecifieke eigenschappen.

Voor de beveiliging van musea bestaan geen museumspecifieke normen. Daar wordt de laatste jaren wel keer op keer naar gevraagd, o.a. door Danielle Lokin tijdens de presentatie van DICE, de database incidenten cultureel erfgoed, in Hoorn enkele jaren geleden.

In Nederland zijn ongeveer 1200 organisaties die zich museum noemen. Van die 1200 organisaties is circa 30% geregistreerd als museum. Van de geregistreerde musea beheert slechts een minderheid collecties die eigendom zijn van stedelijke, provinciale of rijksoverheden. Alle andere collecties zijn eigendom van stichtingen of particulieren.

De musea verschillen onderling heel sterk zowel qua juridische constructie als qua omvang, organisatie encollectie. Een ruime meerderheid van de musea wordt gedeeltelijk of vaak zelfs geheel op basis van de inzet van vrijwilligers overeind gehouden. HET museum bestaat niet. ‘Museum’ is een containerbegrip waaronder onderling sterk verschillende organisaties vallen. Wanneer HET museum niet bestaat is het ook niet mogelijk DE museumnorm vast te stellen anders dan een beperkt aantal vereiste basisvoorwaarden.

Museumspecifieke normen vast te stellen die voor alle musea gelijkwaardig gelden zij tegenstrijdig met het zeer diverse karakter van de musea. Extreem gesteld: het Rijksmuseum in Amsterdam is een museum, maar het Museum Bosdom van Vliet in Haastrecht ook. Er zijn meer overeenkomsten dan verschillen. Domies Toen (de tuin van de dominee) in Pieterburen, een historisch tuin met alleen een klein theehuis is een geregistreerd museum. Gelden daar dan ook dezelfde normen op het gebied van beveiliging voor?
Wat willen we voor de beveiliging van musea genormeerd hebben?

De vraag naar normen voor de beveiliging van musea is vanaf 2000 opnieuw actueel geworden nadat zich inbraken voordeden in het Frans Halsmuseum, het Museon, het Van Goghmuseum en het Westfries Museum.

Daarnaast is de vraag ontstaan naar normstelling van de brandveiligheid van museale collecties sinds de branden in enkele musea afgelopen jaar. Er is door een brandexpert zelfs gepleit voor brandveiligheidregelgeving gericht op collecties van musea. Deze zelfde expert hield overigens enkele maanden eerder een pleidooi voor vermindering van de regelgeving. De roep om brandveiligheidsnormen voor museumcollecties toont onkunde met het museumveld aan. Het is onmogelijk wettelijk regels voor museumcollecties vast te leggen anders dan voor collecties die onder dat wettelijk toezicht vallen: de overheidscollecties. De archiefwet geldt immers ook alleen voor overheidsarchieven en niet voor particuliere archieven. Daarnaast, zie hierboven, is het slechts zeer beperkt haalbaar, of misschien zelfs onmogelijk, beveiligings- en veiligheidsnormen vast te stellen die voor alle musea gelden omdat die musea nu eenmaal onderling te veel verschillen.

Zijn de musea zo specifiek dat er afzonderlijke normen voor vastgesteld moeten worden?

De vraag kan ook anders gesteld worden: zijn de reeds bestaande nationale en internationale normen al of niet afdoende om de beveiliging en veiligheid van de musea op een gewenst niveau te borgen?

De gezamenlijke verzekeraars werken met een risicoclassificatie aan de hand waarvan het gewenste/vereiste voorzieningenniveau (inclusief organisatorische aspecten) bij de verschillende risico’s vastgelegd wordt. Bij die classificatie wordt gekeken naar zaken als:
1. Aard van de organisatie
2. Ligging van de gebouwen al of niet binnen de bebouwde kom
3. Aantrekkelijkheid van de aanwezige goederen
4. Waarde van de aanwezige goederen.

Het probleem is dat museale objecten slechts zeer gedeeltelijk voorkomen in de lijst van te beschermen goederen. Zodra er sprake is van museale collecties stelt de risicocalculator vast dat de klasse moet worden bepaald in overleg met de verzekeraar. Daar hebben we een probleem, want in de praktijk is gebleken dat dergelijk overleg niet altijd leidt tot een voldoende beveiligingsniveau (zowel de tentoonstelling met diamanten sieraden in het Museon als de collectie in het Westfries Museum waren via dezelfde makelaar verzekerd). Gebleken is dat het overleg met de verzekeraar bij deze musea niet geleid heeft tot een beveiligingsniveau waardoor onopgemerkte inbraak en uitgebreide diefstal voorkomen konden worden.
Toch biedt de risicocalculator enig houvast wanneer gekeken wordt naar de waarde van de aanwezige goederen. Wanneer die waarde hoger is dan € 350.000,00 dan is namelijk een beveiliging in de hoogste risicoklasse vereist.

Dit betekent dat er een hoge inbraakwerendheid moet zijn, dat de elektronische alarmering aan normen moet voldoen, dat de alarmtransmissie naar een particuliere alarmcentrale aan normen moet voldoen, dat de alarmopvolging door een genormeerd/gecertificeerd bedrijf moet plaatsvinden en dat het mogelijk moet zijn alarmen op afstand te verifiëren opdat de politie meteen gealarmeerd kan worden.

Al deze onderdelen zijn in normen en of beveiligingsrichtlijnen (BRL’s) vastgelegd. De bij de elektronische signalering te gebruiken componenten moeten voldoen aan normatief vastgelegde kwaliteit.
Er zijn normen voor de inbraakwerendheid van gevelelementen (ramen, deuren, rolluiken), er zijn normen voor de inbraakwerendheid van glas, er zijn normen voor elektrische installaties en voor beveiligingsinstallaties en alarmtransmissie.

Niet alleen de beveiliging, ook de veiligheid kan volgens bestaande normen worden geborgd. Er zijn normen voor brandmeldinstallaties, voor het onderhoud van brandmeldinstallaties, voor vluchtwegen en voor noodverlichting.

Naast de bestaande normen is er ook nog de wettelijke regelgeving zoals vastgelegd in het Bouwbesluit en de Bouwverordening en in de ARBO wet. Deze wettelijke bepalingen leggen vast hoe gebouwen (met een publieksfunctie) veilig moeten worden gebruikt.

Al deze normen en wettelijke bepalingen bieden bruikbare ondersteuning en richtlijnen voor de beveiliging en veiligheid van musea. In die zin zijn musea niet heel bijzonder. Er blijft naast alle normen altijd ruimte voor maatwerk. De uiteindelijke beveiliging en veiligheid, zeker daar waar het gaat om de collecties, zal op basis van maatwerk gefinetuned moeten worden. Maatwerk kan nooit volgens normen worden vastgelegd (denk bijvoorbeeld aan de recent in Eindhoven gepresenteerde klimaatrichtlijnen).

De bestaande normen op het gebied van beveiliging en veiligheid kunnen wel als uitgangspunt voor musea gelden. Voor veel musea zullen de bestaande normen ook voldoende zijn. Voor uitzonderlijke situaties dienen afzonderlijke maatregelen te worden getroffen.

Normen leggen in feite de prestatie-eisen vast voor de beveiliging en veiligheid. Die prestatie-eisen worden in normen vastgelegd zoals bijvoorbeeld de maximale transmissietijd van elektronische alarmen, of het aantal slagen met een bijl dat inbraakvertragend glas moet kunnen weerstaan. In de normen voor inbraakwerendheid worden niet alleen de prestatie-eisen vastgelegd, maar ook de beproevingsmethoden.

Wanneer maatwerk vereist wordt, denk hierbij bijvoorbeeld aan de vitrine waarin de Damian Hirst schedel getoond wordt, dan moet het museum zelf de prestatie-eis en de beproevingsmethode bepalen. Die prestatie-eis moet gerelateerd zijn aan de organisatie van de beveiliging, de elektronische signalering, de (camera)observatie en de bouwkundige weerbaarheid van het gebouw.

Museumnormen voor de beveiliging van de musea onmogelijk?

Dus, in plaats van tijd en energie te steken in het ontwikkelen van normen is het beter bestaande normen als uitgangspunt te nemen en te spiegelen aan de gewenste prestatie-eisen. Mochten die eisen verder gaan dan het door de norm geboden niveau dan zullen er beproevingsmethoden moeten worden ontwikkeld. Bij beproevingsmethoden kan gedacht worden aan de gewenste tijd van inbraakwerendheid gekoppeld aan te verwachten aanvalsmethoden. Met andere woorden: hoe lang moet de gebruikte deur, het gebruikte glas weerstand bieden tegen welke aanvalsmiddelen, gereedschappen.

Het is in strijd met het normenprincipe om te proberen normen te formuleren voor afwijkende situaties. De grote variatie aan collecties leidt al heel snel tot afwijkende eisen. Het maakt namelijk heel veel uit of er sprake is van de voor streekmusea en oudheidkamers kenmerkende collecties of van collecties op het niveau van het Mauritshuis. Voor at betreft de gebouwen, de elektronica en elektriciteit, de brand- en omroepinstallaties, de vluchtdeuren en de noodverlichting zijn de reeds bestaande normen toereikend. Wanneer het gaat om de bescherming van de collectie zal op basis van maatwerk en prestatie-eisen het juiste niveau moeten worden bepaald. Het heeft nu eenmaal geen zin voor unieke situaties normen te formuleren.

November 11th, 2008

Posted In: algemeen

Ruud Spruit, oud-directeur van het Westfries Museum, komt volgend jaar met een boek over grote kunstdiefstallen. Het is een bewerking van een Amerikaans boek. Een vijftal Nederlandse ’spraakmakende museumberovingen’ komen ook aan bod. Daar hoort zonder twijfel de miljoenendiefstal uit het Westfries Museum ook bij. Spruit was toen nog directeur van dit museum in Hoorn, maar kreeg daarna veel kritiek op de beveiliging.

Kunstroof
Op de site waar Spruit te boeken is voor allerlei gastoptredens is over het boek te lezen: ”Grote kunstdiefstallen staan in het boek ‘Kunstroof’ centraal. Ruud Spruit maakte de bewerking voor Nederland van het in Amerika verschenen, rijk geïllustreerde boek over de grote kunstdiefstallen wereldwijd, de moeizame teruggave van de Holocaustkunst, de beroving van archeologische vindplaatsen, het leegroven van het museum in Bagdad na de inval van de Amerikanen. Voor Nederland wordt een vijftal spraakmakende museumberovingen van de laatste jaren behandeld. Het boek Kunstroof verschijnt in april 2009 als co-produktie van Madison Press en Bataafsche Leeuw.”

In de nacht van 9 op 10 januari 2005 werden uit het Westfries Museum 23 zeventiende eeuwse schilderijen, een prent, een tekening en een zestigtal zilveren objecten gestolen. De gezamenlijke verkoopwaarde werd geschat op ongeveer 10 miljoen euro. Van de buit is nog steeds geen spoor. De ’inbrekers’ hadden detectoren van het alarmsysteem afgeplakt en zich laten insluiten. Dankzij de inbraak kreeg het museum veel publiciteit. Directeur Spruit hield samen met toenmalig wethouder Tonnaer vol dat het museum goed beveiligd was.

Per 1 april 2007 is Spruit (vervroegd) met pensioen gegaan (omdat zijn positie onhoudbaar was). Zijn afscheid werd overschaduwd door de miljoenendiefstal uit het gemeentelijke museum. Hij schrijft nu boeken en geeft ook lezingen waar hij onder andere spreekt over de kunstroof.

Nawoord Ton Cremers:

Ruud Spruit gaat onvermijdelijk de geschiedenis in als de leugenachtige museumdirecteur die vanaf het moment dat de inbraak in zijn museum bekend werd glashard gelogen heeft over de beveiliging van zijn museum. Bovendien was hij niet in staat van alle gestolen objecten foto’s te presenteren. Die beveiliging was ver onder de maat maar Spruit koos ervoor – om zijn hachje te redden – te liegen dat die beveiliging geavanceerd was en dat hij slachtoffer werd van professionele criminelen. Baarlijke nonsens: de ouderwetse bewegingsmelders die Spruit in zijn museum had, werden simpelweg door de criminelen afgeplakt. Door zijn leugens heeft Spruit de Nederlandse museumwereld een zeer slechte dienst bewezen. Zichzelf trouwens ook want zijn liegen heeft een smet geworpen op de naam Spruit. Het is hondsbrutaal dat de man nu plannen heeft een boek over kunstcriminaliteit te publiceren. Mocht hij aan de inbraak en diefstal in het Westfriesmuseum een trauma hebben overgehouden dan ware het beter geweest hulp te zoeken bij een psychiater in plaats van ter verwerking van dat trauma een boek te publiceren over kunstcriminaliteit. In zijn vorige boek ‘Spruit Spreekt’ (een betere titel ware geweest ‘Ruud Raaskalt’) zette Spruit zijn leugens voort. Blijkbaar kan de man niet anders.

November 7th, 2008

Posted In: algemeen, diefstal uit museum

(zie de bijlage).

Naast Claudia Urru (over de verbouwing van het Zeeuws Museum) en Theo Vermeulen (over de vitrines van De Verdieping van Nederland) geven Erik van der Heijden en Cees Kortleve van AON Artscope een presentatie over het belang van normen voor de verzekeraar. Met name naar die presentatie kijk ik met extra belangstelling uit. AON Artscope, geen verzekeraar maar een verzekeringsmakelaar, was betrokken bij de verzekering van de tentoonstelling met diamanten sieraden in het Museon. In dat Museum werd onopgemerkt ingebroken en een twintigtal vitrines werd binnen vijf minuten kapot geslagen en leeggeroofd. Ongeveer een jaar na deze inbraak merkte ik in een kranteninterview op dat AON Artscope als makelaar van de verzekering voor deze tentoonstelling er van uit was gegaan dat er ‘waarschijnlijk niets zou gebeuren’. Deze opmerking was voor Cees Kortleve aanleiding mij een boze mail te sturen met de vraag of ik meende helderziende te zijn en te weten wat er in de gedachten van AON Artscope om zou gaan. Nee, ik ben niet helderziende maar vernam van een AON Artscope medewerker dat de beveiliging van de diamantententoonstelling ‘om te huilen’ was. De vraag waarom dan toch bij een verzekeraar ondergebracht en welke normen gehanteerd werden lag voor de hand.

Dat Kortleve op 13 november duidelijkheid gaat geven over de normen die AON Artscope hanteert bij het auditen van de museale beveiliging is zonder meer heel goed nieuws. Misschien wordt dan ook duidelijk hoe het mogelijk was dat het Westfries Museum in Hoorn ook onopgemerkt beroofd kon worden van een groot aantal schilderijen en zilveren voorwerpen. AON Artscope was als ik goed ben geïnformeerd namelijk ook de verzekeringsmakelaar van dat museum.

Het belooft een boeiende dag te worden op 13 november.

Noot: bij geen van beide genoemde musea was ik beroepsmatig betrokken; bovenstaande kanttekeningen plaats ik als geïnteresseerd toeschouwer.

Ton Cremers

October 12th, 2008

Posted In: algemeen, congressen

Tags: , , ,

AON was vertegenwoordigd in de Brandraad’08 in de persoon van Marcel Hanssen. We komen de naam AON nogal eens tegen in de museumwereld…

Lees meer hierover….

June 19th, 2008

Posted In: algemeen, commentaar, opinie

abonneer je op de mailing list

June 14th, 2008

Posted In: algemeen

 Mistgeneratoren worden gebruikt als preventiemiddel tegen inbraken of ramkraken

Met een mistgenerator wordt de ramkraak of inbraak schade tot een minimum beperkt.
 
Om een mistgenerator volledig tot zijn recht te laten komen, is het essentieel dat de totale duur van de mistuitstoot niet langer dan 10 seconden in beslag neemt.
Iedere seconde langer geeft de inbreker teveel tijd en daarmee wordt het effect weer (deels) teniet gedaan.
 
Binnen enkele seconden na detectie van een inbraak wordt de ruimte gevuld met een dikke ondoorzichtbare en onschadelijke mist. De inbreker ziet letterlijk geen hand voor ogen meer en kan zich niet meer oriënteren. De inbrekers hebben dan geen mogelijkheid om een buit te verzamelen. Er is dan letterlijk niets meer te halen. Om schade te voorkómen is het wél van groot belang de potentiële ramkrakers door middel van stickers op de hoogte te brengen van deze maatregelen.

BANDIT:

 
Hieronder is een technische verhaal waarom de Bandit zo uniek is ten opzicht van de rest wat er verkrijgbaar is op de Nederlandse markt.

Techniek
Het technische concept van de Bandit is uniek. De (opstart)snelheid van het proces in minder dan 200 ms, een directe opbrengst van 28 m3 per seconde bij een mistdichtheid van circa 30 cm. zijn ongeëvenaarde prestaties. Door toepassing van een drukvat, is de opbrengst groter (16 Bar in plaats van de gebruikelijke 3-4 Bar bij gebruik van een pomp) en direct beschikbaar. Een belangrijk nadeel van een drukpomp is dat deze na verloop van tijd kan gaan vastzitten, dat probleem kent een Bandit niet, want er zit geen drukpomp in. Ook de hinderlijke stank naar verloop van tijd als de vloeistof niet regelmatig vervangen wordt is een Bandit vreemd, er is geen open reservoir.

Algemeen advies:
Ons advies is om per 250-300 m3 inhoud (bij een winkelhoogte van 2,50 meter, een oppervlakte van 100-120 m2) één Bandit toe te passen.
Ingeval een winkel groter is dan de hierboven gespecificeerde inhoud of oppervlakte is het verstandig om twee of meerdere Bandits toe te passen.
Zo is het mogelijk een optimale werking te garanderen waarbij een locatie binnen 10 seconden gevuld wordt met een mist waarbij het zicht minder dan 35 cm is zonder waarneembaar residuen. Dit is een algemeen advies die wij adviseren mocht u hiervan toch willen afwijken dan kan dat want 1 Bandit kan een ruimte van maximaal 504 m3 beveiligen in 18 seconden.
 
Ramkraken:
Bij locaties waar een ramkraak niet uitgesloten kan worden, adviseren wij de Bandit 240PB toe te passen.
Deze Bandit kunnen wij dusdanig programmeren dat ingeval van een ramkraak een extra mistuitstoot wordt gegeven en deze op gezette tijden herhaald wordt totdat het inbraaksignaleringssysteem wordt gereset. De Bandit 240PB is ook voorzien van een uniek logsysteem. Iedere actie naar en van de Bandit wordt daarin vastgelegd.
 
Hervullen mistvloeistof:
De Bandit werkt met een drukvat. Het drukvat kan ongeveer 50 seconden mist leveren, voldoende voor minimaal 5 mist-uitstoten van 10 seconden of een hoger aantal ingeval van een kleinere ruimte bvb. 10 mistuitstoten van 5 seconden bij een ruimte met een inhoud van 125 m3. (circa 50m2 bij een hoogte van 2,50 meter).
Indien het drukvat minder dan 30% inhoud bevat meldt de Bandit dit lokaal door een knipperende led. Wordt dit binnen 1 week niet opgemerkt dan zal de Bandit een technische melding genereren bij de alarmcentrale. Indien de Bandit nooit in actie komt dan is ons advies om het drukvat éénmaal per drie jaar te vervangen. Het vervangen van een drukvat is simpel en snel te realiseren.

De Bandit onderscheidt zich op een aantal punten van de rest: Druk van 16 Bar, Energie verbruik, 28 m3 per seconden, 3 jaar omruilgarantie,
• Druk van 16 Bar, De HY3-Pack waar de vloeistof van de Bandit in zit staat altijd onder een druk van 16 Bar daarom geeft de Bandit zulke enorme prestaties in verhouding tot de rest.  
• Energie verbruik, Onze Bandit gebruikt maximaal 40 watt per uur dat kunt u vergelijken met een klein lampje. Onze concurrent mistgeneratoren zit ongeveer rond de 100 watt per uur. Als ik dit omreken aan energiekosten per jaar dan is dit een verschil van ongeveer 100 euro per jaar.
• 28m3 per seconden, Omdat de Bandit standaard onder een druk van 16 Bar werkt geeft dit ons als enige de mogelijkheid om binnen 18 seconden 504m3 mist te genereren. Er is geen concurrent die in de buurt komt van deze prestaties.
• 3 jaar omruilgarantie, Wij zijn de enige die dit aandurven omdat wij zeker weten dat hij niet kapot kan/gaat. Er is geen andere aanbieder van mistgenerator die dit aandurft omdat ze weten dat vroeg of laat de druk pomp toch kapot gaat.

 
 Garantie:
De Bandit wordt geleverd met 3 jaar volledige omruilgarantie ingeval van een defect.
 

Residu:
Tevens is de Bandit mistgenerator de enige die TNO-Rapporten in zijn bezit heeft die aantonen dat de mistgenerator geen sporen nalaat op goederen.
Te vinden op www.bandit.nl kopje downloads en dan textiles report.

Tevens wil ik u graag op de hoogte van onderstaande keuringen.

Graag willen wij u op de hoogte brengen van de laatste stand van zaken op het gebied van de productcertificering van mistgeneratoren.
• De Bandit 240 is de eerste en enige mistgenerator met een REQ registratie!
• De NCP registratie ITA 11201-M is verlengt tot 01.01.2009
• De Bandit 240 is de enige mistgenerator in de Nederlandse markt die een REQ en NCP registratie heeft.
Hieronder treft u de website-link van stichting REQ http://www.stichting-req.nl/?pagina=906&ProductID=731

Referentie:
Shell, Total, KPN, Esso, Q8, Esprit.

 

Nadim Masri
Sales manager

T: +31 (0)20 480 39 44
M: +31 (0)6 525 76 069
E: nadim@bandit.nl 

________________________________________
BANDIT MISTGENERATOREN BV
Kruiswaal 3
1161 AL Zwanenburg
T: +31 (0)20 480 39 44
F: +31 (0)20 480 3940
E: info@bandit.nl
I: www.bandit.nl
________________________________________

June 14th, 2008

Posted In: algemeen

BEVEILIGING, Managementblad.

Thema’s in het meinummer: cameratoezicht, havenbeveiliging, museumbeveiliging en IFSEC 2008

Greep uit de inhoud:

(Samenvatting van alle artikelen is te vinden op: http://www.beveiliging.nl/tijdschrift/1/18/mei2008.html?t=1)
 
Russisch beveiligen binnen Nederlandse mogelijkheden
Museumcollecties zijn doorgaans niet alleen kostbaar maar ook onvervangbaar. Toch bestaan er geen Europese normen voor de beveiliging ervan. Beheerders moeten het allemaal zelf bedenken, putten uit ervaring van anderen of uitgaan van de eisen die verzekeraars en bruikleners stellen. Zo ook bij De Hermitage Amsterdam. Dit nu nog kleine museum wordt volgend jaar tien keer zo groot, als de renovatie van gebouw De Amstelhof achter de rug is. Alles wat er te zien zal zijn wordt via bruikleen verkregen en de eisen die de bruikleners stellen zijn niet mis. Het is een uitdaging om daaraan binnen de kaders van de Nederlandse wetgeving te voldoen.

‘Baarlijke nonsens’ doen musea afzien van sprinklers
Sprinklers in een museum. Voor veel collectiebeheerders is het vloeken in de kerk. Maar is het wel zo gek om musea en kunstschatten met sprinklers tegen brand te beveiligen? Deze vraag stond centraal tijdens een door de Museumvereniging NMV georganiseerd seminar.

Draadloze sensoren bewaken kunstobjecten in honderden musea
Als in het Joods Historisch Museum in Amsterdam een schilderij iets beweegt, wordt dit direct gesignaleerd. Signalering gebeurt met de speciale, veelal draadloze sensoren van Euronova, een bedrijf dat zich volledig heeft toegelegd op elektronische bewaking van kunstvoorwerpen.

RFID en museumbeveiliging: gebakken lucht?
Er gaan al enkele jaren magische verhalen rond over de mogelijkheden die RFID (Radio Frequency Identification) biedt bij de beveiliging van musea. Er zouden miniscule chips bestaan die op een geheime plaats in objecten kunnen worden verborgen en waarmee de objecten wereldwijd via satellieten gevolgd kunnen worden. Minder science fiction-achtig, maar helaas even onwaar: dankzij RFID tags in of aan museumobjecten kunnen die objecten op afstand gevolgd worden binnen de museumgebouwen en tijdens transporten. Bij diefstal zou dankzij de RFID tag de dief binnen het gebouw van ruimte tot ruimte gevolgd kunnen worden. Toekomstmuziek? Misschien, maar nog geen eenvoudig realiseerbare werkelijkheid. Voegt RFID in zijn huidige vorm iets toe aan de beveiliging?

Kenniscentrum Veiligheid Cultureel Erfgoed
In opdracht van het ministerie van OCW bouwt de Koninklijke Bibliotheek (KB) sinds begin dit jaar aan het Kenniscentrum Veiligheid Cultureel Erfgoed. Het Kenniscentrum heeft twee doelen: het uitdragen van het belang voor aandacht voor veiligheidszorg in erfgoedinstellingen en het bundelen en gestructureerd toegankelijk maken van de kennis en informatie die op dit gebied in Nederland aanwezig is.

Kanttekeningen bij het Convenant Alarmopvolging
Sinds 1 april 2008 reageert de politie alleen nog met spoed op elektronisch inbraakalarm, als de melding door een particuliere alarmcentrale geverifieerd wordt. Voor gebruikers, installateurs, PAC’s en politie lijken er louter voordelen te zijn. Die voordelen zijn er ook. Maar er zijn ook nadelen. Installaties moeten aangepast worden, er moeten nieuwe procedures komen en er gaat voor de PAC’s meer tijd zitten in de afhandeling van alarmen. Alarmering via de PAC wordt hierdoor in de meeste gevallen duurder. Tenzij men snelle politieopvolging niet van belang acht.

Museum Security Network / Museum Security Consultancy
toncremers@museum-security.org
http://www.museum-security.org
Handboek Veiligheidszorg Erfgoedbeheerders
http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl/

 

May 6th, 2008

Posted In: algemeen

This content is password protected. To view it please enter your password below:

April 22nd, 2008

Posted In: algemeen, opinie

Sinds 1 april hanteert de politie nieuwe regels bij de alarmopvolging van elektronische alarmen.

Alarmen uit beveiligingsystemen dienen eerst geverifieerd te worden voordat de politie mag worden gebeld. Blijkt bij verificatie dat er werkelijk sprake is van inbraak dan zal de politie aan de alarmopvolging prioriteit 1 geven en snel ter plekke zijn.

De politie wil overigens wel dat er binnen een kwartier een sleutelhouder aanwezig is.

Na dat kwartier zal de politie weer vertrekken. De eigen alarmopvolging is dus ook heel belangrijk. Dit geldt overigens niet alleen voor inbraakalarmen maar zeker ook voor brandalarmen. Zowel de politie als de brandweer – denk aan de collectie – kan alleen adequaat de alarmen opvolgen wanneer het museum in staat is te zorgen dat de externe en de eigen alarmopvolging naadloos op elkaar aansluiten.

Door deze nieuwe regels is ineens het focus gekomen op de alarmopvolging. De alarmopvolging is echter altijd al een zeer belangrijk onderdeel geweest van de beveiliging(sorganisatie). Dat geldt zowel tijdens openingsuren als buiten die uren.

Belangrijk is te bepalen wat precies van die alarmopvolging verwacht wordt.

Enkele voorbeelden:

Doel alarmopvolging bij inbraak: 

1. volledig voorkomen van diefstal bij een inbraak

2. voorkomen dat bij een inbraak grote delen van de collectie gestolen worden 

3. er voor zorgen dat na een inbraak een timmerman gewaarschuwd wordt om kapotte ramen en deuren provisorisch te dichten. 

Het zal duidelijk zijn dat deze drie opties heel verschillende eisen stellen aan de bouwkundige inbraakwerendheid, aan de elektronische signalering en aan de alarmopvolging. Wanneer de eerste optie het doel is dan zal de bouwkundige weerbaarheid zodanig moeten zijn dat er een vertraging is die de alarmopvolgingsorganisatie voldoende tijd gunt adequaat te reageren.

Die alarmopvolging wordt aangestuurd door de elektronische inbraaksignalering. Deze signalering moet daarom in een zo vroeg mogelijk stadium plaatsvinden. Investering in bouwkundige weerbaarheid heeft een beperkt nut wanneer inbrekers pas elektronisch gedetecteerd worden nadat ze binnen zijn (bij optie 2 en 3 kan met inpandige alarmering volstaan worden, maar bij optie 1 niet).

De politie heeft tussen enkele en 15 minuten nodig om bij prioriteit 1 voor te rijden. Die tijd wordt door eigen verificatie ter plekke onacceptabel vertraagd indien het doel is een succesvolle diefstal bij inbraak te voorkomen.

Er zal dus zodra een elektronisch signaal gegenereerd wordt onmiddellijk vanuit de particuliere alarmcentrale verificatie moeten plaatsvinden. Dat kan via camera’s of microfoons. De politie accepteert ook technische verificatie op afstand. Met technische verificatie op afstand wordt bedoeld dat er meerdere alarmen gegenereerd worden die elkaar binnen maximaal 5 minuten opvolgen en binnen de topografie van het gebouw op elkaar aansluiten.

Het zal duidelijk zijn: de inbrekers zijn dan al binnen. Het is nu eenmaal inbrekers eigen dat ze niet lang binnen blijven tenzij ze zeker weten dat het inbraakmeldsysteem niet functioneert (het Westfries Museum scenario; daar werden de bewegingsmelders overdag afgeplakt waardoor de inbrekers ongemerkt hun slag konden slaan). 

Bij technische verificatie op afstand is de alarmopvolging in het nadeel.

Dus: als een diefstal bij inbraak succesvol verijdeld moet worden dan moet aan een aantal eisen worden voldaan waarbij de maximale (?) alarmopvolgingstijd van 15 minuten door de politie uitgangspunt moet zijn. 

In de eerste plaats moet de bouwkundige weerbaarheid minimaal 15 minuten, maar liever nog enkele minuten langer, zijn.

Die weerbaarheid hoeft niet alleen in de buitenschil van het gebouw te worden gerealiseerd, maar kan ook bereikt worden via een combinatie van inbraakwerende buitenschil en inpandige compartimentering. Het gaat erom dat de te stelen goederen pas na 15 minuten bereikt kunnen worden.

Een aanval op de inbraakwerendheid moet in een zo vroeg mogelijk stadium worden gesignaleerd door elektronische signalering op de buitenschil van het gebouw of buiten de inpandige inbraakwerende compartimenten. De alarmen moeten op afstand vanuit een PAC geverifieerd kunnen worden. 

De eigen alarmopvolgingsorganisatie moet in staat zijn binnen 15 minuten nadat het alarm de PAC bereikte ter plekke te zijn.

Om dit alles te realiseren zal geïnvesteerd moeten worden in:

1. bouwkundige weerbaarheid

2. elektronische signalering

3. verificatie op afstand door middel van camera’s en of microfoons.

De vernieuwde risicoklasse-indeling spreekt in de hoogste risicocategorie over een inbraakwerendheid van 10 minuten. Dit zal in de praktijk niet altijd voldoende zijn. De te realiseren bouwkundige inbraakwerendheid zal moeten worden vastgesteld op basis van een analyse van de alarmopvolging. Zo lang die alarmopvolging meer tijd in beslag neemt dan inbrekers nodig hebben om hun buit te vergaren hebben investeringen in bouwkundige weerbaarheid en elektronische signalering een beperkt nut.

Het is duidelijk dat er hoge eisen moeten worden gesteld aan de bouwkundige weerbaarheid, de elektronische signalering, de verificatie op afstand en de alarmopvolging om pogingen tot inbraak met diefstal succesvol te verijdelen. Indien de waarde van de collectie dit rechtvaardigt moeten die hoge eisen verwezenlijkt worden.

Er zijn meer maatregelen nodig om de inbrekers af te schrikken. Hierbij kan gedacht worden aan het automatisch schakelen van de verlichting bij alarmen en de installatie van een doordringend luidalarm, gedacht kan worden aan een inpandige sirene van minimaal 120Db en, indien mogelijk, de installatie van een mistgenerator.

Alarmopvolging bij brand

In heel Nederland werken erfgoedbeheerders in regionale projecten gezamenlijk aan de optimalisering van de calamiteitenplannen waarbij uitgebreid aandacht wordt besteed aan de collectiehulpverlening. Hier geldt ook dat de eigen alarmopvolging naadloos moet aansluiten op die door de brandweer.

Indien de eigen organisatie snel ter plekke kan zijn wordt de kans om collectieobjecten te redden bij een brand groter. Analoog aan de rol van de BHV organisatie – eerste bereddering en gidsen van de brandweer – kan de collectiehulpverlening (CHV) de brandweer van informatie voorzien bij het beredderen van de collectie en mogelijk zelf een rol vervullen – mits de omstandigheden dat zonder gevaar voor mensen toelaten – bij het in veiligheid brengen van collectie.
Dit betekent dus dat de eigen alarmopvolging niet alleen bij inbraak maar ook bij brand moet zijn afgestemd op de alarmopvolging door externe partijen.

Belangrijk is dat vooraf nagedacht is over de prioriteitenstelling bij de bereddering van de collectie. Deze prioritering moet bepaald worden aan de hand van een aantal criteria:

1. de continuïteit van de bedrijfsvoering;
2. de waarde (het belang) van individuele collectieobjecten;
3. de vervangbaarheid;
4. de haalbaarheid, snelle verplaatsbaarheid;
5. kwetsbaarheid;
6. eigen collectie versus bruiklenen.

Het is niet juist er bij voorbaat vanuit te gaan dat bij een brand geen enkele beredderende actie kan worden ondernomen. Dat hangt namelijk helemaal af van de beheersbaarheid en de locatie van de brand.
Indien een brand boven in een gebouw ontstaat is er vaak veel tijd om uit lagere gebouwdelen objecten te redden. Dat bleek april 2008 bij de brand in het Schutterijmuseum in het Limburgse Steyl en in 2004 bij de brand in de Anna Amalia bibliotheek in Weimar.
De brand in het Armandomuseum oktober 2007 in Amersfoort ontstond in de dakconstructie. Indien er op dat moment medewerkers van het museum aanwezig waren geweest was er een grote kans geweest dat meerdere schilderijen in veiligheid waren gebracht.

Het spreekt vanzelf dat zowel voor diefstal als brand geldt dat de aandacht in eerste instantie uit moet gaan naar preventie.

Een snelle alarmopvolging, op basis van een adequaat en regelmatig geoefend calamiteitenplan, kan schade aan de collectie voorkomen of in ieder geval beperken.

Ton Cremers

toncremers@museumbeveiliging.com

http://www.museumbeveiliging.com

http://www.museum-security.org

http://www.handboekveiligheidszorgmusea.nl

April 19th, 2008

Posted In: algemeen

De brand in het Armando Museum heeft geleid tot een uitgebreide discussie over het nut en gevaar van sprinklers in musea. Zowel deskundigen als minder-deskundigen mengden zich in die discussie. De sprinklerdiscussie is beladen met emotie en vaak worden man en bal verward. (more…)

February 23rd, 2008

Posted In: algemeen, brand Armando Museum, sprinklers

Op Marktplaats wordt een vervalste Constant aangeboden op: http://link.marktplaats.nl/143240729

Volgens experts is dit absoluut GEEN Constant en is de handtekening vervalst. Aangezien de verkoper, Pierre uit Breda, de geboorte- en sterfdatum van Constant Nieuwenhuis vermeldt in zijn advertentie wordt de indruk gewekt dat we hier te maken zouden hebben met DE Constant uit de Cobra beweging. Dit is NIET juist!

January 26th, 2008

Posted In: algemeen

Op Marktplaats wordt een vervalste Constant aangeboden op: http://link.marktplaats.nl/143240729

Volgens experts is dit absoluut GEEN Constant en is de handtekening vervalst. Aangezien de verkoper, Pierre uit Breda, de geboorte- en sterfdatum van Constant Nieuwenhuis vermeldt in zijn advertentie wordt de indruk gewekt dat we hier te maken zouden hebben met DE Constant uit de Cobra beweging. Dit is NIET juist!

January 26th, 2008

Posted In: algemeen

Tussen 1 december 2006 en 25 december 2007 werden 2.427 berichten over incidenten met cultuurgoed gestuurd naar de abonnees van de Museum Security Network mailing list. De index van deze berichten kan worden gedownload op: http://www.museumbeveiliging.com/MSN_messages_2007.doc.

Dit Word bestand bevat links die rechtstreeks leiden naar alle berichten over incidenten in musea, bibliotheken, archieven en kerken, over illegale handel in kunst en atiquiteiten, vervalsingen, roof in oorlogstijd, etc etc. 

December 25th, 2007

Posted In: algemeen

Na de brand 

Museumberichten, november 2007, van de Museumvereniging bevat een column van de Museumverenigingdirecteur Siebe Weide met de titel Na de brand. Die column van Siebe Weide bevat enkele formuleringen die uitnodigen tot reactie. (more…)

December 23rd, 2007

Posted In: algemeen, brand Armando Museum

Tags: , , ,

Plaats: Catharijneconvent, Utrecht

datum: 7 februari 2008

tijd: 13:00 uur

December 12th, 2007

Posted In: algemeen, sprinklers