Alarmopvolging met ingang van 1 april 2008

Begin 2007 heeft de Raad van Hoofdcommissarissen (Nederlands Politie Instituut) een convenant afgesloten met het Verbond van Beveiligingsorganisaties (VvBO). Aanleiding was het feit dat de politie in veel gevallen nodeloos werd gewaarschuwd en er zeer veel capaciteit verloren ging met het afwikkelen van deze “ongewenste” alarmmeldingen. In dit Convenant Opvolging Elektronische Alarmen wordt het volgende geregeld:

Er wordt vanaf 1 april 2007 door de politie voorrang gegeven aan geverifieerde inbraakmeldingen en vanaf 1 april volgend jaar mogen ongeverifieerde alarmen niet meer doorgemeld worden aan de politie. Deze verificatie kan plaatsvinden door persoonlijke verificatie (een beveiligingssurveillant of een ander persoon, bijvoorbeeld iemand van de organisatie zelf of buren) of technische verificatie (door middel van beeld, geluid of op basis van een binnen de topografie van het gebouw opeenvolgend aantal alarmen).
Hoewel technische verificatie op afstand door een particuliere alarmcentrale mogelijk is dient er, net zoals voorheen, een sleutelhouder binnen 15 minuten na doormelding van het alarm naar de politie ter plekke te zijn!

Daarnaast dient iedere gebruiker van een overvalalarm hiervoor (opnieuw) toestemming aan te vragen. Om in aanmerking te komen voor een directe doormelding naar de politie dient er sprake te zijn van een meer dan gemiddeld gevaar voor een overval, gijzeling, kidnapping of (moord)aanslag. Is er wel een overvalknop, maar geen politietoestemming, dan handelt de particuliere alarmcentrale conform de met de klant overeengekomen actieprotocollen. Als de alarmcentrale na een overvalmelding contact met opneemt en een noodcode doorkrijgt of iets vreemds constateert, dan wordt de politie alsnog ingeschakeld.
Het is belangrijk goed na te denken over het doel van elektronische signalering en alarmopvolging:

– Is het doel pogingen tot inbraak en diefstal te verijdelen?

– Is het doel het aantal te stelen objecten te beperken en wordt geaccepteerd dat inbrekers nu eenmaal niet kunnen worden tegen gehouden?

– Is het doel te zorgen dat na een geslaagde inbraak en diefstal de inbreker dezelfde nacht niet succesvol terug kan keren

– Is de elektronische signalering slechts bedoeld om een timmerman te waarschuwen die de opengebroken deur/raam met een plaat multiplex dicht timmert?

Het zal duidelijk zijn dat punt 1 de voorkeur verdient. Als het doel is dat inbrekers gepakt worden voordat ze hun slag slaan, dan moet er voor gezorgd worden dat de bouwkundige weerbaarheid en de elektronische signalering zodanig zijn dat de alarmopvolgingsorganisatie sneller is dan de inbrekers.

Dit betekent dat de buitenschil een hoog niveau van inbraakwerendheid moet hebben en dat pogingen die schil te doordringen direct bij aanvang gedetecteerd moeten worden. Daarnaast moet er gezorgd worden voor een inbraakwerende inpandige compartimentering en waar nodig voor meeneembeperkende maatregelen zoals goede verankering van objecten en inbraakwerende vitrines. Natuurlijk dit alles passend binnen het voor individuele gebouwen/organisaties bepaalde risicoprofiel. Het heeft geen zin zwaardere beveiliging toe te passen dan het risicoprofiel vereist.

Tenslotte: inbrekers weten dat er vrijwel overal sprake is van elektronische signalering en alarmopvolging (de gemiddelde opvolgingstijd is in Nederland bij particuliere alarmopvolgers 35 minuten) en dat ze snel hun slag moeten slaan. De integrale beveiliging moet zo zijn ontworpen dat een snelle inbraak en verzameling van de buit onmogelijk is. Alarmopvolging – los van de regels die de politie hanteert vanaf 1 april 2007 – is een onderdeel van de beveiliging, vooral van de organisatorische beveiliging (O). Die O moet naadloos aansluiten op de B (bouwkundige), de E (elektronisch), de C (compartimentering) en de M (meeneembeperkende maatregelen).

November 10th, 2007

Posted In: alarmopvolging, musea, Nederlandstalige artikelen

Tags: